Waarover praten zij?

1985-10-11
  • Jaargang 29
  • nummer 39
Aan de oproep die voorzitter J. Meulink aan het begin van de zevende zitting met enige nadruk deed, namelijk om tot een afsluiting te komen over de 'kwestie Zwolle', heeft de Landelijke Vergadering op 5 oktober in Enschede niet kunnen voldoen. Een rapport van het moderamen, waarin enerzijds een beoordeling wordt gegeven van bezwaren die door de kerkenraad van Zwolle waren ingebracht tegen uitspraken van de regio Enschede/Zwolle over de problematiek en anderzijds de balans wordt opgemaakt van de gebeurtenissen die hebben geleid tot een tweedeling in de Nederlands Gereformeerde Kerk aldaar, stuitte op veel kritiek.

In enkele gevallen waren de bezwaren tegen het rapport van zulke fundamentele aard, dat het moderamen besloot de bespreking aan te houden tot de achtste zitting van 16 november a.s, Tot het eind van de maand oktober worden de afgevaardigden in de gelegenheid gesteldamendementen of nieuwe voorstellen in te dienen. Die zullen, samen met het rapport en een eerder verschenen rapport van een speciaal ingestelde commissie, in bespreking worden gegeven. Het is de bedoeling om dan alles in stemming te brengen. De regio Enschede/Zwolle stemt dan niet mee omdat er sprake is van een beoordeling over uitspreken die zij over de zaak gedaan heeft. Met name voor ds J. Bouma was het een teleurstelling dat de vergadering niet als één man achter het rapport van het moderamen wilde gaan staan. Hij prees met name de zorgvuldige overwegingen van het .moderamen. "De broeders hebben geduldig willen luisteren. Het is een wijs en evenwichtig stuik waar betrokkenen hun voordeel mee kunnen doen. Het biedt meer dan voldoende opening naar een christelijke weg van verzoening. Het schept ruimte voor schuldbelijdenis. Ik vind het meer een pastorale handreiking lijken. Het stuk ademt een geest die het hart aanspreekt".
Met die woorden doelde de predikant vooral op het tweede gedeelte van het rapport waarin de balans wordt opgemaakt. Een oordeel over de schuldvraag wordt daarin niet gegeven, Sterk wordt geappelleerd op de plicht dat men van beide zijden komt tot een bekentenis van eigen fouten. De weg van verzoening Wordt aangegeven als de enige mogelijkheid om tot een oplossing te komen, Fundamentele kritiek tegen een aantal overwegingen 'in het Iijvige rapport kwam vooral van br. J. F. Arends van de regio Enschede/ Zwolle. Hij miste in het rapport een antwoord op wat volgens hem in de problemen in Zwolle de kernvraag is: Mag een ambtsdrager altijd met een beroep op de verantwoordelijkheid die hij voor zijn ambt heeft gekregen, het lichaam van Christus scheuren? Br. Arends: “Dát is het wezenlijke en daarop moeten we als landelijke vergadering een antwoord geven.” Dat antwoord moet naar de overtuiging van Arends een volmondig “nee” zijn. Slechts één uitzondering accepteert hij als geldig argument voor het zich losmaken van een kerkenraad: het Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen. En omdat het conflict in Zwolle volgens Arends en ook volgens het rapport niet gaat om ware of valse leer, móet de landelijke vergadering “nee” zeggen tegen te vijf broeders in Zwolle die zich met het beleid van de kerkenraad niet konden verenigen en een aparte gemeente in het leven riepen. Dat “nee” wil het moderamen in het rapport evenwel niet uitspreken. Enerzijds omdat er niet gesproken kan worden van een schuldige en onschuldige. Anderzijds omdat het moderamen de beslissing van de vijf ambtsdragers in die zin wil respecteren, dat zij die hebben genomen met een beroep op hun ambt dat zij van Christus hebben gekregen en dat zij onder de kerkenraad niet naar overtuiging kunnen uitoefenen. Ds. H. Smit, die de besprekingen over de kwestie Zwolle leidde, was het dan ook niet eens met de stelling van Arends, dat een ambtsdrager niet de bevoegdheid heeft om besluiten van een meerderheid in de kerkenraad naast zich neer te leggen. “Als hij desalniettemin het voor zich als onrecht ervaart dat hij geen ruimte krijgt om zijn ambt naar eer en geweten uit te oefenen, zal hij dat onrecht geduldig moeten verdragen”, aldus Arends. Ds. Smit bracht daar het volgende tegenin. Hij waarschuwde voor het verabsoluteren van de regel dat de beslissing van de meerderheid in een kerkenraad doorslaggevend is. "Het is een bruikbare regel, maar, kan nooit een afdoend argument zijn om de stap van deze vijf broeders te veroordelen".
Bovendien vond ds Smit dat Arends de vijf tekort doet door te stellen dat ze maar 'onrecht' moesten lijden. "Het gaat er juist om dat zij geen onrecht wilden doen, dáárom hebben ze hun stap genomen." De discussies, waaraan door een groot aantal afgevaardigden werd deelgenomen, draalden voor een gedeelte over de vraag of de' stap van de vijf broeders in .Zwolle als onschriftuurlijk moet worden aangemerkt. De meningen daarover waren sterk verdeeld. Ook heerste er geen eenstemmigheid over de vraag in hoeverre een landelijke vergadering zich mag en moet uitspreken over de kwestie. En ook over de toepassing van meerderheids-minderheidsregel waren de afgevaardigden het niet eens. Van diverse zijden werd gepleit voor het instellen van een commissie van goede diensten om de beide Zwolse kerken te begeleiden op hun weg naar verzoening. Ds. O. Mooiweer kwam zelfs met de suggestie om de Christelijk Gereformeerde hoogleraar prof. W. van ’t Spijker aan die commissie toe te voegen, maar zijn voorstel vond bij niemand weerklank. Ds. H. Smit bracht naar voren dat het moderamen er op dit moment niet voor voelt om een commissie van goede diensten in te stellen. “Dan zouden we op z’n minst de toestemming van beide gemeenten moeten hebben. Geen van beide gemeenten hebben er bovendien om gevraagd. Uiteraard willen we wel waar het kan behulpzaam zijn.” Het voorstel van br. Arends om het rapport uit te breiden met een verhandeling over het door hem aangedragen vraagstuk, wilde het moderamen niet overnemen. “Ik zie dit als een nieuw voorstel”, stelde ds. Smit.
Enkele financiële zaken over de vijfde zitting passeerden daarna de revue. Vervolgens werd een schrijven van een initiatiefgroep, waarin verzocht wordt deel te nemen in een samenwerkingsverband van kerken voor evangelisatie in Oost-Vlaanderen, voor kennisgeving aangenomen. Een voorstel van de regio Enschede/Zwolle om een landelijk deputaatschap in te stellen voor financiële steun aan hulpbehoevende kerken, strandde met 18 tegen 17 stemmen. De instelling van zo'n orgaan - wat in de vergadering al bestempeld werd als een "diaconaatgeneraal" stuitte op veel bezwaren. Ds G. van Atten vreesde voor een “topzwaar" orgaan, ds G. v. Keulen zag de voordelen niet erg zitten en legde met name de vinger bij onnodige kosten die zo'n deputaatschap met zich zouden meebrengen. Bedoeling van de initiatiefnemers was, dat er een centraal punt komt waarop noodlijdende kerken een beroep kunnen doen in geval van financiële nood, vooral als andere kerken in de regio niet honderd procent kunnen bijspringen.
Ds C. Bakker, die het voorstel met verve verdedigde, maakte duidelijk dat het instellen van een landelijk, deputaatschap voorkomt dat de kerken afzonderlijk tot een eigen beoordeling van een concrete steunaanvraag moeten komen en dat ze daartoe detailinformatie van de steunvragende kerken moeten opvragen. Ook wordt volgens hem een eerlijker verdeling van lasten mogelijk: voorkomen wordt dat de ene kerk van verschillende regio's steun ontvangt terwijl de andere tevergeefs om steun aanklopt.
Tenslotte had de vergadering een gewijzigd voorstel van de commissie voor kerkelijke onderzoeken te behandelen, maar toen was het al gauw half vijf, het tijdstip waarop de zitting ten einde zou zijn. Bovendien kwamen al in de eerste ronde veel vragen en kritische opmerkingen naar voren, die ook op eerdere, bijeenkomsten van de vergadering werden geuit. Ds K. Muller betreurde het dat in het nieuwe voorstel het accent verschoven is waardoor in zijn ogen de nadruk veel te veel op het toelatingsonderzoek voor een aanstaande predikant is komen te liggen. Hij bracht een voorstel in stemming om het hoofdaccent bij de kerkelijke examens te leggen op het zogenaamd afsluitend onderzoek. Het werd met 16 stemmen tegen verworpen; er waren vier onthoudingen.
Op 16 november wordt de bespreking over het onderwerp voortgezet. De afgevaardigden krijgen de gelegenheid om amendementen in te dienen waarover dan gestemd zal worden. Meulink sloot de zevende zitting af met de opmerking dat hij bij elke discussie heeft gemerkt dat de broeders zoveel mogelijk tot elkaar proberen te komen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief