Zijn Gods beloften uitvoerbaar?
1984-06-22
Indien "heel Israël" uit het Tienstammenrijk plus het Tweestammenrijk bestaat (plus een aantal verstrooide Israëlieten, die niet uit Babel zijn teruggekeerd en/of die al vroeger van het bondsvolk zijn afgescheiden) dan is duidelijk geworden, dat de verloren schapen van het huis van Israël de verdwenen tien stammen moeten zijn.- Jaargang 28
- nummer 25
Waar de apostelen - op Paulus na - de opdracht kregen, niet naar de heidenen en niet naar de Samaritanen, maar naar de verloren schapen te gaan, lijkt het niet moeilijk om na te trekken: waarheen ze hun zendingsreizen hebben gericht. Er zijn tal van aantekeningen en kerkhistorische gegevens bekend over hun doen en laten.
We hebben al een tip van de sluier opgelicht door te vertellen, dat de Kelten van Wales zich officieel Cymry noemen dat ze verklaren van Israël te stammen; dat de Assyriërs (blijkens een te London bewaarde stèle) de weggevoerde tien stammen G'Omri noemden welke naam verbasterde tot Kumri, Cymry; en ... dat Silurië(Zuid-Wales) het eerste koninkrijk ter wereld was, dat het christendom aanvaardde.
Zo is er een eerste resultaat van de zendingsopdracht bekend, weliswaar niet uit de Bijbel, maar niettemin zeer aanvaardbaar, zo niet bewijsbaar. En de Kelten van Wales staan niet op zich zelf; ze vormen een deel van de Keltische stammen, die in Europa leefden vanaf de 8e eeuw vC.; een volk, dat de cultuur van dit werelddeel heeft bepaald en waarbij we wel eens afzonderlijk mogen stilstaan. Ook de apostelen hebben al hun aandacht aan dit volk gegeven. Denk maar aan Paulus' brief aan de Galaten.
Maar nu voelen we de bezwaren opkomen. Wat voor ons zoveel eeuwen verborgen bleef (door de Romeins-christelijke geschiedschrijving ... ) stuit vandaag op tal van weerstanden. We zijn sedert Calvijn vertrouwd met de gedachte, dat "heel Israël" gevormd wordt uit de bekeerde heidenen (dat zijn wij) plus die bekeerde Joden, die op dit heidens-christendom gestekt zijn. Waarbij het Tienstammenrijk als verdwenen en onvindbaar is afgeschreven. Zo is "heel Israël" vergeestelijkt en zijn naam is gegeven aan hen, die wel "in Israël ingelijfd" zijn - maar bepaald niet Israël heten. En met deze opstelling hebben wij afgerekend met tal van duistere profetieën, die niet in ons patroon passen.
Toch. De Bijbel zegt op vele plaatsen dat de twaalf stammen van Gods verbondsvolk straks zullen worden verenigd; en wel op eigen grond in het beloofde land. Het wachten is maar op 6ns, de volheid der heidenen.
Mensen die in dat Woord geloven moeten vaak een vriendelijk medelijdende glimlach incasseren. Die vriendelijke glimlach kan overgaan in een wijsgerige belering: dat zulke beloften (wijl niet uitvoerbaar) "geestelijk" moeten worden verstaan; waarbij de troostprijs gevoegd wordt, dat niemand er op achteruit zal gaan. En zelfs kan de wijsgerige belering overgaan in een sarcastische uiteenzetting: dat die ontelbare miljoenen nakomelingen van Jacob - indien ze ooit teruggevonden zouden worden, wat geen hond gelooftimmers nooit ofte nimmer in het kleine Palestina kunnen worden samengebracht.
Dat is niet nieuw. Toen de Heere aan Abraham een zoon in zijn ouderdom beloofde, heeft Sara ongelovig gelachen om die mannentaal: zij als oudere vrouw wist wel beter. Toch is die beloofde zoon gekomen en Sara moduleerde haar ongeloofslach 1) tot een gelukslach 2). Dat Sara in de geloofsgalerij is terechtgekomen 3) is waarlijk niet aan háár geloof te danken - eerder aan het geloof van Abraham.
Gods belofte scheen weliswaar onuitvoerbaar, maar wat is voor God de Heere onmogelijk?
Toen Noach het gericht van de zondvloed aankondigde, luisterden de mensen niet in ernst naar hem. Ze keken naar de blauwe lucht en zeiden wijsgerig: niets dat er op wijst. Toch lagen daar onmetelijke watervoorraden onder de dunne aardkorst te wachten, tot de sluizen geopend zouden worden. Ook hingen er dichte waterdekens boven de dampkring gereed, tot zij opgeroepen zouden worden. Maar de mensen aten, dronken, huwden en pleegden geweld, tot ze ondergingen in de zondvloed. Gods waarschuwing scheen onuitvoerbaar maar wat is voor Hem te wonderlijk?
