De vrijmaking herdacht 1)
1984-08-31
- Jaargang 28
- nummer 32
1) Uitgesproken tijdens de leerdienst op zondagmiddag 12 augustus in de Ned. Geref. Kerk van Amsterdam-Centrum.
"Zij gaven zich eerst aan de Here en vervolgens aan elkaar"
(vrij naar 2 Korintiërs 8 vers 5)
Het is vandaag (eigenlijk gisteren) veertig jaar geleden dat de vrijmaking plaats vond. Dat ging toen over de doop en daar gaat het vanmiddag ook over: 'Zal men ook de jonge kinderen dopen?', vraag en antwoord 74 van de Heidelbergse Catechismus.
Vandaar dat ik de gelegenheid gebruik om aan de vrijmaking van destijds aandacht te besteden.
Ja, maar wij zijn toch niet 'Vrijgemaakt'?, hoor ik sommigen zeggen. Wij zijn toch Nederlands Gereformeerd? Dit geluid zou kunnen komen van diegenen in ons midden die zich later bij ons hebben gevoegd en eigenlijk geen vrijgemaakte en zelfs geen gereformeerde achtergrond hebben.
Tegen hen zeg ik: nee, wij zijn niet vrijgemaakt gereformeerd in de formele zin van het woord, maar we hebben met de vrijgemaakten toch wel een gezamenlijk verleden.
Ik zou het jammer vinden als dat helemaal vergeten werd. En dat is niet denkbeeldig.
Want velen van ons schamen zich wat voor hun geestelijke familieband met de vrijgemaakten.
Dat zijn immers zulke vreemde vogels in de kerkelijke volière. Die denken dat ze de alleen-zaligmakende kerk zijn, daar willen we eigenlijk liever niets mee te maken hebben.
Sommigen die van buiten af bij ons gekomen zijn, zullen wel eens op die eigenaardige gevoeligheid gestuit zijn, als ze vroegen naar onze band met hen: ach, gekke lui, vooral in hun kerkbeschouwing.
Behalve nu dat we hier met een karikatuur te doen hebben, want zij beschouwen zichzelf niet als de alleen-zaligmakende kerk, zij zeggen alleen dat zij de enige ware kerk zijn en zij spreken zich daarmee meer uit over de wettigheid van het instituut of de ambtelijke organisatie van de kerk dan over de zaligheid van de leden, - behalve dat dit dus een karikatuur is en als zodanig een zonde tegen het negende gebod (dat ons valse getuigenissen verbiedt!) moet U ook niet denken dat dit nu het enige is dat over vrijgemaakten te zeggen valt.
Ik moet zeggen dat ik niet zelden trots ben op mijn geestelijke familieband met hen. En ik zal U zeggen, waarom. Wat ik altijd zo waardeer in hen is dat ze menselijke banden zo gelovig ondergeschikt maken aan de band met de Here. Niet dat ze zich daarbij nooit eens vergissen, dat ze dus om 's Heren wil wel eens nee zeggen tegen mensen tot wie de Here zelf ja zegt, zeker, maar toch, de wil, de begeerte om Hem inderdaad de eerste te laten zijn en de vertikale relatie tot Hem te laten heersen over de horizontale tot elkaardaarin zijn ze echt kerk.
Want kerk van Jezus Christus zijn, dat is, om het met een variant op een woord van Paulus te zeggen, "zij gaven zich eerst aan
de Here en vervolgens aan elkaar." Wanneer een kerk dat vergeet, kan ze nog wel voor een poosje een 'sociale unit' zijn, maar dan valt ze toch vroeg of laat definitief uit elkaar.
Van dat ware-kerk-zijn van de vrijgemaakten is dan ook meer waar dan sommigen waar willen hebben.
Ik denk dat wij als nederlands gereformeerden onder andere tot taak hebben om met het vele goede van onze tweeling-zuster naar buiten te treden en er onze medechristenen mee te zegenen, want inderdaad, ze zijn wel wat geïsoleerd en op zichzelf, die vrijgemaakten.
Ik kan het ook nooit goed hebben wanneer andere kerken of christenen lelijk over hen doen. En helemaal niet als dat onder ons gebeurt.
Want weliswaar zijn we langs de weg van een konflikt uit elkaar geraakt, maar dat is toch een konflikt waarvan ik steeds meer zeg: of twee kijven hebben twee schuld, of, in de taal van Jezus’ gelijkenis: “Dat heeft een vijandig mens gedaan” (Mattheüs 13:28). En dat zeg ik temeer als ik let op de grote scheiding der geesten die zich door de tegenwoordige christenheid heen voltrekt.
Hoe liefelijk zou het zijn als broeders en zusters van hetzelfde huis ook als broeders en zusters samenwoonden. Want dat zijn zij: broeders en zusters van hetzelfde huis, van hetzelfde geloof. De Here zegene hen.
Maar U bent toch ooit door hen geschorst, dominee? Ja, maar in mijn beste ogenblikken zeg ik met David: "Slaat een rechtvaardige mij, het is olie voor mijn hoofd" (Psalm 141 : 5). Ik zeg hiermee niet dat de tuchtmaatregel tegen mij een rechtvaardige klap was, alleen dat het een klap van rechtvaardigen was.
Genoeg, ik zou iets zeggen over de vrijmaking.
Eigenlijk heb ik dat trouwens al een beetje gedaan. Want ik had het over die voorrang die de vrijgemaakten aan de Here geven als ze het over de kerk hebben. Daar prees ik hen om, maar dat is een rechtstreeks voortvloeisel uit de vrijmaking.
Dat zal ik uitleggen. Het ging in de vrijmaking hoofdzakelijk over verbond en doop: hoe moet je een klein kind dat gedoopt wordt beschouwen? Moet je dat houden voor wedergeboren?
Ja, zoiets, zei de gereformeerde synode van destijds, want de doop van een kind veronderstelt de wedergeboorte van dat kind. Anders zou de Here bij de doop nooit kunnen zeggen: jij bent mijn kind.
Het mooie hiervan was dat de synode niet wilde dat er vrijblijvend gedoopt zou worden.
Ze verbond aan de doop heel nauw de wedergeboorte en ze zei daarmee: denk erom, niet zomaar dopen en dan de opvoeding maar blauw-blauw laten! Nee, aan de doop zit de wedergeboorte vast. Dat was het mooie.
Maar ze ging toch te ver. (Wat is dat toch jammer in het leven, dat je ook in het mooie te ver kunt gaan!) Te ver? Hoe dan? Nou, met die veronderstelde wedergeboorte natuurlijk.
Want daardoor werd de doop toch een beetje op losse schroeven gezet.
Iemand die als gedoopte opgroeit en zich dan op z'n doop gaat bezinnen, stuit bij deze leer onvermijdelijk op de vraag: heb ik wel een echte doop ontvangen? Ben ik wel wedergeboren?
Ben ik wel een uitverkoren kind van God? En de doop die door de Here toch bedoeld is als een steun voor het zwakke geloof, kan aldus gemakkelijk ophouden een kracht te zijn, een kracht van Godswege.
Het was dan ook hierop dat de kritiek van de toenmaals bezwaarden zich richtte. Ze zeiden: je moet de doop niet bouwen op een veronderstelling. Je moet afzien van de innerlijk gesteldheid van het kind dat gedoopt wordt. Je moet enkel letten op de belofte die de Here gegeven heeft, en op zijn bevel.
Kijk, daar heb je nu die heilzame voorrang aan de Here: letten op zijn belofte en op zijn bevel. Hij heeft gezegd tot Abraham: Ik ben jouw God en de God van je kinderen. En dat woord is in het Nieuwe Testament herhaald: de belofte is voor jullie en voor jullie kinderen en voor allen die veraf zijn, zovelen als de Here erbij zal roepen. Bekende woorden die we telkens bij de doop van een kind horen.
De oriëntatie is daarbij vóór alles op de Here gericht.
En de Here God beval Abraham niet om uitsluitend zijn uitverkoren kindertjes te besnijden, maar gewoon: zijn mannelijk nageslacht, all in. Daarom dopen we in het nieuwe verbond ook niet enkel de uitverkoren kindertjes (gesteld dat dat zou kunnen), nee, die verborgen dingen laten we voor de Here. We dopen de kinderen der gelovigen, de kinderen der gemeente. En we klemmen ons daarbij vast aan de belofte die de Here voor hen gegeven heeft.
Hoe het er van binnen uitziet bij die kindertjes, daar gaan we liever niet in zitten roeren.
Wij geloven in de Heilige Geest. Die weet veel beter wat Hij met het innerlijk van kinderen (en trouwens ook van grote mensen!) aan moet dan wij. Wij oriënteren ons op de Here en zijn Woord.
Dit is toch wel een bevrijdend geluid. Ook voor vandaag nog wel. Dit is een standpunt waarop je van een hoop moeilijke dingen kunt zeggen: dat weet ik zo niet, één ding weet ik: de Here heeft zijn belofte gegeven, daar houd ik me aan, daar werk ik mee in de opvoeding van mijn kinderen.
Een hoop moeilijke vragen zijn daarmee, nee, niet opgelost, ook niet het zwijgen opgelegd, maar in hun betrekkelijkheid onderkend.
Zielkundige, opvoedkundige vragen. Laten knappe mensen zich daarover het hoofd breken, laten ze met wat ze vinden ons van nut zijn, maar één ding staat al vast: de Here is in zijn belofte getrouw. Daarom spreekt dit gezichtspunt eenvoudige mensen sterk aan.
Eenvoudige mensen. Ik bedoel niet: simplistische mensen. Ik bedoel niet de mensen die afgeven op christelijke opvoedkunde, enzovoorts.
Nee, de eenvoudige mensen, die zulke studies heus de ruimte geven en toch op tijd weten te zeggen: ho, ho, hier moet de opvoedkunde over zwijgen, want dit moeten we aan de Here overlaten. Nog eens, de oriëntatie op de Here en zijn Woord, dat was en is de kracht van de vrijmaking.
Men heeft dit standpunt wel eens 'objektivisme' genoemd. Een jammerlijke term. Zeker, er zit wel iets begrijpelijks in. Want inderdaad worden we door deze leer uitgeleid uit de krachten van het subjektivisme, heilzaam weggehaald bij de verborgenheden van elkaars (en ook ons eigen!) zieleleven. Maar daarom is dit nog geen objektivisme. Dat is zo'n kille term, daar blijft zelfs geen dier bij in leven. Nee, weggehaald bij onszelf, worden wij op de Here geworpen. En de Here is geen objekt; het is zeer oneerbiedig zo van Hem te spreken.
Het is niet voor niets dat ik het objektivisme hier ter sprake breng. Want daar is de vrijmaking wel vaak in ontaard. En dat op twee manieren.
In de eerste plaats zo dat er zich wel eens een administratieve kilheid over het vrijgemaakte leven is gaan leggen. Een legalisme en een wetticisme. Een vrees ook wel om persoonlijke gevoelens en spontaneïteit in het leven met de Here in te brengen. Hou je maar aan de regeltjes (bijvoorbeeld van de kerkdienst), en alles komt goed.
En in de tweede plaats in deze zin een objektivisme, dat het aandringen op persoonlijke bekering achterwege blijft. Dat die bekering en wedergeboorte ook eigenlijk niet zo hoeven, want, nu ja, de belofte, nietwaar?
Er kan met een gedoopte eigenlijk niets fout gaan, hoe hij ook leeft. Dat is dus wat de synode destijds vreesde, en die vrees is niet geheel ongegrond gebleken. Want medechristenen verbazen zich er nog wel eens over wat er op het gebied van de levenswandel of van het kerkelijke leven bij de (van oorsprong) vrijgemaakten wel allemaal niet mogelijk is.
Ik denk dat deze twee vormen van dit heilloze objektivisme over de beide huizen van de vrijmaking verdeeld zijn. Om iets nauwkeuriger te zijn: dat de binnenverbanders met het objektivisme van de eerste soort te kampen hebben: het al te kil-wettelijke, het administratieve van kerkordelijke en morele regeltjes, en dat de buitenverbanders met dat andere objektivisme te maken hebben: een libertijnendom, een vrijbuiterigheid, een onverschilligheid voor kerkorde, maar ook soms voor zede en moraal.
En om nu een perspektief te bieden: het zou kunnen zijn dat als we aan beide zijden die duivel van het objektivisme uitdrijven, wij op een nieuwe wijze vrij komen voor elkaar.
Bij dat 'uitdrijven' denk ik niet aan tucht. De duivel waar we het nu over hebben, reageert niet op tucht. Hij zwemt altijd opnieuw door de grove mazen van dat net heen om zich dan onbespied te nestelen in elke nieuwe kerkvorm. Daarom is hier meer te verwachten van een geduldige hantering van de éérste sleutel van het Koninkrijk Gods: het Woord, in prediking, catechese en pastoraat.
Maar om nog even terug te komen op dat perspektief van zoëven: ik bedoel niet aan te sporen tot pogingen van opzettelijke toenadering tussen de twee kerken. Dat leidt er toch maar toe dat ouwe koeien uit de sloot worden gehaald en dat mensen hun eigen gewondheden gaan uitstallen. We moeten de nederigheid opbrengen om verliezers te zijn en de pijn van het verlies van elkaar ten volle uit te zitten, totdat de Here zelf ons geneest.
Ook hier geldt: "Zij gaven zich eerst aan de Here en pas vervolgens aan elkaar". Inderdaad, laat er aan beide zijden een wedijver zijn in het voorrang geven aan de Here en zijn Woord. Hij zal zeker niet nalaten dat te zegenen.
Ik wil nu nog één ding aansnijden. Meer dan in de tijd van de vrijmaking ontmoeten wij nu op het christelijke erf onze baptistische broeders en zusters, die zoals U weet nee zeggen tegen de kinderdoop, of tegen de zuigelingenbesprenkeling zoals wij zeggen.
Weet U wat hïin kommentaar op de vrijmaking is? Als volgt: dat komt er nu van als je kinderen doopt! Bij het dopen van een kind móet je de wedergeboorte wel veronderstellen.
En natuurlijk, dat geeft narigheid.
Bij een volwassene wéét je zijn wedergeboorte.
Dus wacht tot de volwassenheid met de doop!
Wat hiervan te zeggen? Zo'n reaktie laat niet na indruk te maken, natuurlijk.
Toch zeggen wij óók tegen onze baptistisch denkende medebroeders en -zusters: bouw de doop toch evenzeer niet op een gekonstatéérde wedergeboorte. Niet dus op een veronderstelde (bij een kind), maar ook niet op een gekonstateerde (bij een volwassene).
Bouw ook bij volwassenen de doop op Gods belofte!
Want, nietwaar, laat ieder dat eens bij zich zelf nagaan: ook als je jezelf kent als een wedergeborene (en denk erom, dat is niet verboden hoor, om jezelf zo te kennen!), dan zijn er toch genoeg momenten dat je aan jezelf twijfelt. En dat zijn toch juist de momenten waarop je je doop nodig hebt!
Want nog eens, de Here heeft de doop gegeven als een houvast voor het zwakke, wankele geloof. Het sakrament is een wandelstok of een looprek. Maar als de doop nu gebouwd is op jóuw beslissing, dan heb je bij twijfel toch niets aan je doop? Dan heb je het anker in het ruim van het schip gegooid in plaats van buitenboord. En ik ontken niet dat het daar binnenin het schip erg vast kan gaan zitten, maar het schip in de storm ontleent er toch geen vastheid aan.
Dus hebben wij als vrijgemaakten ook aan baptisten een boodschap. Wij schamen ons (ook) tegenover hen diep, dat het in de gereformeerde kerken juist op het punt van de doop aan de kinderen tot een breuk gekomen is. Toch zeggen wij: de oorzaak daarvan lag niet bij de kinderdoop. De kinderdoop predikt ons luid en klaar, dat de Here in ons leven de Eerste is. Hij gaat voorop. Daarop reagerend zeggen wij nog eens te meer: "Wij geven ons eerst aan de Here en vervolgens aan elkaar, en aan de anderen, álle anderen.”