Gedachtenwisseling over de aardsgezindheid (1)

1984-09-07
  • Jaargang 28
  • nummer 33
In het nummer van 27 juli 1984 van het blad Evangelisch Commentaar schreef de bekende dr A. A. Spijkerboer een voorpagina-artikel onder de titel' Aardsgezind?'. Hij reageerde daarmee op de lezing die ik in het voorjaar voor onze persvereniging hield en die daarna in ons blad is gepubliceerd.
Zoals het vraagteken al doet vermoeden levert dr S. kritiek op mijn typering van het geestelijke klimaat i'!l- christelijk Nederland als 'aardsgezindheid'. Vanwege het grote belang van het onderwerp wil ik de diskussie graag met hem aangaan.
Daartoe laat ik hem eerst in z'n geheel aan het woord.
Dat lijkt wel wat overbodig, maar op deze wijze wordt toch het duidelijkst tot waar dr S. kan meekomen en waar hij begint af te haken. Velen zullen hem daarin herkennen, vermoed ik.
H. de Jong

Aardsgezind?
Toen de gereformeerde synode haar uitspraak over de kruisraketten gedaan had zei drs H. de Jong, nederlands gereformeerd predikant te Amsterdam,: "Zij zijn aardsgezind". Laten we, voordat we boos op hem worden, eerst eens even kijken wat hij precies gezegd heeft. Dat staat namelijk te lezen in de nummers van 4,11, 18 en 25 mei 1984 van het blad Opbouw.
De Jong begint met te zeggen dat hij niet alleen met de beschuldigende vinger naar de gereformeerde synode wil wijzen. "Zij zijn aardsgezind" is een aanhaling uit de Bijbel (Phil. 3 : 19) en daarnaar moeten niet alleen synodaal gereformeerden maar ook nederlands gereformeerden luisteren.
Dan steekt hij van wal: er zit in de Bijbel een beweging van de aarde naar Christus toe. Neem bij voorbeeld Psalm 24: "Van de Heer is de aarde en haar volheid", jazeker, maar waar is de deur te vinden die toegang geeft tot de aarde en haar volheid?
Die deur is alleen te vinden in de tempel, op de berg Sion, en de berg Sion verwijst naar het verzoenende werk van Jezus Christus.
Wat De Jong de synode verwijt is dat ze bij de aarde blijft steken en de beweging naar Christus toe niet meemaakt.
Ook met andere gedeelten uit de Bijbel maakt De Jong duidelijk wat hij bedoelt. God heeft Israël uit Egypte geleid, en de theologie van de bevrijding raakt daarover niet uitgedacht, maar deze theologie blijft daarbij steken. Ze ziet niet dat de zonde de toekomst van het volk heeft geblokkeerd en dat God zijn volk op een dieper niveau opnieuw moet bevrijden. Lees bij voorbeeld in Micha 7: 18-19: "Wie is een God als Gij, die de ongerechtigheid vergeeft en de overtreding van het overblijfsel van zijn erfdeel voorbijgaat, die zijn toorn niet voor eeuwig behoudt maar een welbehagen heeft in goedertierenheid!
Hij zal Zich wederom over ons ontfermen, Hij zal onze ongerechtigheden vertreden. Ja, Gij zult onze zonden werpen in de diepten der zee." Het was dus niet genoeg dat de Egyptenaren met hun paarden en hun wagens verdronken in de zee, want ook de zonden van het volk moeten in de diepten van de zee gegooid worden. De Jong merkt mijns inziens zeer terecht op dat Mozes in het lied bij de Schelfzee uitroept: "Wie is als Gij, onder de goden, Here?" (Exodus 15 : 11): Micha grijpt met zijn: "Wie is een God als Gij?" terug op Mozes en laat zien dat God verder en dieper gaat dan bij de bevrijding uit Egypte.
Wat Micha zegt wordt vervuld door Jezus Christus: de Joden zeggen wel tegen Jezus: "Wij zijn van Abrahams geslacht en zijn nooit iemands slaven geweest; hoe zegt Gij dan: gij zult vrij worden. Jezus antwoordt: "voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, een ieder, die de zonde doet is een slaaf van de zonde: (... ) Wanneer dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult gij werkelijk vrij zijn." (Johannes 8 : 30-36).
Maar over de vrijheid die Jezus Christus geeft zwijgt de synode, volgens De Jong, in alle talen, en hij ziet achter haar uitspraak over de kruisraketten de gestalte van Dorothee Sölle opdoemen.
Zij heeft eens gepoogd de belijdenis van Nicea opnieuw onder woorden te brengen en is toen geëindigd met: "Ik geloof aan de toekomst van deze wereld die van God is." De Jong vindt dat een religieuze wijding van pure aardsgezindheid, en doet dan de volgende uitspraak die me karakteristiek voor hem lijkt: "Het is waar, deze wereld is ook van God, maar dat is des te erger voor haar. Daar kan helaas sinds de zondeval geen heil uit afgeleid worden. Integendeel, God zal de wereld oordelen. In het kruis hééft God al een definitief vonnis over haar geveld, namelijk dat ze voorbijgaat en vervangen wordt door de toekomende.
Daarom maakt de Heilige Geest ons van haar los."

Niet van de aarde los
Ik denk dat De Jong wel gelijk heeft wanneer hij zegt dat er in de Bijbel een beweging zit van de aarde naar Christus toe. Maar hij ziet die beweging verder gaan: naar de hemel toe, en ik ben bang dat dat voor De Jong eigenlijk betekent: de lucht in.
Of doe ik De Jong hiermee onrecht?
Hij zegt immers: " ... wie de aarde trouw wil blijven moet Christus trouw blijven en wie voor het leven wil kiezen moet voor Christus kiezen." Maar dat wie de áárde trouw wil blijven Christus trouw moet blijven speelt in de gedachtengang van De Jong eigenlijk geen rol, en je ontkomt niet aan de indruk dat voor hem de Heilige Geest ons niet alleen van de wereld maar ook van de aarde losmaakt.
Die indruk wordt bevestigd door wat hij zegt over "ons burgerschap in de hemelen" uit Philippenzen 3 : 20. Philippi was een Romeinse kolonie, waarin veteranen van het Romeinse leger van een (hopelijk!) wel verdiende rust genoten en die, midden in een Griekse omgeving, onder de wetten van de stad Rome leefde.
De Jong: "De mensen zeiden: ons burgerschap is in Rome.
Daarmee spraken ze uit waar ze met hun hart zaten. En dat kwam uit in hun hele manier van leven, en in het bijzonder in hun politieke belangstelling en voorkeur.
(... ) Welnu, in de hemel, waar Christus is, ligt ons thuisland en heel onze kijk op de wereld en op onze omgang met het leven is daardoor gekleurd." Ik meen dat De Jong hier de zaak scheef trekt: als die Romeinse veteranen echt met hun hart in Rome geze ten hadden waren ze er wel gaan wonen, maar ze woonden in Philippi en hadden daar alle voorrechten van de stad Rome.
Wanneer Paulus dan tegen de Philippenzen zegt dat "ons burgerschap in de hemelen" is, zegt hij hun dat ze het voorrecht hebben om onder de rechtspraak van Jezus Christus te leven. Dat voorrecht hebben ze op de aarde, en op de aarde verwachten ze Jezus Christus als Verlosser.

Tekenen
In de gedachtengang van De Jong trekt alles naar de hemel.
Hij zegt wel dat hij geen verdamping van het heil wil, en dat hij geestelijk over het heil wil spreken, maar nog eens: je ontkomt niet aan de indruk dat het heil in zijn gedachtengang wel verdampt.
Als het allemaal zo was als De Jong het voorstelt, is het niet te begrijpen waarom in de evangeliën verteld wordt dat Jezus mensen die honger hebben brood geeft, dat Hij blinden weer ziende maakt, dat Hij lammen op de been helpt en een enkele keer ook doden opwekt. Laten we het verhaal van het dochtertje van Jaïrus in Lucas 8 : 40-56 eens lezen.
Jaïrus weet zich geen raad, omdat zijn enige dochter, twaalf jaar oud, op sterven ligt en roept Jezus. Omdat Jezus opgehouden wordt komt hij pas het huis van Jaïrus binnen wanneer het kind gestorven is. Als alles zo was als De Jong het voorstelt had Jezus nooit gedaan wat Hij wèl doet: Hij gaat naar binnen, vat het kind bij de hand, en zegt: "Kind, sta op!" Dan komt haar geest in haar terug, ze staat op en Jezus zegt dat men haar te eten moet geven. Het dochtertje van Jaïrus heeft toen geen geestelijke, maar aardse boterhammen gegeten.
Zeker, de wonderen van Jezus zijn tekenen van de komende wereld, maar Jezus richt ze wel op midden in de wereld waarvan De Jong met Paulus zegt dat ze vergaat. Kan het dan ook niet voorkomen dat een synode door over oorlog en vrede te spreken midden in deze onverloste wereld een teken moet oprichten van de wereld die komt? Waarom acht De Jong het uitgesloten dat de hervormde en de gereformeerde synodes, en de Raad van Kerken dat bedoeld hebben? De Jong zegt: "Het is waar, deze wereld is ook van God, maar dat is des te erger voor haar." Ik meen dat je moet zeggen: "Deze wereld is van God, en daarin ligt haar enige kans. Dat moet de kerk haar dan ook zeggen."

Onversneden wijn
De Jong zal mij niet horen zeggen dat het in de kerkelijke vredesactiviteiten alles goud is wat er blinkt. Een alles verzengend moralisme, waar ook de taaiste grasspriet nog aan bezwijkt, bij decreet vaststellen wat je medemensen te doen en te laten hebben, op elkaar loeren om te zien of iemand niet van het rechte pad afwijkt - bij hun actie voor de vrede hebben de kerken wel de slechtste eigenschappen van Nederlandse protestanten weten te mobiliseren. Ik heb wel eens eerder in ons blad geschreven dat ik dit alles in verband breng met vervreemding van het getuigenis van de Reformatie. Daarom lees ik De Jong graag en daarom houd ik van de onversneden gereformeerde wijn die hij op tafel wil zetten.
Maar die wijn is niet helemaal onversneden: er zit iets in waardoor hij verdampt. De Jong vindt niet dat de kerk zich helemaal niets van oorlog en vrede aan moet trekken en noemt een drietal punten. Ik besluit dit artikel met deze punten van De Jong en geef daar mijn commentaar bij:

1. De kerk moet op de angsten van de mensen ingaan, en zeggen dat niets ons zal scheiden van de liefde van Christus, ook geen atoomgeweld.
- Dat moet de kerk inderdaad doen, en juist omdat niets ons zal scheiden van de liefde van Christus zullen we doen wat in ons vermogen ligt om een oorlog te voorkomen.

2. Gods heilsplan gaat door en we mogen weten dat alles, ook de dreiging van nu, moet meewerken ten goede van hen die naar Gods voornemen geroepen zijn. - Dat is een hoog woord, maar je mag het wel fluisteren.

3. Een synode moet de kerken en de gelovigen opwekken om voor de overheid te bidden. - Dat is waar, en menigeen is dat vergeten. Maar het gebed voor de overheid breng voor de bidders dan wel zakelijke (geen zwammerige en zweverige) politieke arbeid met zich mee.

A.A. Spijkerboer

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief