Het functioneren van de belijdenis (slot)
1984-06-29
Bij een vaartocht over de Oosterschelde wees de schipper) bij wie ik als gast aan boord was) mij op de bakens die de vaargeul markeerden. Hij vertrouwde het roer enige tijd aan mijn onervaren handen toe, als ik er maar voor zorgde binnen die vaargeul te blijven. Want zouden we op goed geluk onze koers kiezen) dan was de kans groot dat we vast zouden lopen op een zandbank. De bebakening gaf aan: hier is het water diep genoeg om te varen. Niet dat het rampzalig zou zijn als we een meter buiten de vaargeul terecht zouden komen;er is natuurlijk sprake van een veiligheidsmarge. Maar daarmee wordt het waarschuwend karakter van de bakens allerminst aangetast ; het blijft onontbeerlijk om ze in het oog te houden.- Jaargang 28
- nummer 26
Je zou kunnen zeggen: wat die afgebakende vaargeul is voor een schipper, is de belijdenis voor de kerk. Wie niet wil vastlopen in het lezen en verstaan van de bijbel, heeft betrouwbare bakens nodig. Uit de bijbel zelf blijkt nl., dat het een heel bepaalde leeswijze vraagt om zijn bedoeling te begrijpen. Het duidelijkst treedt dat aan het licht, wanneer de Here Jezus verzocht wordt in de woestijn. De duivel durft daar zover te gaan, dat hij zijn verleiding kracht bijzet met een Schriftwoord. Met een beroep op de prachtige psalm 91 spoort hij de Heiland er toe aan, Zich van de rand van het dak van de tempel naar beneden te werpen. (Matt. 4 : 6). Wat moet de verzoeking voor Jezus, die zo vertrouwd was met het psalmboek, door dit citaat scherp op Hem zijn afgekomen! Maar hoe houdt Hij stand door Zich vast te klampen aan een ànder Schriftwoord: "Gij zult de Here, uw God, niet verzoeken." (Deut. 6: 16).
Ziehier hét voorbeeld van de noodzaak, af te bakenen hoe de bijbel gelezen wil worden. Een ongelovige zal door dit voorval bevestigd worden in zijn overtuiging, dat je met de bijbel alle kanten op kunt: waarom zou Jezus méér gelijk hebben met Zijn hantering van de bijbel dan de duivel? Maar voor wie gelooft dat Jezus de Verlosser is, wordt hier juist duidelijk dat er verschil is tussen 'n vals, leugenachtig bijbellezen én een beroep op de Schrift dat haar waarheid ontsluit. Wat de duivel hier doet, is op zichzelf beangstigend: hij toont aan dat het mogelijk is, de bijbel letterlijk aan te halen en toch zijn bedoeling totaal niet te verstaan. Maar wie op grond daarvan eraan zou wanhopen, ooit nog te kunnen vaststellen wanneer de Schrift wél goed gelezen wordt, moet zien op de Here Jezus: Hij onthult de eigenlijke boodschap van de bijbel.
Vandaar, dat Hij in Joh. 5 : 38, 39 de Joden kan voorhouden dat al hun Schriftonderzoek op niets uitloopt, omdat zij niet tot Hem komen. Zoals ook Paulus kan zeggen, dat het OT pas opengaat voor wie zich tot de Here bekeert. (11 Cor. 3 : 15, 16) Nee, de bijbel lezen doe je niet zomaar; je moet hem léren verstaan, vanuit het geloof in Christus.
Zo zet de bijbel dus zelf de bakens uit, die wij nodig hebben om niet al bijbellezend in demonisch vaarwater terecht te komen.
Dat is een belangrijke konstatering.
Maar al te gauw immers zouden wij kunnen gaan denken, dat die onontbeerlijke bebakening van buiten af aan de bijbel zou moeten worden opgelegd.
Zo is in de RK-e traditie aan het kerkelijk leergezag een centrale rol toebedeeld in het verstaan van de bijbel. Deze werd gezien als een boek dat te duister was om door leken te worden begrepen; alleen de kerk o.l.v. de Paus was in staat, zijn zin te ontsluiten. 1) In een grovere vorm komt deze gedachte naar voren in een secte als die van de Mormonen. Daar wordt het boek van Mormon gepredikt als de enig juiste sleutel op de bijbel. Het is een van de blijvende verdiensten van de Reformatie geweest, dat zij ook in dit opzicht de bijbel zelf weer heeft laten spreken. De bijbel is niet zo ondoorzichtig, dat wij aangewezen zijn op menselijke autoriteiten om haar bedoelingen op het spoor te komen. Integendeel, zij legt zichzélf uit; zij wijst zelf het centrum aan van waaruit zij verstaan moet worden. 2) Tegen deze achtergrond moeten wij de belijdenis van de kerk zien. Het is echt een misverstand om te denken, dat een kerk die er naast de bijbel ook nog belijdenisgeschriften op na houdt, menselijke meningen beslissend laat zijn voor de uitleg van de bijbel. De reformatorische belijdenisgeschriften hebben om zo te zeggen niets anders gedaan, dan met een accentueerstift de uitleg aan te wijzen die de Schrift van zichzelf geeft en met het rode potlood door te strepen wat dwalenderwijs uit haar was afgeleid.
Zij zetten niet eigenmachtig bakens uit, maar attenderen op de bakens die de Schrift zelf geplaatst heeft.
Als zodanig zijn belijdenisgeschriften onontbeerlijk voor de kerk. Zij helpen ons, de boze te weerstaan wanneer deze met bijbelteksten aankomt. Ook in onze tijd, waarin zoveel theologieën het bijbelwoord ontkrachten, is het pure noodzaak dat ons geleerd wordt te onderscheiden tussen leugenachtige en ware bijbeluitleg.
Een belijdenis is in zichzelf dan ook een weerspreking van de gedachte, dat je met de bijbel alle kanten op kunt.
Voor wie gelooft in de Here Jezus, kun je met de bijbel maar één kant op, nl. die welke Hij aanwijst. De kerk heeft, zeker in onze tijd van relativering en subjektivering, de plicht om deze ondubbelzinnigheid van de bijbel duidelijk aan te wijzen. Dat poogt zij in haar belijdenis. Dat poogt zij: in de praktijk blijkt het niet mee te vallen om vast te stellen, welke uitleg de bijbel het meest recht doet. Hoe vaak heeft men zich in de kerkgeschiedenis al niet vergist, toen men zijn kijk op de bijbel presenteerde als de enig ware! En hoeveel waarheidselementen leek de uitleg van de tegenpartij soms te bevatten! Toch is dit alles geen reden om dan maar af te zien van die poging, in kaart te brengen hoe de bijbel zelf gelezen wil worden. Net als bij de profetie wil de tijd nogal eens leren, dat een bepaalde bijbeluitleg, die aanvankelijk overtuigde, er toch naast zat. (Vgl. Jer. 28 : 9.) Toen Wesley indertijd op grond van de bijbel betoogde, dat slavenhandel een door en door onchristelijke zaak was, meenden heel wat christenen met de bijbel in de hand het tegendeel te kunnen bewijzen.
Toch heeft de tijd Wesley in het gelijk gesteld. Omgekeerd ben ik ervan overtuigd, dat het eveneens evident zal worden dat de marxistische bijbeluitleg, nu nog bewierookt, in strijd is met de eigenlijke intentie van het evangelie.
Daarom moet de kerk niet terugschrikken voor de moeilijke taak, om als het ware profetisch vooruitgrijpend op die komende duidelijkheid, belijdend positie te kiezen. De oude reformatorische belijdenisgeschriften blijken daarbij nog altijd over het algemeen een grote mate van trefzekerheid te bezitten.
