Levensruimte

1985-09-27
  • Jaargang 29
  • nummer 37
Het is heel gemakkelijk om ons de rijke man uit de gelijkenis van "de rijke dwaas" voor te stellen als een gewetenloze geldwolf, die over lijken gaat en vervolgens die man te maken tot het voorwerp van onze "gerechtvaardigde" toorn en verontwaardiging. Maar op die manier maken we ons wel wat al te gemakkelijk van de vraag af of Jezus ons misschien bedoeld heeft toen Hij deze gelijkenis vertelde.
Nee, om de boodschap van deze gelijkenis goed op ons af te laten komen, dienen we te horen met de oren, die we hebben om te horen in een houding van ootmoedige ontvankelijkheid.

Jezus' prediking
De prediking van Jezus aangaande het Koninkrijk der hemelen en de menselijke reactie daarop vormen het kader, waarin deze gelijkenis verteld wordt. Die prediking van Jezus, Zijn, boodschap over het nabij gekomen Koninkrijk komt midden tussen de mensen terecht, die erdoor worden opgeroepen deelgenoot te worden van dat Koninkrijk: Bij het gebeuren uit Lukas 12 lijkt die prediking over de hoofden en langs de harten van de hoorders heen te gaan, in elk geval althans 'bij die ene man uit de schare, die Jezus' betoog tot Zijn discipelen nogal plomp lijkt te onderbreken door een erfeniskwestie aan de orde te willen stellen. Wat de man zegt, klinkt vrij cru, maar de manier, waarop Jezus dit opvangt, is bevrijdend: Hij spint niet rustig verder aan Zijn 'betoog, alsof 'er niets gebeurd is. Zo doen wij meestal wel; wij geven, ook in onze kerkdiensten, dergelijke interrupties geen kans. Maar Jezus grijpt in Zijn prediking de kans tot een dialoog wel degelijk aan, al was het alleen maar om ons te laten zien.. dat het Evangelie niets wereldvreemds heeft. De mogelijkheden voor het Evangelie lijken er zelfs groter op te worden, als niet het monoloog, maar het dialoogkarakter wordt benadrukt.
Toch is het niet zo, dat Jezus zich zonder meer in "banale", zaken als erfeniskwesties laat betrek!
ken. Niet als rechter en als scheidsman laat Hij zich gebruiken.
Niet hiertoe is Hij in de wereld gekomen, om de goederen der aarde' opnieuw te verdelen, waarna ieder dan, genoeg hebbend aan en voor zichzelf, zijn eigen weg kan vervolgen. Nee, Zijn werk, waartoe Hij door Zijn Vader in de wereld gezonden is, is niet dat van een grote herverkaveling, maar gaat veel en veel dieper, het gaat om, het betonen van de grote liefde van de Vader, om ruimte te scheppen in het leven van mensen voor het Koninkrijk van God.

De innerlijke gesteldheid
In de gelijkenis tekent Jezus niet een karikatuur, maar een levend, strevend en falend mens, die echter denkt, dat zijn leven ook bij zijn bezit hoort en die dus een naar binnen gerichte blik heeft en tegelijk in wezen moederziel alleen is en van die innerlijke gesteldheid getuigt zijn wrange woord: "Ik heb geen ruimte". Bij alles, wat de man uit de gelijkenis heeft - en dat is zeer veel ontbreekt hem dat ene ding, de ruimte. Zo blijkt dan het probleem van de levensruimte, dat ogenschijnlijk zo modern is, toch al eeuwenoud te zijn: Het is een probleem voor de mens van alle tijden..
En het heeft ook niet alleen maar ie maken met uiterlijke omstandigheden, maar veeleer heeft het zijn diepste wortels in onze innerlijke gesteldheid. Het hangt ten diepste samen met de vraag of ons leven, gedreven door de liefde van God in Christus, een dialoog is met God, in Zijn verborgen omgang, of dat het een monoloog is, een gesprek met onze "ziel", een leven gedreven door eigenbelang en egoïsme, zoals het leven van de "rijke dwaas" uit de gelijkenis dat kennelijk was, een leven, dat niet dé ontmoeting met God kent, dat ook niet openstaat voor. Gods plannen en Zijn Koninkrijk. In zo'n leven kan iedere ingreep van buitenaf fataal zijn, ja, zelfs catastrofale vormen aannemen, vooral als die ingreep komt van de kant van God, die zegt: "Gij dwaas, in deze eigen nacht wordt uw ziel van u afgeëist en wat gij gereedgemaakt hebt, voor wie zal het zijn?"

Een gelijkenis ten leven
Jezus legt in deze gelijkenis de wijde verten en de rijke perspectieven van Gods Koninkrijk voor ons open. Dat is het Licht in het donker van ons leven. Uit het gebeuren' rond deze gelijkenis wordt ons ook duidelijk, dat 'het niet erg is, wanneer wij God, als .Hij tot ons spreekt in Zijn Zoon Jezus Christus, af en toe eens in de rede vallen met onze vragen en opmerkingen en problemen.
Dat kan geen kwaad, zegt Lukas 12, dat kan zelfs de zaak aanmerkelijk verhelderen. Wat wel kwaad kan - én dan eeuwig kwaad, - dat is, wanneer wij zo bezig zijn met onszelf en zo vervuld zijn van onze gedachten en overleggingen, dat de Here God met al Zijn hemelse goedheid niets met ons kan beginnen. Onze tijd is vol 'van de schreeuwende vraag van mensen om levensruimte.
Hele volken staan te roepen: "Ik heb geen ruimte". Op al dat roepen is God ingegaan; in de volheid des tijds heeft Hij de Zoon zijner liefde gezonden om ons ruimte te verschaffen.
Maar laten wij ons dan niet vergissen in de aard van die ruimte. Zij staat en valt met de lengte en breedte en hoogte en diepte van de liefde van Christus.
Zij is de ruimte van Zijn Koninkrijk, dat gekomen is en komen zal, waar vergeving, verzoening en verlossing, en waar geloof en hoop en liefde de goederen zijn, die ons geschonken worden om daarmee Hem en onze naaste te dienen. Wie zich naar die levensruimte laat leiden wordt vrij en blij, die wordt zelf een stukje levensruimte, door de Heer der heerlijkheid te gebruiken voor Zijn grote doel: Aarde en hemel te vervullen met Zijn glorie.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief