Gedachtenwisseling over de aardsgezindheid (2)

1984-09-14
  • Jaargang 28
  • nummer 34

Geestverwant
De kritiek van dr Spijkerboer heeft mij gestimuleerd om alles wat ik op de Opbouw-vergadering gezegd heb nog eens rustig te overdenken.
Ik voel me door zijn bestrijding niet weerlegd. Wel heeft hij in mijn ogen zijn bezwaren als extra bosjes gras aan de staart van mijn vlieger geknoopt om die voor duikelen te behoeden. Met andere woorden: hij dwingt mij hetzelfde nog eens anders en misschien wel beter re zeggen. Erkentelijk ben ik hem dat hij de lange oudtestamentische 'aanloop' die ik voor mijn 'sprong' nam, zo uitstekend heeft samengevat en aan zijn lezerskring heeft doorgegeven, zoals ik ook blij ben met zijn instemming op dat punt. Mijn indruk is echter dat hij het nauwkeurig lezen van wat ik schreef niet helemaal tot het einde toe heeft volgehouden. Maar het kan ook zijn dat hij daarin door onduidelijkheid van mijn kant gehinderd werd. Hoe dat ook zij, in ieder geval is het voor mij zeer duidelijk geworden dat ik met een geestverwant diskussiëer.

Boos of verbaasd?
Laat ik dit laatste illustreren aan de hand van een kleinigheid. Dr S. namelijk rekent met de mogelijkheid dat er mensen zijn die boos worden om mijn verwijt van aardsgezindheid. Dat laat zien dat hij in het bezit is van een theologisch geweten dat bijbels in takt is. Kennelijk is hij - net als ik - van mening dat we niet aardsgezind mogen zijn, en wel omdat de bijbel dat zegt. Wat mij nu evenwel verontrust is het feit dat veel kerkmensen zo heel anders reageren als je tegen ze zegt dat ze aardsgezind zijn; dat ze je namelijk niet begrijpend aankijken en vragen: "Wat is daar nu fout aan?". Wij lijken het stadium voorbij dat de Schrift in het weten en in het geweten van de mensen aanwezig is. Ik schrijf dat toe aan de abominale catechese van de laatste twintig jaar. De mensen hebben niet meer schriftuurlijk leren denken.
Daarom komt mijn diagnose van 'aardsgezindheid' als verwijt bij hen niet meer over. "Aardsgezindheid?
Dat is toch juist goed? Dan ben je toch vóór het milieu en zo?" In plaats van boos is men verbaasd.

Ten hemel gevaren
Maar laten we eens gaan kijken naar de inhoudelijke moeite die dr S. met mijn uiteenzettingen heeft. Hij schrijft: "Ik denk dat De Jong wel gelijk heeft wanneer hij zegt dat er in de Bijbel een beweging zit van de aarde naar Christus toe. Maar hij ziet die beweging verder gaan: naar de hemel toe, en ik ben bang dat dat voor De Jong eigenlijk betekent: de lucht in. Of doe ik De Jong hiermee onrecht?" Inderdaad is hier geen recht gedaan aan mijn bedoeling. Ik voorzag dit misverstand wel en daarom schreef ik: "Zo zien we voortaan voor de aarde en haar volheid op tot de Christus. Dat is geen vertikalisme, maar een naogen van Christus die inderdaad naar Boven is vertrokken, maar om vandaar weer terug te keren. De vertikaal in ons geloof is tijdelijk en bijkomstig. Christus is ons punt van oriëntatie". Als dr S. het werkelijk met mij eens is dat er in de Bijbel een beweging zit van de aarde" naar Christus toe, dan zal ook hij er zich toch rekenschap van moeten geven dat we op het ogenblik met de ten hemel gevaren Christus te maken hebben. Ook hij ontkomt er dus niet aan om sinds de Hemelvaart van Christus opwaarts te zien.
Maar het probleem van dr S. zal wel zijn dat hij niet weet wat hij er mee aan moet als ik zeg dat Christus de aarde en haar volheid naar de hemel heeft meegenomen.
En ik moet toegeven dat dat een niet gemakkelijk te voltrekken gedachte is. De aarde met haar volheid is toch hier?

Vanuit Christus
En toch stap ik van die moeilijk te voltrekken gedachte niet af.
Wel beschouw ik de vragen van dr S. als een uitdaging aan mij om haar nog verder door te denken en haar zo (ook voor mijzelf) nog meer toegankelijk te maken. Ik denk daarbij aan. de Christus-hymne in de brief aan de Colossenzen (1 : 15-20). Paulus zegt daar dat Christus de eerstgeborene is der ganse schepping, "want in Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; en Hij is vóór alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem ... " Het eigenaardige in deze woorden is dat het bestand der schepping aan de Christus onderworpen is. Wij plaatsen het werk en de gang van Christus tegen de achtergrond van het (buiten Hem om toch al) vaste bestand van hemel en aarde. In die voorstelling moet Christus de aarde en haar volheid natuurlijk achterlaten bij zijn hemelvaart. Zijn invloed daarop vanuit de hemel kan dan ook alleen nog maar een 'geestelijke' zijn. Ook dr S. versmalt haar m.i. tot iets 'geestelijks' als hij schrijft: "Wanneer Paulus tegen de Filippenzen zegt dat 'ons burgèrschap in de hemelen' is, zegt hij hun dat ze het voorrecht hebben om onder de rechtspraak (kursief van mij) van Jezus Christus te leven. Dat voorrecht hebben ze op de aarde, en op de aarde verwachten ze Jezus Christus als Verlosser". Maar is dit inderdaad niet te 'geestelijk'?
Wel niet verdampt, maar toch wel verdund? Komen we niet tot een betere geloofsvoorstelling als we doordenken op de lijn dat Christus lichamelijk ten hemel gevaren is? De Heidelbergse Catechismus - waarop dr Spijkerboer altijd zo fijn aanspreekbaar is - zegt in antwoord 49 dat wij sinds de hemelvaart van Christus ons vlees tot een zeker pand in de hemel hebben. Een pand waarvan? Toch ook hiervan dat geheel ons aardse leven met al z'n toebehoren onder de direkte zeggenschap en verantwoordelijkheid van Jezus Christus valt.
Alle dingen hebben immers hun bestaan in Hem. Niet moeten wij Christus plaatsen in de bestaande werkelijkheid van hemel en aarde, maar wij moeten deze scheppingswerkelijkheid benaderen vanuit Christus.

De praktijk
Maar wat levert deze visie voor de praktijk nu op? Want het mag bij deze dingen toch niet om een vrijblijvende denk-luxe gaan.
Laat ik dan om de konsekwenties hieruit voor onze dagelijkse levenspraktijk te verduidelijken grijpen naar een extreem voorbeeld dat we aan Jezus zelf te danken hebben. Eens stond Hij op het tempelplein te kijken naar de voorbijgangers die hun gaven wierpen in de offerkist. Daar kwam een arme weduwe aan die er twee 'halfjes' ter waarde van een 'cent' in deed. Eigenaardig!
'Vat had er meer voor de hand gelegen dan dat ze het ene muntje van de twee die ze bij zich had, afgegeven en het andere voor zichzelf gehouden had! Ik bedoel: ze was niet gedwongen om haar hele bezit te offeren vanwege het feit (bijvoorbeeld) dat ze niet kon wisselen, zoals wij wel eens tegen onze bedoeling een tientje geven omdat we geen twee vijfjes bij ons hebben. Het geven van die twee muntjes onderstreept dus het radikale in het doen van die vrouw. Jezus zegt letterlijk dat ze haar 'hele leven' in de kollekte-zak deed. 'Haar ganse leeftocht', omschreef reeds de Stat.Vert. Akkoord natuurlijk, maar toch pak ik dat griekse woord 'leven' even op om des te beter te veraanschouwelijken wat hier gebeurde. Deze weduwe bracht door het geloof voor wat haar betreft de aarde en haar volheid bij Christus. Ik schreef immers al eerder dat de tempel in de Schrift een vóór-gestalte van de Christus was? Aan het navrante dat de vrouw haar hele leven investeerde in een tamelijk verrot instituut, kan ik dus voor dit ogenblik voorbijgaan. Christus stond al gereed de tempelwerkelijkheid in Zichzelf tot vervulling te brengen; meer dan de tempel was daar al. Zo zeg ik dus dat de weduwe de aarde en haar volheid bij 'Christus' bracht. In het vertrouwen dat God-in-Christus haar nu verder verzorgen zou - hetzij bijvoorbeeld doordat thuis de olie niet opraakte in haar fles, hetzij doordat een weldoener zich over haar ontfermde. In ieder geval: de boterhammen die ze sindsdien at waren 'geestelijke boterhammen', haar toegediend uit de aarde en haar volheid waarover Christus beschikt.
Het voorbeeld doet me denken aan wat in de oorlog in mijn ouderlijk huis gebeurd is. Ik zal het nooit vergeten. We leden als gezin honger. Op een dag was er een voordeeltje. Maar ook kwam juist daarna een familielid uit de grote stad langs die het nog armer had. Het voordeeltje werd geducht aangesproken.
Tot mijn schande moet ik zeggen dat wij kinderen protesteerden.
Maar mijn ouders gebruikten hun ouderlijk gezag en rukten ons om zo te zeggen met zachte hand het brood uit de mond om het weg te geven. Zij brachten toen voor wat hen betreft de aarde en haar volheid bij Christus, want net als de tempel is ook de arme een gestalte van Christus, zoals Mattheüs 25 ons leert. Sindsdien at ons gezin 'geestelijke boterhammen', durf ik te zeggen. We kenden de smaak daarvan trouwens al een beetje ... Het heeft ons in de oorlog aan niets ontbroken. Het voorbeeld gaat minder ver dan dat van de weduwe uit het Evangelie, maar toch komt het daarbij in de buurt.

Psalm 55: 23
Terug nog even naar die arme weduwe bij de tempel. Je zou kunnen zeggen dat zij het advies opvolgde dat David in Psalm 55 : 23 geeft. Volgens de gebruikelijke vertalingen staat daar: "Werp uw bekommernis op de HERE, Hij zal voor u zorgen."
Deze weergave van de tekst zou ik zeker niet onjuist willen noemen.
Ook Petrus in zijn eerste brief (5: 7) haalt het psalmwoord zo aan. Maar je kunt ook anders vertalen, aldus: "Werp op de HERE wat Hij je heeft gegeven, dan zal Hij je verzorgen".
'Wat God ons, heeft gegeven' is in de ruimste zin van het woord 'de aarde en haar volheid'.
De Heilige Geest raadt ons dan aan, dat hele geschenk op de Here God te werpen, als het ware met het vertwijfelde gebaar (werpen) dat onze verlegenheid tot uitdrukking brengt: 'Here God, hier hebt U het uwe, ik kan er niet goed mee omgaan, ik gebruik alles steeds meer ten eigen bate en tot handhaving van mezelf tegenover U en de naaste.
Hier hebt U het uwe terug. Geeft U het mij op uw tijd en wijze weerom!' Dit is dan een vergeestelijking van ons bezit dat daardoor niet ophoudt materieel te zijn. De weduwe die haar muntjes in de tempelkas wierp liet voor wat haar betreft het geldcircuit over de plaats der verzoening lopen. Ze zal dat gedaan hebben in vertrouwen op de belofte die over Sion was uitgesproken: " ... haar armen zal Ik met brood verzadigen" (Psalm 132 : 15). Zij vergeestelijkte haar bezit door het niet maar alleen uit handen van God de Schepper te willen ontvangen maar door het slechts van God de Schepper èn Verzoener te willen genieten. Hetzelfde wordt van ons gevraagd, zij het doorgaans onder dragelijker omstandigheden dan waarin deze vrouw verkeerde.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief