Opvoeden (van de gemeente)

1984-08-24
  • Jaargang 28
  • nummer 31
Dat woord heeft in verschillende landen en culturen een zeer verschillende betekenis. Onder het O.T. en het latere jodendom was ze streng. Ook de opvoeding door God van zijn volk was dat. Het betekent daar vaak tuchtigen of kastijden. Ook in de Griekse en Romeinse wereld was ze streng. Als ik het wel heb had de vader daar het recht) niet alleen z)n zoon zwaar te straffen maar zelfs te doden. In mijn jeugd was kastijding en tuchtiging vaker aan de orde dan in deze tijd. Kinderen menen heden ten dage op voet van gelijkheid met de ouders te staan en met hen) die over hen zijn gesteld. In dit artikel wil ik nagaan hoe dat staat in het N.T.

Het woord, daar voor opvoeden gebruikt, kennen we ook wel in ons spraakgebruik. We spreken van paedagogie als opvoedkunde.
En we kennen de paedagogische academie. Het woord paedagoog komt voor in Gal. 3 : 24. Het is daar in de Oude Vertaling overgezet met "tuchtmeester".
Zo ook in de Nieuwe Vertaling.
In Groot Nieuws met "begeleider". Dat wordt daar van de wet gezegd. Geen van de drie is voor ons zo maar duidelijk denk ik. Wat voor persoon of instantie is daarmee bedoeld?
Letterlijk vertaald is het: Kindergeleider. De voorname families, die hun kinderen naar school stuurden. hadden zulk een knapengeleider in dienst. Gewoonlijk een wat oudere, maar nog wel potige slaaf. Die moest zorgen, dat de jongens niet lastig gevallen werden en zelf geen last aan anderen veroorzaakten.
Ze moesten hen in het algemeen goede manieren leren. Ze hadden er zorg voor te dragen, dat de knapen zich netjes gedroegen.
Zwegen als ouderen spraken en zich op school ordelijk gedragen.
Paulus schrijft nu dat onder het O.T. de gelovigen nog onmondig waren. En zo behandelde hen de wet. Ze moesten om zo te zeggen van stap tot stap begeleid worden door allerlei voorschriften.
Ze stonden nog in de kinderschoenen. Dat duurde tot door Christus het Evangelie en het geloof werden geopenbaard.
Tot dan werden de rechtvaardigen door de wet als in verzekerde bewaring gehouden. Na de komst van Christus zijn we geen onmondige kinderen meer. Die van stap tot stap als bij de hand door allerlei wettische voorschriften moeten geleid worden. Maar we zijn als mondige zonen door God aangenomen. God heeft zijn Geest gegeven aan de gelovigen, waardoor zij vrijmoedig roepen Abba = Vader. We zijn vrijgekocht van onder de wet. Geen slaven meer, maar vrije kinderen Gods. Dat schrijft Paulus aan de Galaten, die geneigd zijn weer onder de wet te gaan leven. Door Iudaïsten daartoe verleid. Hij waarschuwt hen niet terug te keren tot de "beginselen der wereld".
Menselijke voorschriften, die niet uit het Evangelie voortvloeien.
Ze moeten zich niet laten besnijden, de heiden-christenen.
Dan staan ze weer onder de wet. Ze moeten niet weer speciale dagen vieren en maanden en feesten. Menselijke regels.
Paulus vermaant hen te staan in de vrijheid, waarmee Christus hen vrijgemaakt heeft. Ze moeten niet weer een juk van slavernij op zich nemen.

Dat zal de gemeente zich altijd weer moeten inprenten. Niet uit de wet leven. Maar van genade.
Niet naar menselijke tradities, waaraan men slaafs gebonden blijft. Het was voor joden-christenen heel moeilijk om bijvoorbeeld geen joodse sabbat meer te vieren enz. enz. Toch moesten ze dat leren.
Die geneigdheid om naar menselijke wetten te leven zit in ons allen. Het is zo gemakkelijk naar het schijnt. In "zware" kringen maakt men soms van de zondag een farizeese sabbat. Een last in plaats van een lust. In een kerk op de Veluwe was het wet 3 keer zondags naar de kerk te gaan.
De kinderen mochten niet op straat of weg komen, geen spelletjes doen. En hier en daar nog 's avonds luisteren naar een preek van een oud-vader. Als ze dan ergens gingen dienen zeiden ze nogal eens de kerk vaarwel.
In mijn jeugd was de zondagsviering ook wat wettisch. We moesten 2 keer naar de kerk, hoewel we er totaal niets van begrepen.
Fietsen was niet geoorloofd. Om de buren geen spel op straat. Niet alleen 's zondags golden vaste regels, tradities, maar ook door de week: Eens per jaar was er een onschuldige harddraverij. We mochten dat niet gaan zien. Behalve als een kennis aan de laan woonde, waar het feest plaats vond. Een draaimolen was voor ons verboden. Een uitvoering van een oratorium nauwelijks geoorloofd.
De bioscoop absoluut verboden. Lotspelen in sommige gezinnen verboden. Ook bij enkelen dammen en schaken!
Was het dan niet goed 2 keer naar een preek te luisteren. Er is vanzelf niets op tegen. als de preken tenminste goed zijn. Maar het doet geen nut als men 3 keer luistert naar de verkondiging van "hel "en verdoemenis". Juist in niet-evangelische kerken leeft men streng naar menselijke wetten.
Van bioscoop en bar enz. is over 't algemeen geen goeds te zeggen. Maar een góede film mogen we toch wel zien?

In de jaren omstreeks '50 verlangden sommigen van mij, dat ik van de kansel zou voorschrijven wat blad men moest lezen en van welke vereniging men lid of geen lid mocht zijn enz. enz. Alsof gemeenteleden onmondige kinderen zijn. Ik heb dat pertinent geweigerd. En altijd beweerd, dat mondige gelovigen zelf mochten en moesten uitmaken wat ze op allerlei gebied mochten en moesten doen. Als we als gemeente zo ver kwamen, dat we de HERE kenden in al ons doen en laten, dan moest ieder voor zich met zijn of haar gaven en op eigen terrein uitmaken, wat de wil Gods was. Die mening ben ik nog toegedaan. Dat geldt voor een bankier en voor een politicus en voor een militair en een vakbondslid. Dat heeft de dominee niet voor te schrijven. Hij moet zich houden aan de opdracht van Jezus: Verkondig het Evangelie en leert onderhouden wat Hij geboden heeft. Dat is ook de opdracht voor synoden bijvoorbeeld. Het is m.i. niet te prijzen als aan een gemeente wordt voorgeschreven welke vertaling mag of moet worden gebruikt, welke berijming zal worden gezongen en liederen of geen liederen. Waarom dat niet in de vrijheid der zelfstandige kerken overgelaten? Er zou minder strijd en scheuring zijn als alle instanties zich daaraan hielden.
Er is een regel opgesteld, door wie weet ik niet meer: In noodzaklijke dingen eenheid in niet-noodzakelijke dingen vrijheid, in alles de liefde! Noodzakelijke dingen zijn m.i. genoemd door Paulus in Efeze 4: "Elkander in liefde te verdragen en ons te beijveren de eenheid van de Geest te bewaren door de band van vrede; één lichaam en één Geest ... één Here, één geloof, één doop, één hoop, één God en Vader van allen, die is boven allen en in allen". Waarom durven vele kerken die vrijheid, die de Here ons gunt, niet aan?

Opvoeden betekent niet altijd tuchtmeester zijn, zoals in Galaten.
Mij komt in gedachten Titus 2 : 11: "Want de genade van God is verschenen, heilzaam voor alle mensen, om ons op te voeden, zodat wij de wereldse begeerten en goddeloosheid verzakend, bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven, verwachtende de zalige hoop en de verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus, die zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van álle ongerechtigheid en voor zich te reinigen een eigen volk, laaiend enthousiast voor goede werken".
Gods genade is met Christus in volle klaarheid verschenen. Met het vermogen alle mensen te redden van zonde en dood. Het ligt niet aan God, maar aan geroepenen als ze verloren gaan. Omdat ze niet willen luisteren naar die roeping. Christus voedt ons op.
We zijn als we naar Hem luisteren op de beste paedagogische Academie. Waar we alles kunnen leren wat tot onze redding nodig is. Maar we moeten ons wel bezinnen.
Wat rechtvaardig is en wat godvrezend is. Niet in de ogen van mensen. Maar naar de regel van het Evangelie en van de geboden van Christus. Gods genade, in Christus verschenen, troost ons en waarschuwt ons en onderwijst ons wat wij laten moeten en wat we doen mogen en moeten. Genade vergeeft niet alleen, maar geneest ook en rechtvaardigt en heiligt ons. Ja verheerlijkt ons ook reeds in dit leven.
Het is nog maar een begin.
Maar toch zal de wereld dat aan ons moeten zien. Dat kán niet verborgen blijven.

Daartoe moeten we ons ook in de Schrift verdiepen. Er mee bezig zijn. Want de Schriften voeden ook op. Zoals we lezen in 2 Tim. 3 : 16: "Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust". De Schriften kunnen wijs maken tot redding. Ze willen leiden tot geloof in Christus. Elk door Gods Geest ingegeven Schriftwoord is ook nuttig om ons te leren. Menselijke meningen te weerleggen. Zonde te ontdekken en de weg tot verbetering of bekering te wijzen. Met het doel ons op te voeden in de gerechtigheid, d.w.z. goed werk. Opdat we mensen Gods worden. Dat we kinderen Gods mogen zijn zal ons bekend zijn. Maar we mogen mannen en vrouwen van God zijn. Zijn eigendom. Die jagen naar de volkomenheid. Tot alle goed werk toegerust.
Daar is de Schrift vol van. Hoe is het toch mogelijk, dat dit een vergeten hoofdstuk geworden is in brede kerkelijke kringen. Het gaat in de Bijbel om de redding van zonde en dood. Niet om ons allerlei vragen op elk gebied duidelijk te beantwoorden. Het is geen boek van wetenschap op allerlei gebied. Het leert ons niet omtrent de kernenergie bijv. of over de economie. Deze tekst wil ook niet zeggen, dat alles in de Schrift even belangrijk is. En dat alles voor alle tijden geldt. We hoeven bijv. niet meer offeren dan ons zelf. We mogen gelovig letten op de tijd wanneer en op het doel van bepaalde voorschriften.
We mogen wel alle soorten vlees eten en onze vrouwen en meisjes hoeven geen hoed dragen als ze naar de kerk gaan. We mogen gelovig onderscheiden.
Gelovig kritisch lezen. Vanzelf niet op de manier van de moderne schriftkritiek.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief