Over kunst (4)

1984-07-13
  • Jaargang 28
  • nummer 27

De normatieve waarden
Elke kunstenaar heeft een levensvisie en laat zich leiden door principes en normen. Vandaar dat elk kunstwerk een normatief aspect heeft en vanuit het oogpunt van normatieve waarden beoordeeld kan worden en dat dit in feite bij elke beoordeling ook gebeurt. Dit oordeel ligt bij de luisteraar) de beschouwer) de lezer) die van zijn kant ook een levensvisie heeft en - bewust of onbewust - zijn principes en normen gaat hanteren. Bij de normatieve waarden komen twee partijen in het geding.

Het levensbeschouwelijk karakter van een kunstwerk is niet altijd zonder meer duidelijk.
Soms zijn we geneigd een op zichzelf ongewenste term als "neutraal" te bezigen. Valt een eenvoudige volksliedmelodietje normatief te beoordelen? Of een stilleven van Morandi, of een puur beschrijvend gedicht zonder één enkele "boodschap"?
Meestal echter hebben we in de kunst met duidelijk principiële keuzes te maken. In de beeldende kunst met schilderijen en beeldhouwwerken waarin willens en wetens met alle - als dood beschouwde - tradities gebroken wordt, waarin het menselijk lichaam herschapen en de vormen- en kleurenrijkdom van onze schepping opzettelijk gereduceerd wordt.
Het is overigens tekenend dat beeldende kunstenaars hun visie niet zelden in manifesten, of in proclamaties, of met commentaar verduidelijken. Met het woord kunnen ze dat soms kennelijk beter doen dan in hun eigen medium.
Het zal ook wel geen tegenspraak oproepen, wanneer ik beweer dat in de woordkunst de levensbeschouwelijke aspecten het duidelijkst geprofileerd zijn.

Zoals ik hierboven schreef: Bij de normatieve waarden komen twee partijen in het geding. Die twee partijen zijn de kunstenaar (ik identificeer nu voor het gemak het kunstwerk met de kunstenaar) en de lezer (want ik zal het nu toch voornamelijk over literatuur hebben). De twee uitersten waarmee we nu van doen kunnen krijgen, zijn: Schrijver en lezer bewegen zich op hetzelfde levensbeschouwelijke vlak en er zijn geen problemen op het punt van de normatieve waarden, of schrijver en lezer zijn elkaars tegenpolen en nu doen zich de problemen voor; problemen die we zo duidelijk mogelijk aan de orde moeten stellen.

De eerste oplossing voor deze problematiek is dat het probleem volledig weggeredeneerd wordt. Vaak gebeurt dat met de volgende redenering: De wereld die in het kunstwerk uitgebeeld wordt, is een fictieve wereld en alles wat in deze wereld gedacht en gedaan wordt, moet daarom niet volgens de normen van onze reële wereld beoordeeld worden. Het is een redenering die aan de relatie die er bestaat tussen de wereld van het kunstwerk en de wereld van onze ervaring, geen recht doet en alleen daarom al kan ze ons niet voldoen.

De tweede oplossing is dat het probleem verdoezeld of geminimaliseerd wordt. Verdoezelend acht ik de redenering dat mensen met verschillende levensbeschouwingen over de zeer wezenlijke kernvragen van het leven gelijk denken en dat dientengevolge een normatieve beoordeling van kunst overbodig is.
Minimaliserende redeneringen worden nogal eens ontwikkeld in landen of kringen waar de antithese-gedachte niet zo diep wortel geschoten heeft. Een Amerikaans literator, bijvoorbeeld, besefte wel terdege dat er bij christenen bezwaren kunnen rijzen tegen niet-christelijke literatuur.
Maar, zo merkte hij geruststellend op, onder romanschrijvers en dichter is het aantal felle atheïsten gering en het werk van de "overigen" geeft weinig of geen moeilijkheden.
Het klinkt allemaal nogal gezapig en optimistisch. Deze literator wees echter - volkomen terecht - op een zaak die veel te weinig aandacht krijgt, namelijk, dat soortgelijke bezwaren zich in het omgekeerde geval voordoen, wanneer niet-christenen zich bezighouden met literatuur die een duidelijk christelijke signatuur heeft.
Hier ben ik nu bijna geneigd eens een uitroepteken te gebruiken, want we zijn er al te zeer aan gewend geraakt onder nietchristenen de houding aan te treffen die Prof. Bomhoff zo duidelijk geschetst heeft in "De kleine terreur der zogenaamde neutraliteit" (Wending, 1953; later herdrukt in Naar de wereld van morgen, Deel I, 1961).
Die houding wordt gekenmerkt èf door ergernis over de zogenaamde bekrompenheid van de christenen, öf door het veronachtzamen van wat christenen in kunst of kritiek gepresteerd hebben.
In beide gevallen wordt ze bovendien gekenmerkt door een ontstellend gebrek aan historische kennis. Om maar eens één ding te noemen: Vanaf Plato tot en met de Amerikaanse neohumanisten van deze eeuw hebben niet-christenen dikwijls sterke morele bezwaren gehad tegen kunst die men onmogelijk als bekrompen kon aanmerken. Er is alle reden om de mensen van de "zogenaamde neutraliteit" voortdurend vragen te stellen over hun kritische handel en wandel.
Wat lezen ze in een Spencer, een Donne, een Milton, een [ohnson, een Hopkins, een Eliot, een Auden (om maar eens wat dichters van wereldformaat - èn christenen - uit de Engelse literatuur te noemen)? Wat zijn hun normatieve waarden en beschouwen ze die als relatief of als absoluut en waarop zijn ze gebaseerd?

Laten we nu verder de terreurachtige kritiek als een onwaardige zaak buiten beschouwing laten.
Er zijn gelukkig ook nog niet-christelijke literatoren die zich serieus hebben afgevraagd wat voor hen de aantrekkingskracht kon zijn van een werk (proza of poëzie) geschreven vanuit een christelijke visie. Ze gaven toe dat hun reactie op zulk werk anders was dan van degenen die de christelijke levensvisie deelden. Hun houding ging veelal in de richting van wat ik heb aangeduid met het ST-psoces. Ze erkenden dat ze selectie (S) en transformatie (T) toepasten.
Ik wil dat graag toelichten aan de hand van het bekende boek van John Bunyan, The Pilgrim's Progress (Een pelgrimsreis). De hoofdfiguur, Christen geheten, verlaat, gedrongen door de bijbelse boodschap, huis en haard en om het eeuwige leven te beërven trekt hij door een wereld vol dreigende gevaren (aanvechtingen en duivelse verzoekingen).
Door de zorgende hand van God kan hij uiteindelijk de moeitevolle reis volbrengen en wordt hij aan de overzijde van de rivier van de dood door engelen verwelkomd en ontvangen in het hemelse Jeruzalem.
Over de technische kwaliteiten (de structurele waarden) van het boek zijn vrijwel allen het eens.
Ook over de verbeeldingswaarden, de gevoels- en kenniswaarden kan nog wel met een zekere mate van eensgezindsheid gesproken worden. Bij het afwegen van de normatieve waarden zal de niet-christen nu één element of enkele elementen uit het boek gaan selecteren. Hij zal, bijvoorbeeld, het thema definiëren als de levensgang van een onkreukbaar, een oprecht en eerlijk mens. Nu valt aan Christens eerlijkheid inderdaad niet te twijfelen en die maakt hem tot een openhartig man, die mede door zijn zelfkennis (een geloofszaak) "opgroeit in de genade" en "het einddoel van het geloof bereikt, dat is de zaligheid der zielen" (1 Petr. 1 : 9).
Dit laatste speelt in de beschouwing van de niet-christelijke lezer uiteraard geen rol meer.
Door de selectie is dan de figuur van Christen maar ten dele getekend en tegelijkertijd vindt er noodgedwongen een transformatie plaats. De pelgrimsreis wordt een levensgang die men als een heroïsche zelf-realisatie kan gaan bestempelen.
Doet de toepassing van het STproces niet tekort aan de intenties van het werk? Zeer zeker.
Moet de toepassing van het STproces dan niet afgewezen worden?
In genen dele, want al is het een niet geheel bevredigende gang van zaken, zolang de uitkomst niet haaks staat op de strekking van het werk, mogen we, naar mijn overtuiging, uitgaan van de gedachte dat iets positiefs beter is dan niets.
Trouwens, het zou bijzonder hypocriet zijn als we bij andersdenkenden het ST-proces zouden afkeuren, terwijl wij zelf het in ons omgaan met niet-christenen, ook in het omgaan met hun kunst, voortdurend toepassen.
En zo komen we vanzelf tot de derde oplossing van het probleem, waarbij het niet weggeredeneerd, verdoezeld of verkleind, maar verantwoord benaderd wordt.

