Dezelfde ijver
1984-08-24
"Maar het is onze begeerte, dat ieder uwer dezelfde ijver blijve betonen tot de verwezenlijking der hoop tot het einde toe ... " Hebreeën 6 : 11.- Jaargang 28
- nummer 31
Scherp zijn de Hebreeën gewaarschuwd. Een afschrikwekkend beeld is hun voor ogen gesteld. Van mensen, té ver weg om nog bekeerd te kunnen worden. Een akker, rijp voor de vloek, verbranding.
Dan staat God niet meer toe, dat je groeit in het geloof (6 : 3b-8). Wie heeft, dien zal gegeven worden, maar wie niet heeft, dien zal ontnomen worden ook wat hij heeft.
Maar ... ze hàdden nog wel iets. Iets goeds.
Positief Traag geworden mensen moeten worden wakker geschud. Uit défaitisme, dat tot verderf leidt.
't Sein komt op rood. Gevaar!
Zó niet doorgaan.
Maar de schrik moet heilzaam zijn, niet tot wanhoop leiden.
Als een goed prediker (van de barmhartige Hogepriester!) vangt de schrijver van de brief aan de Hebreeën zijn hoorders, die hij op moest schrikken, ook weer op: ,.maar we zijn overtuigd wat u betreft, geliefden, van betere dingen, die heil inhouden." (6:9) Kostelijke, pastorale wijsheid.
Afschrikken, opschrikken, hard aanpakken, door elkaar schudden - dat moet wel 's. Met de schapen. Maar houd ze vàst dan, dat ze niet in paniek de afgrond in springen.
Geliefden, onheilspellende dingen spràk ik tot u.
Maar bétere dingen wéét ik van u. Heil bevattend.
Liefdebetoon
Die "betere dingen" worden ook nader aangeduid (6 : 10).
Zij hebben de heiligen gediend, die Hebreeën. En dat doen ze nog.
Daar hebben ze geen moeite mee. Ze zien de noden van medegelovigen.
En daar doen ze wat aan. Ze spannen zich er echt voor in.
En toonden daarin hun liefde voor de goede zaak. Voor de naam van Hem, wien die heiligen toebehoren.
Om Gods wil hebben ze hulp verleend in nood (zie daarover ook 10 : 32 vv).
En dat vergeet God niet. Wat men zijn heiligen aandoet zal Hij vergelden. Oók het goede.
Was er in de waarschuwing sprake van "als God het nog toestaat", van Zijn zegen en vloek - welnu, er is wat hen betreft ook positief te spreken van goede verwachtingen van Hem. Die dat liefdebetoon niet vergeet. Dat ziet Hij niet over het hoofd, rechtvaardig als Hij is.
Hoop tonen
Maar waarom hen dan zo laten schrikken? Hun zo'n afschrikwekkend beeld voorhouden, van niet meer te bekeren mensen, van vloek van God?
Niet om hun alle hoop en moed te ontnemen.
Die ze toch al zo weinig hadden.
Maar dat is het nu juist.
De scherpe woorden komen voort uit de vurige begeerte, dat ze weer 'op peil' komen. Dat hun geloof-en-hoop, nu op een laag pitje, weer opvlamt tot volle overtuiging.
Mooi, dat ze zo'n ijver hadden in goede werken voor medemensen.
Voor Gods heiligen.
't Wordt gereleveerd om hen te bemoedigen.
Maar ook als aangrijpingspunt gebruikt om hen uit hun traagheid wat de geloofsverwachting van Christus betreft, óp te jagen.
Zo ijverig voor de heiligen in de weer, voor God.
Maar toon dan ook 's nèt zo'n ijver, dezelfde ijver, tot volledig vertrouwen in God, om vast te houden al wat Hij in Christus ons gegeven heeft en geven gaat.
Liefdebetoon, best. Maar dan óók gelóóf tonen, geloof dat ziet op onze hogepriester in heerlijkheid.
Geloof dat hoop is.
Al eerder zijn ze vermaand die hoop toch vast te houden.
In volle vrijmoedigheid daarin roemend.
Niet maar als een flakkerend pitje, maar als een helder brandend vuur.
"De volle verzekerdheid der hoop"
Dat is de weergave van de Statenvertaling hier. En die is meer terzake dan wat de NBG-vertaling heeft: "de volle verwezenlijking van de hoop". Dat laatste is Gods zaak. Maar het gaat hier over wat bij de mensen leeft.
Over de "volle verzekerdheid des geloofs" (zoals NBG in 10 : 22 hetzelfde griekse woord wèl heeft vertaald).
Het punt is ook niet, wat de nieuwe vertaling suggereert ook door 'blijve' in te voegen: mensen, je bent zo ijverig in goede werken, ga daar mee door totdat uw hoop in vervulling is gegaan.
Neen, zó huppelt de prediker niet over het ernstig gebrek dat hij van deze mensen kent en waarover hij zeer verontrust is en hen ernstig onderhouden heeft, heen.
IJverig in allerlei hulpbetoon aan mensen. Daar ontbrak het niet aan.
Maar traag in het zien op Hem, wiens werk zo afdoend was, wiens positie aan Gods rechterhand zo heerlijk is, dat we alle hoop mogen hebben. Moeten hebben. Met minder kan het niet toe.
Om het beloofde te beërven moeten we in het geloof volharden (6: 12 vv).
En als dat inzinkt moet de ijver daarop worden gericht.
Op het volledig vasthouden van de geloofsverwachting tot het einde toe.
Een oproep om te volharden.
Niet maar op het punt van liefdebetoon.
Dat zat wel goed.
Maar op het punt van zien op Christus in de hemel.
Als ze nu eens dezelfde ijver die ze voor het eerste toonden, ook op dat tweede richtten. Want dat liet te wensen over.
Ook voor ons een vitaal punt.
Activiteiten ten bate van medemensen, goed.
Om medegelovigen te helpen, prima.
Maar onze verhoogde Here, die de weg tot God baande, en aan wie de toekomst is, vraagt ook een volledig overtuigd zijn van de goede afloop van Zijn zaak.
Een opgeheven hoofd om Hem uit de hemel te verwachten. Ja, Hem nu in geloof al te eren als gezeten aan Gods rechterhand.
De grote Hogepriester.
"Wiens huis wij zijn, àls wij de vrijmoedigheid en het roemen in de hoop vasthouden, tot het einde toe." (3 : 16)