Aan de maagd Maria werd een Zoon beloofd, terwijl ze geen omgang met een man had. Elk verstandig mens kon begrijpen, dat deze belofte onuitvoerbaar was. Misschien geestelijk bedoeld? Zinnebeeldig?
Of symbolisch? Op allerlei manieren zouden we de belovende God tegemoet willen komen. Maar de engel zei: "geen woord dat van God komt zal krachteloos wezen" 4). En de belofte werd binnen een jaar vervuld.
Petrus schreef over spotters, die spraken: och kom, waar blijft die beloofde wederkomst? Oude generaties zijn ontslapen, jonge worden geboren om te sterven - maar er verandert niets 5). Alles blijft zoals het altijd was en daar moet je je bij neerleggen. En dan: de aarde door vuur vergaan? Niets dat er op wijst. - En weinigen willen zien dat onder de dunne aardkorst immense vuren branden, gereed om uit te slaan tot een wereldbrand. We willen liever niet weten, dat de aarde is volgetast met explosieven, die door een enkele druk op een knop kunnen, ontladen tot en wereldramp. Petrus zei: de Heere talmt niet met zijn belofte, maar Hij is geduldig 6).
Zo beloofde de Heere aan de profeet Zacharia, zijn volk terug te zullen brengen naar het heilige land en naar Jerusalem. Zijn bondsvolk zal verlost worden uit het Oosten en uit het Westen. Jerusalem zal weer oude mensen en jonge mensen zien, een stad vol leven zijn.
Wij zijn geneigd te vragen: hoe ter wereld zouden alle nakomelingen van Israël, talrijk als het zand der zee (als ze nog bestaan en niet vermengd of verloren gegaan zijn), in dat ene landje kunnen wonen?
Allemaal een aandeeltje in Jerusalem hebben? Bestaat toch niet?
Zelfs als we meetellen dat het koninkrijk Israël onder David en Salomo van zee tot zee reikte - van de Middellandse Zee tot de Arabische Golf, een wereldrijk dus - dan nog gaat de profeet wel wat ver in zijn chauvinisme.
Maar de Heere komt onze ongelovigheid te hulp. "AI zeggen de mensen, dat dit te wonderlijk is - zou het ook in Mijn ogen te wonderlijk zijn?" 7). Zoals het huis van Juda en het huis van Israël tot een vloek zijn geweest- zo zullen ze tot een zegen worden, door het heil, dat de Heere schenkt 8).
"Zo zegt de Heere der heirscharen": er zullen weer volkeren en inwoners van veel steden aankomen; ze zullen elkaar aansteken en zeggen: laten we de gunst des Heeren afsmeken en Hem zoeken - ik ga mee. "Ja, vele natiën en machtige volken zullen komen om de Here der Heirscharen te Jerusalem te zoeken en de gunst van de Heere af te smeken" 9).
"Veel steden" - denken we niet aan het woord van de Heiland: ge zult niet alle steden van Israël zijn rondgekomen, voor de Zoon des mensen komt 10)? - "Vele natiën" - "uit alle geslacht en taal en tong en natie". - "Machtige volken" - denken we niet aan de belofte aan Abraham, dat zijn nakomelingen tot machtige volken zouden groeien?
"In die dagen zullen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van een Judese man en zeggen: wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord dat God met u is" 11).
Gelooft u niet, met een zekerheid van tien tegen een, dat hier de Tien Stammen tegen Juda spreken?
En op de bekende kerkvergadering uit Handelingen 15 herinnerde Jacobus aan de profeet Amos 12): "Daarna zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David weer oprichten, opdat het overige deel der mensen" (mensen Israëls) "de Heere zoeken, samen met alle heidenen, waarover mijn Naam is uitgeroepen - zo spreekt de Here die deze dingen doet".
En hiermee zitten we midden in Gods program voor de hereniging van zijn totale bondsvolk en de terugleiding uit de laatste ballingschap.
Het wachten is op ons: wanneer de volheid der heidenen is ingegaan in het koninkrijk Gods, zal heel Israël tot bekering komen 13). Hun gedeeltelijke (of tijdelijke) verharding betekende de verzoening van God de Here met zijn wereld; hun aanneming zal leven uit de dood betekenen 14).
Wij mogen God niet dwingen. Maar we mogen Hem wel geloven.
En geloven is: Gods beloften kennen en vertrouwen. Of, zoals Calvijn zei: geloven is goed weten wat God ons beloofd heeft. Of, zoals Luther zei: geloven is God de oren wassen met zijn beloften.
1) Gen. 18 – 2) Gen. 21 : 6 – 3) Hebr. 11 : 11 - 4) Luc. 1 : 37 - 6) 2 Petr.3 : 4 - 6) 2 Petr. 3 : 7 - 7) Zach. 8 : 6 - 8) id. 8 : 13 - 9) id. 8 : 22 - 10) Matt. 10: 23 - 11) Zach. 8: 23 - 12) Amos 9: 11, 12 - 13) Hebr. 11 : 25 14) Hebr. 11 : 1