Het functioneren van de belijdenis (4)
1984-06-22
In Torajaland) op het Indonesische eiland Sulawesi (Celebes ), zijn jonge kerken ontstaan als vrucht van de zending van de Gereformeerde Zendingsbond (de zendingspoot van de Geref. Bond binnen de NH-e kerk) en de Chr. Geref. kerken.- Jaargang 28
- nummer 25
Toen vanuit Nederland aan deze kerken werd voorgesteld, dat zij de Drie Formulieren van Enigheid als belijdenis zouden aanvaarden, waren het zéndelingen die daar bezwaar tegen hadden.
Waarom? Omdat zij vonden dat met name de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels niet aansloten bij de cultuur en het levenspatroon waar de Torajakerken middenin staan. Zo is b.v. art. 36 van de NGB (over de overheid) in Indonesië niet toepasbaar, en zou de nadruk die de Dordtse Leerregels leggen op Gods verkiezing misverstaan worden als een variant op de noodlotsgedachte, die in Indonesië zowel bij de Islam als de 'primitieve' godsdiensten zeer wijd verbreid is. Dit bezwaar van de zendelingen werd niet gehonoreerd, met als gevolg dat de Torajakerken een belijdenis van de Nederlandse moederkerken overnamen die in de praktijk totaal niet functioneerde.
Aan deze ongelukkige situatie kwam pas een einde, toen de kerken in 1981 een eigen belijdenis kregen, die wél typerend en verstaanbaar is voor de gemeente van Christus in Indonesië. 1)
Nu komt in deze gang van zaken een problematiek tot uitdrukking, die zich niet alleen op het zendingsveld doet gelden. Immers, nederlands gereformeerde katechisanten hebben op hun manier dezelfde ervaring als de Toraja's: dat de Drie Formulieren van Enigheid uit een andere wereld komen. De wereld van het 16e- en 17e-eeuwse West-
Europa is mensen, die opgroeien bij kernwapens en milieuvervuiling, bij feminisme en Sowjetdissidenten, totaal vreemd. En daarom zijn ook de 16e- en 17eeeuwse belijdenisgeschriften nauwelijks in staat uitdrukking te geven aan hun geloofsbeleving, aan hun belijden van Jezus Christus als Heer. Daarvoor zijn de Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels veel te tijdgericht.
Met dat woord 'tijdgericht' bedoel ik een compliment te geven; met opzet spreek ik niet van de 'tijdgebondenheid' 2).
Dát woord spreekt een oordeel uit; het verwijt geschriften kinderen van hun tijd te zijn, met alle kortzichtigheid van dien. Het woord 'tijdgerichtheid' echter geeft aan dat de Drie Formulieren van Enigheid in uiterste betrokkenheid inging en op de vragen van hun tijd, met hun gezicht naar die tijd toestonden. Dat is een zeer grote verdienste. De eerste lezers van HC, NGB en DL moeten de geweldige ervaring gehad hebben: dit gaat over ons! Hier wordt antwoord gegeven op ónze vragen; hier wordt een weg gewezen in de verwarring van ónze tijd; hier worden dwalingen afgewezen waarmee onze kinderen dagelijks in aanraking komen.
De uiteenzetting in de HC over de RK-e mis, de bestrijding in de DL van de remonstranten, het stelling nemen van de NGB tegenover de heiligenverering (art. 26) - dat alles was in die tijd hoogst aktueel.
Die aktualiteit siert de belijdenisgeschriften en heeft hun kracht mede bepaald. Maar tegelijk schept zij een grote afstand tot mensen van nu, voor wie heel andere stromingen en ideologieën aktueel zijn. Mijn katechisanten diskussiëren op school niet met remonstranten, zijn nog nooit een aanhanger van de transsubstantiatieleer tegengekomen, en het komt niet in hun hoofd op Maria aan te roepen. Hun probleem is - zoals ik het een van hen onlangs kernachtig hoorde zeggen - dat ze altijd vrijwel de enige zijn die naar de kerk gaan: op school, op de tafeltennisclub, in de buurt. Zij botsen op tegen het Komité Kruisraketten Nee; tegen De Aanslag van Harry Mulisch; tegen een vriendenkring waarin samenwonen heel gewoon is. En als zij dan zo serieus zijn dat ze vanuit de bijbel zich willen laten gezeggen door de Here, en als christen positie willen kiezen in de wereld waarin zij leven, kortom: als zij in onze chaotische tijd willen leven vanuit de belijdenis: Jezus is Heer dan gaapt er naar hun gevoel een kloof tussen die belijdenis en de belijdenisgeschriften van de kerk.
Ho, zegt nu iemand. Wordt hiermee de tegenstelling tussen onze tijd én die van de belijdenisgeschriften niet mateloos overdreven?
Is er, bij alle verandering in de wereld, niet zoveel gelijk gebleven dat een samenvatting van het evangelie aan het adres van een 16e-eeuwse calvinist wel degelijk ook een 20e-eeuws gereformeerd kerkganger raakt?
Kun je ooit één moderne dwaling aanwijzen die niet in andere gedaante al eeuwen eerder opdook?
Naar mijn besef is het inderdaad geen overbodige luxe om te wijzen op wat onze wereld met die van vier eeuwen geleden verbindt.
Het is eenvoudigweg waar: de stortvloed van veranderingen maakt niet ongedaan, dat een moeder van nu dezelfde soort pijn in haar hart voelt bij het sterven van haar kind als een moeder van toen; dat verliefdheid tóen dezelfde bekoringen en verleidingen betekende als nu; dat geruchten over de pest een soortgelijke paniekstemming teweeg brachten als nu de film 'The day after' . En het is waar: "Veel van wat zich aandient als nieuwe theologie, of nieuwer inzicht blijkt op de keper beschouwd oude ketterijen te bevatten in een nieuw jasje. 3)
Neem nu de Wederdopers, die in de NGB met naam en toenaam bestreden worden. Wat aktueel is ook vandaag art. 36, als het aan het slot waarschuwt voor hen en allen, "die overheden en magistraten verwerpen en de rechtsorde omver willen werpen."
Alsof Guide de Brès aan bepaalde radikale Amsterdamse krakers dacht! Het blijkt dus mee te vallen, het verschil in de wereld om je heen, toen en nu. En dus moeten we niet te hard roepen dat een mens van deze tijd geen boodschap meer heeft aan die oude belijdenisgeschriften.
Wie dat beweert, zou wel eens een beschamend te kort aan kennis kunnen openbaren. Het behoort dan ook tot de taak van de kerk om de verbanden bloot te leggen die er bestaan tussen krakers en wederdopers, tussen IKV-ers en remonstranten, tussen Harry Mulisch en de Epicureeën van NGB art. 13 slot. En toch - we kunnen er niet om heen, dat die verbanden pas bij veel studie zichtbaar worden, en dat het echt nieuwe jassen zijn die die oude ketterijen aantrekken.
Dat wat constant gebleven . is in de geschiedenis en de kultuur, maakt op zijn beurt ook de veranderingen niet ongedaan. De wereld is in de loop der eeuwen niet slechts in schijn veranderd.
Onderweg naar de grote dag van Jezus Christus is er enerzijds de groei en ontplooiing van Zijn Koninkrijk (Matt. 13 : 31, 32), anderzijds de rijping van het kwaad (Openb. 14: 14-20). Zo vinden wij aan het eind van de bijbel dit 'programma' voor de geschiedenis:
Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd. (Openb. 22: 11)
Op deze voortgang, zowel in het kwade als in het goede, stuiten wij wanneer wij de strijd die de opstellers van de belijdenisgeschriften voerden, niet aanstonds herkennen als ónze strijd. Ter toelichting één voorbeeld.
Kenmerkend voor onze samenleving is de nog steeds verder gaande uitbanning van God uit het publieke leven. De maatschappij functioneert zonder met Hem rekening te houden; talloos velen gaan schouderophalend aan de vraag of Hij er is, voorbij. Dat is een nog nooit eerder vertoond verschijnsel in West-Europa. Zo lang hier mensen wonen, hebben zij God, dan wel afgoden gediend. Deze massale Godloosheid is echt nieuw.
En toch kun je ook aanwijzen, hoe dit geweldige succes van de boze van oude tijden af gegroeid is. In de bijbel horen wij al van de goddeloze, die zegt: er is geen God. (ps. 10 : 4; vgl. ps. 14 : 1) Ook toen al was er dus atheïsme.
Alleen: dit atheïsme is gerijpt.
Het is in de loop van de tijden veelomvattender geworden (nu zegt een hele maatschappij: er is geen God). 4) Het is ook intenser geworden. Het atheïsme van de goddeloze van psalm 10 is nog slechts praktisch. D.w.z.: hij ontkent niet Gods bestaan als zodanig, maar houdt er in de praktijk geen rekening mee. (Vgl. vs. 11, 13) Het moderne atheïsme is echter ook theoretisch van aard. Men zegt niet alleen: God doet niets; men gaat een stap verder en zegt: Hij is er helemaal niet.
Het lijkt er op, dat deze rijping van incidenteel, praktisch atheïsme tot veelomvattend, theoretisch atheïsme zich pas in onze eeuw heeft doorgezet. Maar dat betekent, dat belijdenisgeschriften, zouden zij nu opgesteld worden, er heel anders uit zouden zien en uit zouden behóren te zien dan die van de 16e en 17e eeuw.
Dat geldt ook voor wat betreft de keerzijde van dit rijpingsproces, de groei van Gods Koninkrijk.
Ook in dit opzicht is er sinds de opstelling van de Drie Formulieren van Enigheid enorm veel veranderd. De explosieve groei van het zendingswerk (alweer met name in onze eeuw!) zou stellig op belijdenisgeschriften van onze tijd haar stempel (moeten) drukken. Ook in het
bijbelverstaan is van verdieping sprake. Zonder dat dat ook maar iets afdoet aan het respekt, in het vorige artikel uitgesproken voor het inzicht in Gods Woord dat aan ons voorgeslacht is verleend, is vast te stellen dat de kerk in de loop der eeuwen b.v. meer oog heeft gekregen voor de afstand tussen het bijbelse en het griekse denken. Dat de Dordtse Leerregels b.v. over de verkiezing schrijven zonder één citaat uit het Oude Testament te geven, dat valt óns op, omdat wij hebben leren inzien dat het heerlijke evangelie van Gods genadige verkiezing pas ten volle spreekt tegen de achtergrond van Gods verkiezend handelen met Israël.
De Toraja's in Indonesië hebben, in aansluiting aan de Drie Formulieren van Enigheid, een belijdenisgeschrift opgesteld dat rechtstreeks stem geeft aan hun belijden van Jezus als Heer in de Oosterse wereld van de twintigste eeuw. Hoewel daar in de vorige eeuw alom geroepen werd 5) zijn wij, Gereformeerden in Nederland, er (nog) niet in geslaagd tot een soortgelijke aktualisering van het kerkelijk belijden te komen. Zolang er nu maar in prediking en katechese aan gewerkt wordt, om het belang van de erfenis van de Reformatie voor onze tijd te onthullen, is dat niet onoverkomelijk. Maar daar zal het dan ook om gaan, dat de kerk niet volstaat met te repeteren wat lang geleden al gezegd is. Nooit mag de dankbaarheid voor wat de Heilige Geest ons schenkt in de wijsheid van het voorgeslacht, ten koste gaan van het besef, dat wij een heel stuk verderop een plaats hebben in het rijpingsproces van de geschiedenis, op weg naar de Oogst.
1) Zie over deze ontwikkelingen B. Plaisier, De belijdenis in de jonge kerken, Theologia Reformata jaargang XXV no. 3 en 4. Vgl. de opmerkingen van ds A. H. Algra (oudzendeling!) in Opbouw van 11-5-'84.
Misschien dat onze zendelingen in Zuid-Afrika ons eens via Opbouw kunnen informeren over hun ervaringen in dezen?
2) Vgl. over het verschil tussen deze twee woorden C. Graafland, Waarom nog gereformeerd?, Kampen 1973, 43v.
3) A. Noordegraaf, Gods Bouwwerk, 's-Gravenhage 1980, 50.
4) Vgl, de indringende beschouwing van H. van Riessen over het stempel dat het atheïsme op de moderne samenleving drukt, in: Machten onmacht van de twintigste eeuw, Amsterdam 1974, 27.
5) Behalve door Kuyper - zie het tweede artikel in deze reeks - ook b.v. door Da Costa. Vgl. D. Nauta, De verbindende kracht van de belijdenisgeschriften, Kampen 1969