Persschouw

1984-08-24
  • Jaargang 28
  • nummer 31

Zwaailicht

De andere zorg
'Ik maak me zorgen over mijn kinderen die niet meer naar de kerk gaan'. Die woorden kennen wij. Ze zijn uiting van verdriet en onmachtige gevoelens bij ouders in deze tijd.
Het gesprek met de kinderen komt niet op gang. Het is of er een verschillende taal wordt gesproken. Tegen de soms laatdunkende geformuleerde kritiek van hun kinderen op de kerk, hebben vele ouders geen verweer. Nou en? Het onderwerp wordt niet meer aangeroerd. Maar de gevoelens blijven knagen. Hebben wij het fout gedaan?
Waar?
Mag ik de andere zorg eens aan het woord laten? Wij kijken nu niet meevoelend met de ouders, maar luisteren naar wat een jongere onder woorden bracht. 'Ik maak mij zorgen over mijn ouders, die elke zondag naar de kerk gaan.' Ze gaan er naar toe om een wekelijkse portie bemoediging te halen, zeggen ze, Maar wat houdt het in? Vlucht uit de werkelijkheid.
Ze zingen de oude liederen vol overgave. Bevredigen hun godsdienstig gevoel. Ze consumeren en verder?
Nostalgie. Kom ze niet aan boord met vragen, want ze hebben geen antwoord. Bij het eerste kritisch woord worden ze angstig, agressief, spelen in op mijn schuldgevoel. Zo ongeveer zal die andere zorg verwoord worden. Kinderen, die zich zorgen maken over hun ouders, die naar de kerk gaan en er niets mee doen. Ouders, die zich laten drijven op de consumentenstroom van sfeer.
nostalgie, even afstand van de barre werkelijkheid.
Ouders zeggen: mijn kinderen doen er niets aan. Kinderen zeggen: mijn ouders doen er niets mee.
Eén ding hebben zij gemeenzaam, die ouders en die kinderen. Ze hebben zorgen over de wijze waarop de ander omgaat met zaken van geloof en kerk. Dat is niet niets. Zij hebben elkaar nog niet afgeschreven. ook al kunnen zij elkaar op dit punt niet bereiken. Het is daarom niet juist.
om als rechter de ene of de andere partij in het gelijk te stellen. Al gaat de spraakmakende zorg vaak uit naar de ouders, in de kerk zullen wij die andere zorg niet uit onze aandacht mogen verliezen.
Hoe zou je hen naar elkaar toe kunnen vertalen? Niet op de manier van: wellus, nietes. Niet op de manier van inspelen op schuldgevoelens. Mogelijk wel op de manier dat wij het gemeenschappelijke uitwerken. Wat betekent het dan voor je dat je zorg hebt? Wat betekent het dat ik zorg heb? Wat ervaar ik daarbij, wat ervaar jij daarbij? Laat mij nu eens eerlijk zeggen wat de kerkgang voor mij betekent. En nu jij. Waarom zegt het niets? Wat zegt het mij?
Op deze wijze, niet agressief, niet bedreigd en bedreigend, zou het kunnen gebeuren dat er een opening komt voor het echte in elkaar. Want die zorgen, die zij voor elkaar zeggen te hebben, hebben ook te maken met angst. Angst om het beslissende te missen. Dat is iets dat wij dan vooral naar de andere toebrengen, terwijl het als vraag bij onszelf thuishoort.
Wij leggen het probleem vooral bij de ander, terwijl het bij onszelf ligt.
Wij durven het alleen niet bewust te laten worden. De ouders zouden hun angst op het spoor kunnen komen: de angst voor de grote wereld en de vragen. Voor hun eigen onmacht en onzekerheid. Want als ouders moet je het voorbeeld geven en dan mag je toch niet onzeker zijn? En de kinderen: hun angst om zich te binden aan iets, aan een instantie, een instituut.
Terwijl alles zo voos en ondoorzichtig is. De gemeenschappelijkheid van de zorg zou kunnen leiden tot de herkenning van de gemeenschappelijkheid in angst. En in het verhaal, hoe wij daarin standhouden of wegvluchten.
Dan wordt het menselijk.
Dan zijn er misschien woorden in dat Oude Boek die ons passen als een jas.
De Psalmen bijvoorbeeld. Ik was sprakeloos, verstomd. ... L. de Liefde

Dit artikel van onze Hervormde kollega uit Amstelveen in "Present" bevat veel, dat ons direkt aanspreekt. Regelmatig worden wij ook in. onze kerkelijke kring gekonfronteerd met het cruciale punt van de verhouding ouderskinderen en omgekeerd wanneer het gaat over religieuze en kerkelijke zaken. Vele ouders hebben schuldgevoelens. Anderen zoeken af te reageren door de kerk als zodanig voor het afnokken van hun kroost verantwoordelijk te stellen. Weer een derde kategorie zoekt het in de richting van een dominee of een ouderling, die hebben gefaald in de kontaktoefening. Maar het beheersende in de benadering van deze problematiek dient te zijn, dat ouders en kinderen beiden behoren tot het ene genadeverbond, dat God met zijn volk heeft opgericht. Dát bindt samen en geeft opening in het gesprek met elkaar. Want het gaat er ten diepste niet om wat wij als ouders en kinderen voor elkaar betekenen en of we nog begrip voor elkaar kunnen opbrengen.
Nee, het cirkelt om de vraag wat de Here voor ons betekent!
"God heeft het eerste woord.
Vóór wij ter wereld kwamen, riep Hij ons reeds bij name, zijn roep wordt nóg gehoord." (Gez. 1 NLB).

O. Mooiweer, Enschede

Dr. F. A. Schaeffer komt in zijn laatste boek, The Great Evangelical Disaster, terug op één van de hoofdthema's van zijn werk: het christelijk geloof is gebaseerd op betrouwbare feiten en heeft daarom de pretentie objectief waar te zijn.
Hij gaat uitvoerig in op de desastreuze gevolgen die een meer subjectieve interpretatie van de bijbel heeft voor het christelijk geloof. Om het kort te zeggen: de poten worden onder de stoel weggezaagd: het geloof is niet relevant meer voor de werkelijkheid van alledag of het holt in vergaande mate achter de nieuwste trend aan, via het instrument van weer een nieuw "theologische"
bijbelinterpretatie. (bevrijdingstheologie, feministische theologie, etc.) Hoe actueel zijn waarschuwingen zijn bleek onlangs weer in de discussie rond de opvattingen van een kandidaat bisschop in de Anglicaanse kerk, dl. David Jenkins. Deze is van mening dat, aangezien de maagdelijke geboorte van de Here Jezus en Zijn opstanding niet bewezen kunnen worden als historische feiten, ze daarom hoogstens als subjectieve geloofservaringen kunnen functioneren in het belijden van de kerk.
Het engelse dagblad The Guardian van 5 juli '84 wijdde een commentaar aan deze zaak en koos daarbij de kant van Jenkins.
Het commentaar legt onmiddellijk de vinger op de zere plek; daarom geven we enkele alinea's door.
"De geloofsbelijdenis (van Nicea), zoals die wordt uitgesproken in de diensten van de Anglicaanse kerk, begint met de woorden "Ik geloof", en deze ondubbelzinnige verklaring betreft o.a. de uitspraken dat Jezus "is geboren uit de maagd Maria" en dat Hij "op de derde dag weer opstond uit de doden". Veel mensen die deze woorden in de mond nemen bedoelen daarmee hoogstwaarschijnlijk iets in de geest van "Ik geloof - om het zo maar eens uit te drukken -" of "Ik geloof dat in zekere zin ... "
"Geloven in God en in Jezus en Zijn vleeswording is het bevestigen van een subjectieve ervaring, waarvan niemand het recht heeft die tegen te spreken. Daarentegen is belijden van geloof in de historische proporties van de geloofsbelijdenis een geheel andere aangelegenheid van tamelijk dubieuze aard, omdat het feiten die niet bewezen kunnen worden voorstelt als zijnde objectief."
Allereerst mijn complimenten voor een 'neutraal' dagblad dat op deze wijze aandacht besteedt aan kerkelijke zaken. Daarbij speelt natuurlijk een rol het feit dat de Anglicaanse kerk staatskerk is en nog immer sterk verweven met het Verenigd Koninkrijk als natie. Maar vervolgens - het uit elkaar halen van subjectieve ervaring en historische feiten met betrekking tot het christelijk geloof betekent de doodsteek voor geloof en kerk.
De subjectieve ervaring wordt, vanwege het ervaringskarakter, boven alle discussie uitgetild, maar de inhoud van de "ervaring" is terzelfdertijd irrelevant geworden. Dit is dan ook de verklaring dat een neutraal dagblad welwillend kan toekijken naar het gebeuren in een kerkelijke organisatie: de Anglicaans kerk is zijn angel kwijt!

F. J. Mink

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief