Uit de pastorale praktijk (1)

1985-10-11
  • Jaargang 29
  • nummer 39
Uiteraard kunnen wij slechts enkele facetten van de pastorale praktijk belichten. Voorts ben ik van mening, dat het pastoraat begint bij de kansel. De herder en leraar - ja, de predikant op de preekstoel is ook dán beide opent daar het Woord van zijn Zender, legt het uit en biedt pastorale troost aan de kudde van Christus terwijl hij niet vergeet, dat ook de vermaning daarin een essentiële plaats heeft.
Maar als wij nader willen ingaanen uitgaan van de pastorale praktijk, denken wij daarbij in doorsnee aan wat de dominee wekelijks van maandag tot zaterdag doet in de gemeente.

Menselijk blijven
We beginnen maar bij het ziekenbezoek. Dat is een opdracht, die de predikant 'heeft te vervullen.
hoewel ik er direct aan toevoeg, dat 'het niet een taak is, die uitsluitend op de schouders van de predikant rust. De andere ouderlingen hebben daarin óók een bepaalde functie, ja, de gemeente als zodanig zal naar vermogen de betrokkenheid op het zieke gemeentelid hebben te beleven.
Maar als we nader in willen gaan op wat de dienaar van het Woord i.c. heeft 'te doen kunnen we noteren, dat hij de mensen, die ziek zijn, mag bijstaan door met hen een geestelijk gesprek op gang te brengen. Ik zeg tegelijkertijd, dat hij dat niet in eigen hand heeft. En ik bedoel daar dan niet mee, dat God uiteraard door Zijn Woord en Heilige Geest de zieke op een dergelijk gesprek moet prepareren. Het gaat er mij nu om te accentueren, dat je als dominee kunt proberen een dergelijk pastoraal gesprek van de grond te krijgen.
Maar je moet maar afwachten of het lukken zal. De omstandigheden kunnen ernaar zijn, dat het gesprek stokt. De karakterstructuur van de patiënt heeft een eigen inbreng. Sommige broeders en zusters zijn erg gesloten. In ieder geval zal de pastor de zieke kinderen van God mogen en moeten wijzen op de troostvolle beloften van het evangelie. Het kan ook nodig zijn de ander te corrigeren In zijn gedachten over het ziek zijn. We dienen echter in onze benadering van de medemens menselijk te blijven. Dat geldt ook voor het pastoraat aan het ziekbed. Je kunt niet met een waarschuwende vinger je gesprek inleiden en ook niet meteen maar de Bijbel uit je zak halen om alvast het te lezen Schriftgedeelte op te zoeken. We dienen rondom het ziekbed rust en vrede te scheppen! Dan ontstaat er de sfeer waarin het gesprek kan opbloeien. Natuurlijk vraag je eerst hoe het met degene die je bezoekt, gaat. Heeft hij veel pijn, moet hij veel medicijnen slikken, hoe wordt hij therapeutisch begeleid? Wat is er eigenlijk aan de hand? Dat is de inzet van het gesprek. Hoewel we uiteraard niet al te nieuwsgierig moeten zijn en niet naar allerlei details moeten gaan vissen. Maar het kan aanvankelijk gaan over gewone huis-, tuin- en keukenzaken. Eten en drinken en slapen al of niet is voor, een ziek mens thuis of in het ziekenhuis een belangrijke aangelegenheid, We mogen daar nooit achteloos aan voorbijgaan. Nooit doen alsof pastores alleen maar voor het zielenheil van de mens ,,ingehuurd"
zijn terwijl men de rest volledig aan [de heren medici overlaat. Er is geen strikte scheiding van terreinen in dat opzicht. Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus wijst ons in de eerste vraag en het eerste antwoord ook heel duidelijk in die richting. Het lichaam staat zelfs voorop!
We mogen naar lichaam en ziel Christus toebehoren in leven en sterven.

Zonde en Genade
Toch zullen wij er in het gesprek op moeten letten of het gemeentelid, dat wij bezoeken, iets laat zien van de binnenkant van zijn leven. We moeten daarbij erop berekend zijn, dat de mensen in hun ziek zijn vaak meer met vragen dan met antwoorden moeten gaan leven. Dat kan zelfs uitgroeien tot een hevige worsteling waarlijk felle lichamelijke pijnen debet kunnen zijn. Ieder, die serieus met de HERE leeft, is zich bewust van zijn zondige aard, Hij weet, dat in hemzelf als natuurlijk mens geen 'goed 'Woont. Dat maakt deel U!k van zijn praktische instemming met het woord van Paulus aan de Romeinen (Rom. 7: 18). Hij tast in zijn ziekte de nasleep van de zonde in het algemeen zoals de mensheid daarvan de lasten draagt.
Het lis hem tevens tot schuld geworden voor zijn God. Maar het kan gebeuren, dat men daarin blijft steken en we lom verschillende redenen. De oorzaak kan liggen -in het feit, dat men van huis uit niet geleerd heeft vrijmoedig de hand te leggen' op Gods rijke Verbondsbeloften en geen ervaring heeft van het effect van het allesreinigend bloed van Christus. Het kan ook zijn, dat een bepaalde onbeleden zonde in die ziekteperiode aan die lijdende medemens knaagt. De pastor dient naar vermogen door te dringen naar de achtergronden van iemands leven. Dat verklaart niet valles, maar wel veel, En' daardoor voorkom je, dat je een onjuiste diagnose stelt waardoor de therapie de mist ingaat. Dat zal bij iemand, die langdurig ziek is, niet allemaal in het kader van één bezoek kunnen gebeuren. 'Je moet het per bezoek langzamerhand opbouwen. Het komt er wél op aan het zgn. psychologische moment 'te onderkennen te benutten nadat je in de contactoefening naar dat moment hebt toegewerkt. We zullen vooral als pastores lankmoedigheid moeren leren. Dat is een uiting van liefde en het behoort allemaal tot de vrucht (enkelvoud) van de Geest (zie Galaten 5 : 22).

Het kan duidelijk zijn, dat we iemand niet moeten overvragen door in het tijdsbestek van een uur bijv. alles boven tafel te willen halen. In de eerste plaats is - de zieke- weerloos. Hij ligt op bed of zit in de stoel, voelt zich niet flink en fit, heeft minder weerstand en mag nooit het idee krijgen, dat hij slachtoffer gemaakt wordt van de fervente pogingen van de dominee 'Om eens even orde op zaken te stellen.
Je loopt 'trouwens de kans, dat de persoon, die je benadert, van meet af dichtslaat en het vertrouwen in je finaal verliest. Dat vertrouwen dient men juist te kweken door een stukje pastoraat, dat doortrokken is van de hartverwarmende genegenheid van de grote Pastor, die boven is, Jezus, Christus! Het is immers met het oog op Hém, zijn kerk en rijk, dat men de medemens, het lid van de gemeente aanspreekt.
Anders verwordt het contact tot een gemoedelijk praatje met een religieus tintje. Er is dan bij het bezoek geen onderscheid meer tussen de ongelovige buurman, die zijn belangstelling toont en de pastor. Het gesprek beweegt zich op gelijk niveau. Alleen die pastor weet er aan het slot behendig een geestelijke draai aan te geven en gaat misschien vergenoegd naar huis, omdat hij heeft laten zien wat het allesbepalende pluspunt van zijn benadering is. De aandacht dient in het pastoraal bezoek gespitst te worden op de genadeverkondiging. Dan leert de patiënt in het geloof door de horizon heenkijken om zo te zeggen. Dan heeft zijn, leven perspectief ook al voelt hij de afbraak van zijn lichamelijke krachten en ervaart hij, dat de ene pin na de andere van zijn aardse tent uit de grond wordt getrokken.

Toekomstverwachting
Daarmee hangt de toekomstverwachting samen. Zoals in de zondagse prediking de genade nooit select aan de orde mag komen, maar altijd in verband met de zonde de beheersende plaats krijgt, zo mag ook nimmer de genade verkondigd worden zonder dat de toekomstverwachting van de kinderen van God wordt gestimuleerd. Je zou bijna zeggen: Eén en ander behoort bij het totaalpakket van het christelijk geloven. Als Johannes de Doper vanuit de gevangenis aan de Heiland laat vragen: "Zijt Gij liet, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten?" antwoordt Jezus met: "Gaat heen en boodschapt Johannes wat gij hoort en ziet: blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het evangelie" (zie Mattheüs 11 : 1-5). Er is op gewezen, :dat Jezus hier in een eigen volgorde de hoofdstukken 29, 35, 42 en 61 van de profetie van Jesaja gebruikt. Ds P. Visser (op 8 juni 1985 overleden) heeft hierover ,in zijn laatste boek, getiteld: HEILSHISTORIE - opstellen over historische stof van het Nieuwe Testament - lenige opmerkingen gemaakt. Maar daarbij heeft hij het gelukkig niet gelaten. Hij heeft 'Ons voorts laten zien wat de diepgang ,is van de Jesajaanse profetie via de vervulling in de dagen van de hoogste Profeet en Leraar; Jezus Christus, en. met het oog op de volkomenheid van het rijk van God, We citeren: "Maar, zult gij vragen, waarom heeft de Here Jezus dan opzettelijk de volgorde bij Jesaja voor zijn antwoord aan Johannes veranderd? Ik kan het u niet met zekerheid zeggen, want de Heilige Schrift zegt ons daarover niets. Alleen het feit ligt vast. Maar ik heb wel een vermoeden.
Let maar eens op de volgorde der feiten. Daarin zit een opbouw naar het wereldwijde werk van zijn, verlossing. Blinden worden ziende: de huiskamer komt weer tot leven. Lammen wandelen: de ongelukkige kan weer :de straat op. Melaatsen worden gereinigd: de gemeenschap wordt weer hersteld en men moet, maar mag ook weer naar priester en tempel. Doven horen: ze kunnen het woord, maar vooral het Woord weer verstaan. Dat was wat in een tijd, dat er geen boeken waren en alle contact 'en 'onderricht alleen maar mondeling geschieden kon. Maar het is nog niet op. Doden worden opgewekt: het aardse leven is het volle leven niet, daar ligt nog heel veel achter. In het Messiaanse rijk zullen aan de mens alle belemmeringen ontnomen worden. Hij zal weer staan in de volle luister van het leven. In volle luister? Neen, zeker niet. Want welke moeiten en belemmeringen ook de mens ontnomen zijn, één moeite is hem nog gebleven en die ene moeite is zéér groot. En dat maakt alles wat de mens in het Messiaanse rijk herschonken is, volkomen waardeloos. Want de mens is arm gebleven omen door zijn zonde. Daarom grijpt Messias Jezus voor het Iaatst majesteitelijk naar de boekrol van Jesaja, .nu naar hoofdstuk 42 en zegt: armen ontvangen het evangelie. Dat is het verlossend hoogtepunt, voor altijd en eeuwig.
Voor eeuwig gered zijn allen, die aan deze Verlosser-Chrisrus geen aanstoot nemen, maar hun hart open zetten voor Hem. Amen, kom Here Jezus! De genade van de Here Jezus zij met állen, Openbaring 22: 20 v." (a.w. pag. 34).

We mogen ons laven aan dit schriftelijk getuigenis! Het bevestige ons in de hoop, die niet beschaamd maakt. (zie Romeinen 5 : 1-11).

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief