De toekomst naar je toe bidden
1986-06-13
Het 'Onze Vader' is het gebed van Gods volk, dat op weg is naar Gods-toekomst, de nieuwe aarde, zoals eens het volk Israël op weg was naar het beloofde land. In dat gebed zijn zes 'beden' te onderscheiden, twee groepen van drie. Het eerste drietal wordt afgesloten met de woorden 'gelijk in de hemel, zo ook op de aarde'. Die woorden geven aan, waar het in de eerste drie beden om te doen is: dat het op de aarde net zo mag worden als in de hemel, waar God zijn troon heeft. De eerste drie beden zijn dus duidelijk op de toekomst gericht, het doel van de reis, waarnaar we ons uitstrekken, en dat we naar ons toe bidden; in het tweede drietal beden gaat het om het heden, om wat we onderweg nodig hebben.- Jaargang 30
- nummer 24
Het doel van de reis is Gods Koninkrijk, Het verlangen daarnaar leert Jezus ons heel expliciet uitspreken in de tweede bede: 'uw Koninkrijk kome'.
Ook hier hoort weer achteraan: 'gelijk in de hemel, zo ook op de aarde'.
Gods Koninkrijk moet komen; in zoverre kunnen we eigenlijk niet spreken van een reisdoel.
Waar we uiteindelijk zullen wonen, is niet de hemel en ook niet een andere planeet, maar de nieuwe aarde, déze aarde, waarop God zijn koningschap gevestigd zal hebben.
Over Gods koningschap gaan verschillende psalmen, bijvoorbeeld psalm 93. Die psalm begint met "De HERE is Koning", maar er komt ook duidelijk in naar voren, dat er op aarde nog veel is wat zich tegen Gods koningschap verzet: stromen, wateren, de zee, kortom: de vloed, die door God bij de schepping teruggedrongen en aan banden gelegd is. Op de tweede scheppingsdag heeft God de wateren in vertik ale richting teruggedrongen en zo ruimte gemaakt voor de mensen, die Hij wilde scheppen, om adem te halen; op de derde dag heeft Hij hetzelfde gedaan in horizontale richting, zodat er ruimte ontstond waar mensen kunnen wonen en wandelen.
Die wateren, machten die het mensenleven bedreigen, hebben door de zondeval weer een kans gekregen, maar de overhand hebben ze niet gekregen, behalve tijdelijk tijdens de Zondvloed. Ook is er nog altijd een gebied. waar die machten in het geheel niets kunnen uitrichten: daar waar Gods troon is; in de hoge, in de hemel. "De HERE heeft zijn troon in de hemel gevestigd." (Ps. 103: 19) Van daar uit oefent Hij zijn koninklijke macht uit en van daar uit zal Hij eens de wateren voorgoed onschadelijk maken: '"en de zee was niet meer" (Openb. 21 : 1).
Tot die tijd hebben we hier op aarde te maken met door onszelf ontketende levensvijandige machten: ziekte, honger, natuurrampen, dood.
In de hemel is Gods koningschap onbetwist; hier op aarde nog niet, maar dat zal eens anders worden: wanneer' Gods Koninkrijk komt. Dan zal er niets meer zijn wat niet in Gods scheppingsplan past; ook de dood zal er dan niet meer zijn.
Maai' daarvoor is allereerst nodig, dat God Koning wordt' in de harten der mensen, want daaruit komt de zonde voort, die de doodsmachten ontketend heeft en steeds weer ontketent.
AIs we dus bidden: "uw Koninkrijk kome", bidden we alIereerst. dat God Koning zal worden, over ons hart en daarmee over heel ons doen en laten.
Met de tweede bede, ‘uw Koninkrijk kome', komt de derde bede, 'uw wil geschiede', inhoudelijk sterk overeen.
Met 'Gods wil' kunnen twee dingen bedoeld zijn: ten eerste datgene wat Hij met ons en met de wereld voor heeft; ten tweede datgene wat Hij van ons vraagt, Anders gezegd: 'uw wil geschiede' kan betekenen: volvoer uw wil, of: laat ons uw wil doen. De Heidelbergse Catechismus betrekt in Antw. 124 de derde bede op dat laatste: dat wij onze eigen wil verzaken en Gods wil gehoorzaam zijn, dus dat wij Gods wil zullen doen.
Veel mensen betrekken deze bede echter ook op datgene wat hun overkomt. Wanneer ze ziek worden, of wanneer hun kind verongelukt, zeggen ze: God heeft het zo gewild: zijn wil geschiede. Het is echter de vraag, of we dergelijke dingen, al belijden we, dat ze ons van Gods vaderlijke hand toekomen, wel zonder meer Gods wil mogen noemen. God heeft immers, toen Hij de mens schiep, dat niet gedaan met de bedoeling, dat die ziek zou worden of zou sterven.
Toch bidden we in de derde bede óók, dat God zijn wil aan ons zal volvoeren, dat Hij zal doen, wat Hij met ons en met de wereld voor heeft, maar dat doen we dan in het vertrouwen, dat Gods wil een heilswil is.
Als we bidden "uw wil geschiede", herinneren we de Here aan de bedoeling waarmee Hij de wereld en ons mensen geschapen heeft. Het is dus een gebed om herschepping, om verlossing. We bidden, dat alles weer mag worden zoals God het bedoeld heeft, ook wijzelf, in heel ons doen en laten. De derde bede is dus, net als de eerste en de tweede, in de eerste plaats een bede die gericht is op de toekomst, Gods heilrijke toekomst.
Maar we bidden ook, dat die toekomst nu reeds richting mag geven aan ons leven.
Ook hier gaat het weer om iets wat in de hemel reeds het geval is, maar wat op de aarde nog werkelijkheid moet worden. In de hemel gebeurt niets wat met Gods bedoelingen in strijd is; zijn dienaren, de engelen, volvoeren daar voortdurend zijn woord en volbrengen zijn wil.
Het wachten is nu nog op de aarde en de mensen daarop.
Jezus, die ons leert bidden 'uw wil geschiede', heeft zelf in Gethsemane gebeden: "Mijn Vader, indien deze beker niet kan voorbijgaan, tenzij dat Ik die drinke, uw wil geschiede."
Dit lijkt op doffe berusting, maar in werkelijkheid was het een gehoorzaam de weg gaan die de Vader Hem wees, in het volste vertrouwen, dat die weg een heilsweg, de heilsweg zou blijken te zijn. Waar Jezus om bad, was niet het lijden, maar het heil, dat zijn Vader door het lijden van zijn Zoon tot stand zou brengen.
Zo had Jezus enkele dagen eerder ook reeds met betrekking tot zijn komende lijden gebeden met woorden die aan de eerste bede herinneren.
We lezen daarvan in Joh. 12:26 v. Beseffend, wat Hem te wachten staat, zegt Jezus eerst: “Nu is mijn ziel ontroerd en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure!” Maar daarna zegt Hij: “Vader, verheerlijk uw naam!" Dat is: doe Uzelf kennen als Verlosser van uw volk.
Jezus bidt hier dus om verlossing, maar Hij wil niet, dat zijn Vader Hem zal verlossen ten koste van de verlossing van heel zijn volk. Maar dat betekent dan wel, dat Hij door lijden en dood heen zal moeten.
Dat is ook de strekking van het 'uw wil geschiede' in Gethsemane.
En zo is ook ons bidden van de derde bede een bidden dat over het lijden van de tegenwoordige tijd heen reikt naar de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden in de toekomende eeuw.