Graag breng ik ter afsluiting aan dit onderwerp deze oplossing puntsgewijs aan de orde.

1. Of een werk dat literaire pretenties heeft, inderdaad tot de literatuur kan worden gerekend, is alleen te beoordelen op grond van de technische (structurele) eigenschappen en niet van de normatieve waarden.

2. Of dit werk dan als constructieve literatuur beschouwd kan worden, moet met behulp van de normatieve waarden vastgesteld worden.

3. Bij de normatieve beoordeling speelt niet zelden het STproces een rol, maar dit kan alleen toegepast worden, wanneer de uitkomst niet strijdt met de intenties van het kunstwerk.

4. Bij de normatieve beoordeling past behoedzaamheid, omdat de literatuur op artistieke wijze ervaringen uitbeeldt en geen principes wil illustreren en eerder een diagnose van het leven geeft dan een remedie aanprijst.

5. De normatieve beoordeling kan, vooral in het geval van moderne literatuur, aanzienlijk bemoeilijkt worden door de schijnbaar vrijblijvende opstelling van de auteur.

6. Tegenover de moderne neiging om kunst als een godsdienst-surrogaat te beschouwen .dienen wij .staande te houden dat kunst nooit de plaats van iets anders kan innemen en zelf ook onvervangbaar is.

7. Als een bepaald werk tot de literatuur (kunst) gerekend moet worden, maar niet als constructief te beschouwen is, dan zullen we bereid moeten zijn van onze visie vrijmoedig en beslist rekenschap af te leggen.

Wie nu morrend opmerkt dat kunstkritiek wel een bezigheid met een kant-en-klare meetlat gaat lijken, geef ik graag toe dat ik niet houd van kunstkritiek als emotionele krullentrekkerij of als "allerindividueelste expressie van een allerindividueelst gevoelen".
Wie zijn oordeel over kunst niet in zinnige, verstaanbare taal kan overbrengen, doet er beter aan dat oordeel maar binnensmonds te houden.
Is er aan het onontwikkeld kunstbesef en de algemene cultuurloosheid wat te doen? Ja, door te trachten in zinnige, verstaanbare taal over kunst te praten met hen die er wat over horen en weten willen. Maar er lopen in deze wereld nogal wat culturele filistijnen rond en in hoeverre die te beïnvloeden zijn, ik weet het niet.

En misschien mag ik, nu ik zo uitvoerig op het artikel van de heer De Klijn gereageerd heb, hem vragen of hij werkelijk meent dat het aantal culturele filistijnen onder ons groter is dan bij vergelijkbare groepen in onze samenleving. Ik heb er geen bewijzen voor.
In dit verband is het interessant te wijzen op Kuyper, die al in 1898 geestdriftig sprak over de "thans veldwinnende kunstmin" (Stone-lezingen; uitgegeven onder de titel Het Calvinisme) en men kan zich afvragen of die dan toch in deze eeuw weer minder geworden is. Kuyper voorzag in zijn lezingen bepaalde ontwikkelingen, waarover ik in mijn volgende en laatste artikel iets hoop te zeggen.
Verder zijn er dan nog de twee benarde vragen in het artikel van de heer De Klijn. Hoe kunnen christelijke studenten cultuurbewust worden gemaakt? Is dit überhaupt mogelijk?
Tenslotte een persoonlijke opmerking.
In tegenstelling tot de heer De Klijn mag ik zeggen dat ik cultureel niets te kort kom, niet onder mijn geestverwanten en zeker ook niet in de gemeente waartoe ik behoor. We hebben uitstekende organisten, een gemeente die goed (met grote zorg gekozen) psalmen en liederen zingt, een cantorij en een koor, vele instrumentalisten, vier boeiende muziekavonden per jaar en een literair-kulturele kring, die wekelijks bijeen komt. Je moet maar boffen!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief