'Iedere ontmoeting gaat over iets heel essentieels'
2008-03-28
Wieke de Wolff en Bart van Empel zijn door de Nederlands Gereformeerde Jeruzalemkerk in Utrecht uitgezonden om straatpastoraat te doen. Met hun pastorale werk richten zij zich op de dak- en thuislozen in de Domstad. Het is intensief werk waarin het draait om het directe contact met beschadigde medemensen. Een gesprek met twee bewogen professionals.- Jaargang 52
- nummer 7
JAN SMIT
‘De kern van ons werk is pastoraat aan dak- en thuislozen in Utrecht. Ook aan mensen die dakloos geweest zijn en die behoefte hebben aan iemand die nog een eindje met ze mee oploopt. Vaak is het zo dat er bij mensen die op straat geleefd hebben, van alles boven komt en dat is best moeilijk te hanteren.
Onze begeleiding kan ze helpen om niet in de oude situatie terug te vallen’. Aan het woord is Wieke de Wolff (42), gastlid van de Nederlands Gereformeerde Kerk in Utrecht en werkzaam in het Utrechtse straatpastoraat. Het initiatief voor dit bijzondere pastoraat werd in 2001 genomen door het Leger des Heils.
‘Het is begonnen als vrijwilligerswerk in het inloopcentrum voor drugsverslaafden Hoog Catharijne. Mensen uit verschillende kerken, ook uit de Jeruzalemkerk, deden daar vrijwilligerswerk. Er bleek veel behoefte te zijn aan pastoraat in het inloopcentrum. Op een gegeven moment is men daar laagdrempelige vieringen gaan organiseren. Dat werd erg op prijs gesteld. En vrijwilligers werden op straat vaak aangesproken door mensen van de doelgroep’.
Het een leidde tot het ander. In 2004 stelde de Nederlands Gereformeerde gemeente van Utrecht een professionele kracht aan. Dat paste goed in het streven om grotere aandacht te geven aan de vraag: hoe kunnen we als kerk meer betekenen voor de stad?
Wieke de Wolff: ‘In de Jeruzalemkerk is toen besloten iemand aan te stellen om het team van het straatpastoraat te versterken. Er werd een 'werkgroep straatpastoraat' opgericht en er is geld ingezameld bij de gemeenteleden.
Op een gegeven moment was er genoeg om iemand voor een jaar aan te stellen; dat ben ik toen geworden’. Inmiddels heeft ze een vaste aanstelling. In het najaar van 2005 heeft PKN-lid Bart van Empel (63) zich aangemeld als vrijwilliger en is ook hij uitgezonden door de Jeruzalemkerk. Naast zijn werk in het straatpastoraat is hij coördinator van een inloophuis in de Utrechtse wijk Lombok. Net als Wieke is hij per week ongeveer vijftien uur met het straatpastoraat bezig. Vanuit de Jeruzalemkerk wordt het straatpastoraat ondersteund met gebed: door de gemeenteleden thuis en in de diensten.
Daarnaast is er een interkerkelijke gebedsgroep die het werk ook financieel steunt.
Aanwezig zijn
In 2004 heeft Wieke haar visie op straatpastoraat op papier gezet. Daarin vat ze het straatpastoraat als volgt samen: ‘Als medemens in Gods naam helend aanwezig proberen te zijn in het leven van dak- en thuislozen’. In dat aanwezig zijn voor de ander gaat het om de individuele ontmoeting. Bart van Empel: ‘Het gaat niet om de grote woorden. Juist de kleine woorden zijn belangrijk Het gaat om kleine gebeurtenissen en echte ontmoetingen.
Iedere ontmoeting gaat over iets heel essentieels. Niet alleen over brood en bed, maar het is vaak de roep, de wanhoop, het waarom.
Sommige mensen worden geconfronteerd met wel erg veel triestigheid in het leven.
Dat maakt jezelf ook bescheiden en klein. Het mooiste is natuurlijk wanneer je contact krijgt met iemand. Al is het maar oogcontact. Dat je elkaar in de ogen mag zien of elkaar mag aanraken. Zo van: jij bent er; ik noem je bij je naam. Dat soort essentiële dingen. Daar zie je mensen van opleven’.
Op de vraag of evangelisatie ook een doelstelling is van straatpastoraat, geeft Wieke een antwoord dat aan duidelijkheid niets te wensen overlaat: ‘Nee, absoluut niet.
Evangelisatie is eigenlijk taboe. Het gaat om hele kwetsbare, beschadigde mensen waar we mee werken.
Pastoraat heeft een aantal functies, waaronder helen.
We vragen ons steeds af: wat is tot heil van deze persoon?
Dat heil is dan heel breed. De mensen die we tegenkomen, hebben vaak erg weinig en dan gaat het ook om basale dingen als eten en onderdak.
Dan verwijzen we door en proberen te kijken hoe iemand zijn weg kan vinden in het woud van de hulpverlening.
Maar daarbij heb je een gesprek van mens tot mens; we zien iemand niet als hulpvrager, maar als medemens.
We proberen de mensen als het ware op verhaal te laten komen. Daarbij kan van alles ter sprake komen, ook geloofs- en zingevingsvragen.
In de benadering van mens tot mens speelt wederkerigheid een rol. Daardoor kan er in een gesprek ruimte zijn voor getuigen, als dat aansluit bij waar iemand mee bezig is.
En als mensen daar behoefte aan hebben, kunnen we met hen bidden’.
Meubelproject
Voor Wieke en Bart ligt in de ontmoeting met dak- en thuislozen de nadruk op pastoraat.
Dat betekent echter allerminst dat aan de materiële nood geen aandacht wordt geschonken. Vanuit het pastoraat wordt veelvuldig doorverwezen naar allerlei hulpverlenende instanties Vanuit de Jeruzalemkerk loopt er een meubelproject, waardoor mensen van allerlei spullen kunnen worden voorzien.
Wieke: ‘Ook al richten wij ons op de pastorale aspecten, het materiële valt niet buiten de boot. Het zou goedkoop zijn om alleen maar aan de innerlijke kant aandacht te besteden’.
Het geestelijke en het materiële komen bij elkaar in de nauwe samenwerking die er is met het Huis van Gebed: een stichting die is opgezet om het gebed te bevorderen voor alle facetten van het leven. Vanuit de opvatting dat bidden niet vrijblijvend kan zijn, kunnen daklozen bij hen aankloppen voor garantstellingen.
Een garantstelling houdt in dat een dakloze op kosten van het Huis van Gebed mag logeren in één van de slaaphuizen in Utrecht.
Bart: ‘Met deze concrete hulp willen we ook voorkomen dat we in mooie woorden blijven steken, waardoor de gebeden belemmerd zouden kunnen worden. Zodoende zijn we iedere maandagmorgen betrokken bij het uitgeven van de garantstellingen’.
Gaven
Hoe zijn Wieke en Bart ertoe gekomen om zich op deze manier in te zetten voor het pastoraat onder dak- en thuislozen?
Wieke: ‘Ik geloof dat ieder mens toegerust is met gaven en ik voel me geroepen om die gaven in te zetten voor het koninkrijk van God.
Uit de tijd dat ik studeerde in Utrecht, weet ik dat de mensen op straat mij erg aan het hart gingen. In diezelfde tijd werd de daklozenkrant Straatnieuws opgezet. Van meet af aan heb ik die gekocht en verhalen daaruit gelezen. Ik heb altijd gedacht: met die mensen, daar wil ik eigenlijk wat mee. Ik weet nog dat ik graag vrijwilligerswerk wilde doen, maar ik had er nooit tijd voor tijdens mijn studie’. Later ging ze de hboopleiding theologie doen en solliciteerde ze naar een vacature voor straatpastoraat die in de hal van het opleidingsinstituut hing. ‘Het is iets wat op je weg komt, maar dat je affiniteit met die mensen hebt, is wel belangrijk. En dan komt het praktische werk en kun je gaan ontdekken of het klopt dat je iets voor de mensen kunt betekenen. Nou ja, gaandeweg blijkt dat zo te zijn. Ik voel me thuis in dit werk. Dit is mijn plek.’ Bart van Empel heeft een Youth for Christ-achtergrond. ‘Ik heb ooit voor verpleegkundige in de psychiatrie gestudeerd. Ik heb heel veel met druggebruikers te maken gehad.
Later ben ik theologie gaan studeren. En nu aan het eind van mijn werkzame leven komen al deze dingen een beetje bij elkaar in het straatpastoraat.
Ik heb geen dure organisatie achter me, maar ga gewoon de straat op om het directe werk te doen’.
Regeltjes
Door hun pastorale werk hebben Wieke en Bart een scherp oog gekregen voor het verschil tussen de wereld waarin de dak- en thuislozen leven en de samenleving daaromheen.
Wieke: ‘In de gewone maatschappij hebben de men-
sen vaak maskers op. Ze hebben wat te verliezen en er wordt vaak toneel gespeeld.
Op straat valt dat weg en het pure contact dat dan ontstaat, is ontzettend mooi.
Voor alle omwegen en omtrekkende bewegingen die je in het gewone verkeer tussen mensen moet maken om dichter bij iemand te komen, is hier helemaal geen tijd. Je komt snel tot de kern en heel dicht bij wat iemand werkelijk beweegt en voelt. Dat vind ik ontroerend. Het stemt me ook dankbaar dat mensen je zo toelaten in hun bestaan en je hun vertrouwen schenken’.
Zo kan het ook voorkomen dat in de doelgroep van het straatpastoraat op een heel onverwachte manier gereageerd wordt op wijzigende omstandigheden.
Bart: ‘Op een gegeven moment was er geldgebrek en moesten we van twee garantstellingen voor een slaapplek per persoon per keer over naar één garantstelling.
Ik dacht: nou gaan ze natuurlijk protesteren. Maar nee hoor, niemand protesteerde!
Beter één garantstelling dan helemaal niets, was het overheersende gevoel. Ik vind dat prachtig!’
De vele regeltjes in de hulpverlening kunnen ertoe leiden dat de behoeften van individuele dak- en thuislozen tussen wal en schip raken. Bart: ‘Er zijn wel veel hulpverleners, maar er zijn minstens zoveel loketjes en regeltjes. Veel mensen uit onze doelgroep kunnen niet aan die regels voldoen en lopen vast’. Wieke vindt het schrijnend wanneer mensen waar ze mee werkt daardoor niet tot hun recht kunnen komen. ‘Zo kon iemand alleen in een crisisopvang blijven, als hij twintig uur per week vrijwilligerswerk ging doen. Maar hij was afgekeurd en mocht dus helemaal niet zoveel vrijwilligerswerk doen. De dak- en thuislozen hebben zo weinig ruimte om hun eigen leven vorm te geven en moeten zich continu voegen naar de regeltjes. Op een gegeven moment ben je geen persoon meer, maar een soort kneedbare figuur die moet passen in de vaste vorm die de hulpverlening voor je geschapen heeft. Alleen dan kun je verder geholpen worden.
Dan vraag ik: kan het niet een keertje andersom.
Kan nou niet eens uitgegaan worden van de behoeften van die ene mens? Strikte toepassing van de regels zorgt er soms voor dat iemand zich gekleineerd voelt. En dan denk ik: het is vaak al heel complex waarom mensen op straat komen, en ik weet ook niet of je dat altijd kunt voorkomen als maatschappij. Maar als dat dan gebeurt, kun je er als samenleving wel aan werken dat deze mensen op een menswaardige manier naar een betere positie worden geleid. Ze hebben al zoveel verloren, moet je ze ook hun waardigheid nog afnemen?’
Liturgie
Het straatpastoraat wordt gekenmerkt door ‘doen wat op je weg komt’, waardoor ook nieuwe wegen geopend worden om de doelgroep te bereiken. Zo worden sinds kort maaltijden georganiseerd.
Bart: ‘Daardoor hebben we een andersoortig contact met de dak- en thuislozen dan we doorgaans hebben.
Het zijn maaltijden met een vieringkarakter waarvoor we een liturgie hebben. Daarvoor mogen we gebruik maken van de Jacobikerk, een kerk in het centrum van de stad, waar we ook op maandagmorgen garantstellingen uitgeven.
Daar hebben we nu ook ruimte om te koken en deze mensen te ontvangen’.
Straatpastoraat is veeleisend werk. De contacten met medemensen in moeilijke omstandigheden zijn intensief.
Daarbij komt dat straatpastoraat soms ook crisispastoraat is. Wieke: ‘Als iemand mij een emotionele mail stuurt, dan probeer ik daar meteen op in te springen. Ik wacht niet, maar mail direct terug’. Het straatpastoraat vraagt volledige betrokkenheid, maar ook het besef dat niet alle problemen zomaar even zijn op te lossen. ‘Dit werk gaat je niet in je koude kleren zitten. Ik heb geen kantoor, dus ik werk ook thuis. Ik beschouw het als deel van mijn werk dat ik thuis nadenk over wat ik in pastoraal opzicht voor bepaalde mensen kan betekenen.
Het gaat om contact van mens tot mens, dat raakt het hele menszijn, ook je gevoelens.
Ik kan dat dus ook niet zomaar loslaten. Maar goed, dat moet natuurlijk op een gegeven moment toch. Dat gaat bij mij ook vanzelf op het moment dat ik mijn dochtertje van school moet halen’.
‘Ik heb wel een beetje geleerd om niet teveel mee naar huis te nemen’, zegt Bart. ‘Voor mij is het gebed het moment om de problemen van de mensen die ik heb ontmoet bij God te brengen en ze ook bij God te laten’. Straatpastoraat is ook dankbaar werk. Bart: ‘Soms fiets ik naar huis en dan denk ik: wat moet ik mijn vrouw vertellen over mijn werk vandaag?
En dan besef ik dat het vaak om kleine dingen gaat die ervoor zorgen dat ik zo'n dag voor anderen betekenis heb gehad’.