Het is dan ook een goede zaak om je als kerk daaraan te binden, op soortgelijke wijze als schippers zich voor een veilige vaarroute gebonden weten aan de vaargeul. Op soortgelijke wijze: zoals het niet rampzalig is wanneer men eens een meter buiten de vaargeul terecht komt, zal een binding aan de belijdenis nooit kunnen betekenen dat men haar beperkingen wegmoffelt.
Zoals in het vorige artikel is uiteengezet, is er alle reden om niet star en angstvallig de belijdenis van de kerk op te vatten als het laatste woord dat over de uitleg en toepassing van de bijbel gesproken is. De aktualisering van het belijden vraagt om een levende omgang met de belijdenis.
Vandaar dat Bavinck kon schrijven over de vrijheid om, geleerd door de Schrift, anders te belijden en de waarheid Gods in andere zin op te vatten, 3) Maar ook voor Bavinck houdt deze vrijheid geen onherkenbaarheid van de vaargeul in; hij schrijft óók, dat de kerk moet weigeren, "zich tot een debating society (= diskussieclub, vdD) of philosophisch genootschap te verlagen, waarin heden voor waarheid geldt wat gisteren leugen was, want zij is niet aan eene bare der zee, maar aan een rots gelijk, pilaar en vastigheid der waarheid." 4) M.a.w.: de behoefte die wij kunnen voelen, om dingen anders te zeggen en andere zaken te accentueren dan in de belijdenis gebeurt, is pas vertrouwd, wanneer de duidelijkheid en ondubbelzinnigheid van ons belijden uitgangspunt is en blijft.
Het is duidelijk, dat hier van een zekere spanning sprake is: aan de ene kant erkennen, dat de belijdenis tijdgericht mensenwerk is dat om steeds nieuwe aktualisering en bijstelling vraagt - aan de andere kant toch die belijdenis laten funktioneren als bindende bijbeluitleg. In de vorige eeuw heeft Groen van Prinsterer die spanning onder woorden gebracht, door te spreken van een onbekrompen, doch tevens ondubbelzinnige aanneming van de Drie Formulieren van Enigheid,") Men kan die spanning oplossen, door öf de onbekrompenheid te laten uitlopen op komplete leervrijheid, Of de ondubbelzinnigheid te laten verstarren tot binding aan punten en komma's.
Het eerste is gebeurd in de NH-e kerk en komt ook tot uiting in de Gereformeerde kerken. Het tweede lijkt in de Vrijgemaakte kerken kansen te hebben gekregen.
Nu, als je moet kiezen tussen deze twee oplossingen van de spanning tussen onbekrompen en ondubbelzinnig, dan liever de tweede. Maar het zou wel eens kunnen zijn dat het volwassener is, om die spanning te laten voortbestaan.
Groen heeft ooit gezegd, dat hij wilde voorkomen dat de handhaving der formulieren op zodanige wijze zou plaats vinden, "dat niet enkel de vijanden van het kruis, maar ook de vrienden des Heeren worden geweerd." 8) Dat was een wijze uitspraak, die voortkwam uit zijn overtuiging, "dat men in eenige bijzonderheden verschillen en toch Christen kan zijn." 7) Misschien mogen wij dit als programma voor onze kerken zien: de kombinatie van belijndheid en ruimte. Het zal ongetwijfeld kracht van de Geest vragen, om in dat spanningsveld staande te blijven. Maar geldt niet van álle belijden, dat alleen Gods Geest ons daartoe in staat stelt? "Niemand kan zeggen: Jezus is Heer, dan door de Heilige Geest." (I Cor. 12: 3) Alleen onder Zijn leiding zullen wij kunnen ontkomen aan vleselijke bekrompenheid èn dubbelzinnigheid.
1) Vgl. W.J. Kooiman ‘Luther en de Bijbel’ Baarn 1977, hoofdstuk 7
2) A.w. 65.
3) Zie 'Opbouw' van 1 juni jl.
4) H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek IV, Kampen 19675,402.
5) D. Nauta, De verbindende kracht van de belijdenisschriften, Kampen 1969,22
6) A.w. 51.
7) A.w. 13.