Over kunst (5)
1984-08-03
Hoe kunnen christelijke studenten cultuurbewust gemaakt worden? Dat was de eerste vraag die de heer De Klijn zichzelf en ons stelde. En een tweede, mistroostiger vraag: Is dit überhaupt mogelijk?- Jaargang 28
- nummer 28
Hij maakte in zijn artikel de achtergrond van zijn vragen duidelijk door te schrijven: 'Maar het gelovig aanvaarden van het christelijk dogma en het ontvankelijk zijn voor kunst zijn - althans voorzover ik dat kan constateren binnen de Christelijke Academie voor Beeldende Kunstonderwijs te Kampen - twee volstrekt verschillende zaken.' Uit de formulering van zijn eerste vraag en uit de strekking van zijn artikel maak ik op dat hij niet aan de ernst van de geloofsovertuiging van zijn studenten twijfelt (al drukt hij dat wel wat afstandelijk-intellectualistisch uit), maar wel aan hun ontvankelijkheid voor kunst en cultuur.
Het is dus een zaak van wèl gelovig, maar niet artistiek en niet het omgekeerde.
Maar wat is er dan toch met deze Kamper artisten in spe aan de hand? Ik wil aannemen dat ze niet allen uit een kunstzinnig milieu komen. Maar wat dan nog?
Ze zijn toch niet volkomen talentloos op de Kamper Academie terecht gekomen?
Vertonen ze de afwijkingen in het bekijken en ervaren van kunst die in het artikel van de heer De Klijn besproken zijn?
En al zie ik wel dat bepaalde wijzen van geloven de culturele bewustwording in de weg kunnen staan, kan dan een goede vorming met diepgaande besprekingen van de problematiek die wij in onze artikelen aangeroerd hebben, de lucht niet doen opklaren?
Of - en dat zou erger zijn - ziet hij een onoverbrugbare kloof tussen geloven en artistiek bezig zijn?
Dat er belemmeringen zijn voor een gezond kunstbesef in onze tijd - en dat niet alleen bij christenen - moet grif erkend worden en in dit laatste artikel wil ik een aantal daarvan kort bespreken.
De eerste belemmering werd al in 1817 door de Engelsman S. T. Coleridge gesignaleerd, toen hij schreef dat bij jonge mensen de grote kunstwerken uit het verleden niet zodanig aanslaan, dat ze er door geactiveerd worden.
Maar de geschriften van een tijdgenoot, die soms weinig ouder is dan zij zelf, zijn een realiteit voor hen, omdat de schrijver in dezelfde omstandigheden leeft als zij zelf.
Op grond van deze generatiekloof is het overdragen van een traditie vaak een letterlijk onbegonnen werk. We komen misschien meer en meer in een tijd te leven die geen verleden meer kent.
Een tweede belemmering. voor een gezond kunstbesef is de pluriforme of pluralistische maatschappij waarin wij leven. Onze maatschappij is samengesteld uit vele gemeenschappen en tengevolge van de openheid van onze moderne wereld is de mens van nu zich van die veelheid ook meer bewust. Elk van die gemeenschappen heeft haar eigen cultuur, of liever, sub-cultuur en van een duidelijk herkenbare hoofdcultuur is nauwelijks sprake meer. Het cultuurpatroon wordt een kaleidoscopische wirwar van sub-culturen, die dikwijls elk hun eigen kunstuitingen stimuleren. De kunstenaar die in verschillende sub-culturen wil functioneren, voelt zich maar al te vaak gedwongen tot het doen van concessies, of hij moet zich om succes te boeken op nietartistieke wijze manifesteren. Bij deze ontwikkeling komt uiteraard de door mij besproken gelijkvormigheid van denken en gevoelen danig in de verdrukking.
Op een gegeven moment moeten we ons misschien afvragen of we met dit concept nog kunnen werken.
Al lijkt een derde belemmering, de toenemende vulgarisatie van de cultuur, op het eerste gezicht niet in overeenstemming met de zojuist beschreven maatschappelijke ontwikkeling, toch is ze dat wel degelijk. Die vulgarisatie is namelijk in alle subculturen op te merken. Het is in dit verband nuttig Kuyper nog eens te citeren. Hij sprak in 1898 over een tweeërlei leven dat zich toen bezig was te ontwikkelen: 'Eenerzijds een boeiend, rijk en hoog gespannen leven in den universitairen kring en onder enkele fijnere geesten; maar daarnaast, of liever ver daar beneden een materialistisch, naar genot hunkerend volksleven, dat op zijn wijs een uitgangspunt in het stoffelijke zoekt, en op zijn cynische manier zich van alle vaste ordinantiën emancipeert. Het is vooral in onze steeds zich uitzettende groote steden, dat dit laatste streven zich ontwikkelt, en, het platteland overstemmend, den toon voor heel de publieke opinie aangeeft, in elk nieuw geslacht dat aanrijpt, te onverbloemder uitkomend voor zijn ongoddelijken aard. Op niets dan geld, op genot en op sociale macht is dit streven gericht, en op dat drieledig doel gaat het af, steeds minder kieskeurig in de middelen, die het aangrijpt.' Om dat "boeiend, rijk en hoog gespannen leven. in den universitaire kring en onder enkele fijnere geesten", waarbij Kuyper doelde op een hoofdzakelijk liberaal-getinte, aristocratische traditie, kan men nu hoogstens wat meewarig glimlachen.
Die traditie is in de woelingen van de laatste decennia vrijwel geheel verdwenen. Maar Kuypers tekening van de vulgarisatie is nog treffend juist. Bovendien, hij had nog de moed, lettend op de politieke ontwikkeling, er op te wijzen dat een democratie verworden kan tot een kratistocratie, een overmacht van de sterkste. Cultureel gezien had hij ook kunnen spreken over een ochlocratie, een overmacht van de massa. De Jan Cremers zijn nu overal.
De trits die Kuyper noemde, geld, genot en sociale macht, blijft nog steeds het leven beheersen: geld en commercialisme, genot en hedonistische ikcultuur en sociale macht in de vorm van culturele pressiegroepen.
Een zaak die nog steeds te weinig aandacht krijgt, is, hoe zeer een medium als de televisie deze destructieve tendenzen aanmoedigt.
Op het punt van constructieve culturele vorming stelt de Nederlandse televisie vrijwel niets voor. Zoals politieke partijen geperverteerd kunnen raken door het dingen naar de kiezersgunst, zo is de televisie in haar jeugd al bedorven door de kijkersgunst.
Een vierde belemmering voor een gezond kunstbesef acht ik het presentisme. Ik versta hieronder de opvatting dat alleen het tegenwoordige, de cultuur van het hier en nu van enige waarde is.
Zoals ik hierboven al aangaf, is het presentisme bij jonge mensen een soort ontwikkelingsstoornis, maar als ze niet verdwijnt, moet er van een kwaal gesproken worden.
Ik geef een voorbeeld van deze afwijking uit een redactioneel hoofdartikel in het dagblad Trouw van 7-6-1984.
Het artikel is getiteld "Laffe smaak" en handelt over het beeld van koningin Wilhelmina, dat, na veel geharrewar over andere monumenten, zoals het "keienlint" en "de witte koepel", nu in de Haagse binnenstad geplaatst zal worden. De schrijver van het artikel betreurt het genomen besluit eensdeels omdat het een copie is van een reeds eerder vervaardigd en in Rotterdam geplaatst beeld. En nu komt het: 'Maar ook omdat het een uitdrukking is van ideologische en artistieke opvattingen van twintig jaar geleden. In de maatschappij en in de beeldende kunst is sindsdien nogal wat gebeurd.
Het is pure armoede, dat het niet mogelijk is gebleken met hedendaagse artistieke middelen en vanuit hedendaags gezichtspunt een monument te scheppen dat uitdrukking geeft aan de betekenis die Wilhelmina en met haar het koningschap voor ons land heeft gehad en nog heeft.' Die aandoenlijke trouw aan het oranjehuis kan ik nog wel plaatsen, maar wat zijn nu die "hedendaagse artistieke middelen"?
Het keienlint? En wat is nu toch wel dat "hedendaags gezichtspunt"?
Een vijfde belemmering voor een gezond kunstbesef kan zijn, wat ik het omnivorisme zou willen noemen. Het klassieke voorbeeld in de biologie van een omnivoor is, meen ik, het varken, een overigens sympathieke alleseter en, zo mogelijk, een veeleter. Maar de ogen van de biggen lijken mij, verhoudingsgewijs, groter en scherper dan die van het volwassen dier.
Het omnivorisme is onder de mensen een moderne cultuurkwaal: alles proeven, alles meemaken, overal geweest zijn en in de kunst: een platenverzameling van jewelste, alle galerieën afsjouwen, drie romans tegelijk lezen.
Enkele jaren geleden vertrouwde een Kamper hoogleraar de lezers van het hierboven genoemde dagblad een inventaris van zijn vacantie-lectuur toe.
Het was een reeks romans uit Brazilië en omgeving en voor iemand zonder een snelleesdiploma leesvoer voor minstens een jaar. Het omnivorisme verhindert elke diepgang. Alleen die kunst die men rustig en liefst bij herhaling gaat verwerken, kan iets wezenlijks betekenen.
Tot het noemen van deze vijf belemmeringen wil ik mij beperken, want het lijkt mij raadzaam deze discussie nu af te ronden.
Ter afsluiting wil ik nog even terugkomen op een zaak die ik in mijn tweede artikel heb aangeroerd en die men in de vorm van een vraag kan samenvatten: Is er, cultureel gesproken, reden voor optimisme of voor pessimisme?
In dit verband wil ik graag verwijzen naar het blad Beweging van april 1984. In dit nummer vindt men een aantal belangwekkende artikelen, die rechtstreeks of zijdelings met deze zaak te maken hebben.
Het deed mij goed ook in het minst optimistische artikel (van dr W. Aalders) toch nog te lezen over een mogelijk "weerwerk tegen het afkalvingsproces van de West-Europese cultuur".
En in een ander artikel werd een tekst geciteerd die Prof. Popma bij zijn filosofische beschouwingen met een zekere voorliefde aanhaalde. Die tekst had als motto van mijn eigen artikelen kunnen dienen en ze luidt: Want zo zegt de Here, die de hemelen geschapen heeft - Hij is God die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft, Hij heeft haar gegrondvest; niet tot een baaierd heeft Hij haar geschapen, maar ter bewoning heeft Hij haar geformeerd. Jes. 45 : 18.
Op zo'n aarde moet toch ook voor de schoonheid van de kunst een plaats zijn?