Eerst horen, dan zien
1985-10-18
De vraag die Geertserna in zijn rede aan de orde stelde was: moet ons kennen opgevat worden als een zien of als een horen? Het betreft hier uiteraard beelden, metaforen, maar dat maakt de keuze niet minder ingrijpend. Geertserna begon met een stukje geschiedenis. In de traditie van de westerse filosofie is het kennen veelal opgevat in termen van zien. Bij de Griekse denker Plato is echt kennen het inzicht van het verstand. Het is een zien van vastomlijnde, definieerbare vormen. De dingen in de werkelijkheid worden bepaald door vaste vormen en in het verstand kunnen die vormen weerspiegeld worden.- Jaargang 29
- nummer 40
Op die manier is volgens Plato overeenstemming tussen denken en werkelijkheid mogelijk.
Op de benadering van Plato is in onze tijd veel kritiek gekomen. Kan ons verstand wel vaste vormen weerspiegelen? Is het niet veeleer zo dat ons kennen van de dingen mede bepaald wordt door sociale achtergrond, opvoeding, belangstelling e.d.? Mensen kijken altijd door een gekleurde bril. Daarmee ontvalt de basis aan. Plato's leer. Maar dan komt direct de vraag op: is de waarheid steeds anders? Waar blijft de waarheid als mensen niet tot hetzelfde inzicht kunnen komen?
Horen
Na' op de problemen gewezen te hebben die de metafoor van het zien met zich brengt, stond Geertserna uitvoerig stil bij de metafoor van het horen. Is die niet veel beter? Doe je daarmee het menselijk kennen niet meer recht dan met de metafoor van het zien? Uitgaande van het voorbeeld van het bevel verlaat zo snel mogelijk dit gebouw' maakt Geertserna duidelijk dat het gehoor geven aan een bevel op vele manieren kan plaatsvinden. Ieder bevindt zich op' een andere plaats en moet het gebouw dus wel OP eigen bijzondere wijze verlaten. Er is niet één vaste, vorm die bij het bevel past. Kennen als horen is niet in strijd met een individuele invulling. Kennen als zien daarentegen laat voor die eigen invulling geen ruimte. Alleen de algemene vaste vorm, een vorm die in alle unieke gevallen dezelfde is, is hier van belang.
Zijn als antwoord-zijn
De metafoor van het horen paste Geertserna toe zowel OP het kennen als op de werkelijkheid, zelf. De dingen zijn het gevolg van een bevel dat tevens een belofte is. Door een belofte-bevel komen ze tot bestaan. Deze gedachte doortrekkend kan men zeggen dat het bestaan van de dingen antwoord is, resultaat van horen.
Uitgaande van de metafoor van
het zien zijn de dingen in de eerste plaats vast en statisch. Verandering past er niet bij. De metafoor van het horen laat ruimte voor een dynamisch en open bestaan: in andere omstandigheden is het antwoord anders.
Wat betekent dit nu voor het menselijk kennen? Volgens Geertserna kunnen we het kennen opvatten als horen door in het bestaan van de dingen een vraag om erkenning te horen. Kennen als horen is het 'nemen van de dingen zoals ze zijn. De mens van wie het kennen uitgaat is zelf ook antwoord op een belofte-bevel. Zijn kennen maakt deel uit van zijn bestaan als antwoord.
Dat maakt het weer mogelijk de ontwikkeling en verandering in het kennen een plaats te geven. Het is geen weerspiegeling van een vaste vorm. Het laatste houdt echter niet in dat het vaste van de waarheid, waar het Plato om te doen was; n11geheel verloren gaat. Het belofte-bevel is vast en betrouwbaar. Deze betrouwbaarheid wordt niet tekort gedaan door de openheid die gegeven is met de betrokkenheid op bijzondere omstandigheden.
De achtergrond van het geloof
Als motto voor zijn rede koos Geertserna de zinspreuk van de universiteit van Groningen: het woord van de Heer is een lamp voor onze voeten. Gezien dat motto verraste het niet dat Geertserna zei de metafoor van het horen ontleend te hebben aan het bijbelse spreken van de schepping door het woord. Het belofte-bevel tot bestaan gaat uit van God; Maar dat betekent met dat de gedachte van het kennen als horen direct uit het bijbelse scheppingsgeloof volgt. De woorden van de spreker vrij interpreterend: het licht van de lamp is niet hetzelfde als het verlichte pad. De metafoor van het horen is in de eerste plaats bedoeld om inzicht te geven in het menselijk kennen en ervaren. Ze moet daarom beoordeeld worden op haar filosofische vruchtbaarheid, al kan het geloof daarbij niet buiten beschouwing blijven. Maar als de metafoor nauw verbonden is met het horen naar de bijbelse woorden, is ze dan wel bruikbaar in de filosofie? Is het niet zo dat de filosofie vrij wil zijn van alle religieuze banden? Geertserna wees erop dat waar filosofie zelfstandig wil zijn zij sterk gebonden blijkt aan de metafoor van het zien. Dat betekent dat aan het wetenschappelijk denken een overheersende plaats wordt toegekend. De werkelijkheid wordt vastgelegd in de wetenschappelijk gekende vorm.
Tegenover deze keuze voor een zelfstandige filosofie en de daarbij passende metafoor van het zien stelde Geertserna dat aan het wetenschappelijk denken wel een belangrijke plaats toekomt maar niet de eerste. 'Wij hebben de metafoor van het horen nodig om -het meest essentiële over de werkelijkheid en het kennen daarn uit te spreken'. Aan het eind van de rede dacht ik: ik heb het gehoord, nu begeer ik het ook te zien (te lezen). Zo zwaar was het wel.