Een frontale aanval op het huwelijk

1984-09-14
  • Jaargang 28
  • nummer 34
In het Nederlands Juristenblad van 18 augustus 1984 stond een hoofdartikel met de opvallende titel "Het huwelijk de rechtsorde uit". Daarin werd niet alleen betoogd) dat tegen het huwelijk “als statelijk rechtsinstituut" steeds meer bezwaren zouden ontstaan, maar werd zelfs voorgesteld het huwelijk als zódanig, als door de overheid geregelde rechtsverhouding, maar af te schaffen.

Dat zou dan volgens de auteurs het beste kunnen gebeuren door dat huwelijk te laten "afsterven", bij voorbeeld door een wetje, waarin bepaald zou moeten worden, dat

a. met ingang van 1 januari 1990 geen huwelijken meer kunnen worden voltrokken overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en

b. met ingang van diezelfde datum artikel 449 van het Wetboek van Strafrecht zou vervallen.
(Het verbod voor bedienaren van de godsdiensten om godsdienstige plechtigheden te verrichten terzake van een huwelijk, voordat het ten overstaan van de statelijke overheid is voltrokken.)

Dat de voorstellers déze weg kiezen gebeurt overigens niet omdat zij een nog radicalere oplossing niet gewenst zouden vinden, maar (slechts) omdat ook zij wel inzagen dat het huwelijk als één van de hoekstenen van onze huidige rechtsorde nogal wat consequenties heeft, die niet zo eenvoudig zijn te overzien en te veranderen. En het "uithakken" van een hoeksteen, zo kan men in dat artikel lezen, vereist "meer kracht en zorgvuldigheid dan het verwijderen van een gevelornament"

Het lijkt me nuttig om, juist omdat elke christen, maar naar ik hoop niet alleen zij, bij een dergelijk voorstel wel recht overeind zal gaan zitten, iets te laten zien van de (achtergronden van de) rechtsontwikkeling, waarin dat voorstel tot stand kwam en van de door de auteurs gebezigde argumenten.

De auteurs
Het artikel is geschreven door een drietal, verbonden aan of studerend bij de Erasmusuniversiteit te Rotterdam. De eerste, Desirée Verlegh, is verbonden aan de vakgroep staatsrecht van de subfaculteit der sociaal-culturele wetenschappen aldaar; de tweede is prof. mr. H. van Maarseveen, hoogleraar in het staats en administratief recht en één van de redacteuren van het Nederlands Juristenblad; de derde is Sandra Korthuis, juridisch studente aan die universiteit.
Prof. Van Maarseveen is daarvan ongetwijfeld het meest bekend.
Hij was vroeger chef van de afdeling grondwetzaken van het ministerie van Binnenlandse Zaken en is een zoon van de oud-KVP-minister Van Maarseveen uit de jaren 1946-1951. De constatering dat de zoon religieus en politiek andere wegen gaat dan zijn vader destijds, is het intrappen van een open deur.
Prof. Van Maarseveen was het ook, die enige tijd geleden het voorstel lanceerde de monarchie in Nederland maar af te schaffen en die in 1982 in het reeds genoemde Nederlands Juristenblad ter inleiding op een serie artikelen over het Voorontwerp van wet gelijke behandeling van de toenmalige staatssecretaris Kraayeveld-Wouters o.a. de volgende woorden neerschreef: "Van sommige kanten wordt oppositie gevoerd, omdat het voorontwerp afbreuk zou doen aan de grondrechten als de godsdienstvrijheid, de vrijheid van onderwijs of de gewetensvrijheid.
Het is een zichzelf veroordelende oppositie.
In onze rechtscultuur weigeren wij nu eenmaal te aanvaarden, dat het juridisch oordeel altijd zou moeten wijken voor religieuze overtuigingen.
Wij accepteren niet dat op religieuze gronden weduwenverbranding zou plaats vinden, of dat met bijbelse citaten apartheid zou worden gepraktiseerd.
Nog laten wij toe dat kinderen dood gaan, omdat hun ouders wegens godsdienstige opvattingen medisch interventie weigeren, maar deze pseudotolerantie voor religieuze bezetenheid heeft haar langste tijd gehad."
En even verderop: "Culturele minderheden zoals islamieten en orthodoxe christenen kunnen met een beroep op hun culturele identiteit wel eisen, dat zij hun vrouwen moeten kunnen blijven behandelen als ongelijkwaardigen en hun kinderen als onaantastbaar eigendom, de tolerantie van de rechtsorde kan niet zover reiken dat wij de Khomeiny's onder ons in dit opzicht de vrije hand laten." (einde citaten)

Antichristelijk
Nu zal niemand ontkennen, dat het Nederlandse huwelijksrecht in belangrijke mate door een christelijke geloofsovertuiging is beïnvloed. Het is juist dát aspect, waar de auteurs nu hun bezwaren tegen richten. De staat, zo betogen zij, trad bij de huwelijkswetgeving "zelf feitelijk op als het morele gezag".
En dat de wet het huwelijk alleen in zijn "burgerlijke betrekkingen" zou beschouwen, zoals in het Burgerlijk Wetboek staat, achten de auteurs "een grote leugen". Hun kritiek richt zich er o.a. op, dat die wetgever dat huwelijk niet zou hebben opgezet als een open organisatie die door de leden zelf kan worden ingevuld. "Polygynie, polyandrie, groepshuwelijk of homohuwelijk, ze bestaan in het huwelijksrecht niet, er is slechts het ene, door de wetgever gewilde huwelijk".
En wanneer zij verwijzen naar een dit jaar verschenen preadvies van 1. G. M. Stevens "Huwelijk en gezin in de fiscale wetgeving" wordt daar over aldus geschreven: "Van reformatorische zijde werd kort geleden nog onomwonden gesteld, dat god de huwen den bij elkaar brengt en dat god de overheid als instrument gebruikt die geroepen is de regels daarvoor te stellen en toe te zien op de naleving daarvan". Dat God hier beide keren met een kleine letter is geschreven komt in het geheel van dit artikel bepaald niet over als een zetfout.

Extreem individualistisch
De schrijvers zien dat huwelijk "als een opgedrongen leefwijze", die aan de individuele vrijheid van de mens tekort doet. Dat is dan misschien in de parlementaire stukken niet zo uitdrukkelijk gezègd, maar, aldus de schrijvers, wel impliciet als zodanig beoogd.
Het huwelijk zien zij dan ook als een relatie, waar mensen door de wetgever toe gedrongen worden.
En dat zou niet de taak van de staat zijn. Die heeft primair te maken met burgers, met individuen, die hun eigen keuzen moeten kunnen maken. Het aldus geregelde huwelijk zou daardoor te kort doen aan de rechten van het individu, zelfs te kort doen aan de vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing, privacy en non-discriminatie. En die vrijheid moet er zijn, aldus de schrijvers, of de mens nu kiest voor een "commune, een relationeel netwerk, voor een lat-vorm (love apart together. J.J.O.), voor polyfiele relatievormen, groepshuwelijken, concubinaat" etc., welke mogelijkheden dan nog weer gesplitst zouden kunnen worden al naar gelang die relaties "een hetero-, homo-, bi of non-seksuele grondslag hebben".
De mens is hier kennelijk geheel zich zelf tot norm geworden en op dit terrein (zie hieronder) zou de overheid zich volgens de schrijvers daar buiten hebben te houden.
Opvallend is dan ook - of misschien toch ook weer niet - dat in het hele artikel het woord kind nauwelijks voorkomt. Alsof het in het leven alleen gaat om mensen, die, naar hun believen, als individuen (samen)-leven.
De vermelding van een - internationaal- grondrecht "to found a family", om een gezin te stichten, wordt in het artikel dan ook alleen vermeld in het kader van enkele problemen, belemmeringen voor dat "ideaal" zoals de schrijvers voor ogen staat. "Het jaar van het kind" lijkt al weer lang te zijn vergeten.

Voor nieuwe opgaven
Nu valt niet te ontkennen, dat de wetgever momenteel op meerdere terreinen voor tal van nieuwe opgaven komt te staan. Die opgaven vloeien ten dele voort uit maatschappelijke ontwikkelingen.
Dat de wet een "instrument" is en kan zijn, juist voor de overheid, is wellicht nog nimmer zo sterk beklemtoond als in de laatste tien jaren. Maar ook burgers gaan de mogelijkheden èn grenzen van die wetgeving mèt de daaraan verbonden voor en nadelen sterker onderkennen, daarmee rekening houden.
Trouwen, scheiden, samenwonen worden mede beïnvloed door de consequenties, die een en ander heeft voor de belastingen. Zoals ook het al of niet zelfstandig gaan wonen van kinderen mede beïnvloed wordt door de te verwachten, kinderbijslag, studietoelage of huursubsidie.
Vandaar ook dat de overheid soms het gevoel krijgt, dat het steeds moeilijker wordt om billijke èn redelijk waterdichte wetten op te stellen. De neiging tot wetsontduiking neemt ook bepaald niet af. En hoe vaak zal een "gewone" burger, hetzij in loondienst of als zelfstandige, niet de indruk krijgen, dat terwijl hij of zij correct alle belastingen betaalt, anderen soms op volslagen onterechte wijze daarvan de vruchten plukken. En zou het zo vreemd zijn te veronderstellen, dat de resultaten van een RSV-enquête de neiging van "rechtvaardigen" om "hun handen uit te strekken naar onrecht" zouden doen toenemen?
Anderzijds worden die opgaven voor de wetgever ten dele ook ingegeven door ontwikkelingen op internationaal gebied.
Sommige wijzigingen in die wetgeving worden ons gewoon opgelegd door de EG. Stond bij voorbeeld enkele weken geleden niet in de krant dat minister Ruding zich genoodzaakt zag om per 1 januari 1985 de WWVRegeling te wijzigen, omdat mannen en vrouwen dan op grond van EG-recht gelijk zouden moeten worden behandeld? Een zaak, die volgens diezelfde kranten er dan wellicht niet toe zou leiden, dat vrouwen méér rechten zouden krijgen dan vroeger, maar in dit geval dat mannen minder rechten zouden ontvangen (hetgeen dan voor de regering weer een bezuiniging zou opleveren).
En zo zou er, vooral voor ons belastingrecht en ons sociaal verzekeringsrecht, nog wel meer te noemen zijn.

De staat, het huwelijk en de vrijheid van godsdienst
Maar is nu, zoals de schrijvers van dat artikel, zij het terloops, betogen, het hedendaagse huwelijksrecht metterdaad in strijd met o.a. de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging?
Wanneer ik me hierbij tot enkele van de meest essentiële aspecten beperk, valt er toch zeker o.m. op het volgende te wijzen:

a. Allereerst wel dit, dat geen enkel grondrecht onbeperkt is. Zo bepaalt artikel 6, lid 1, van de huidige, in 1983 in werking getreden grondwet, dat een ieder het recht heeft zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet.
De wet kán dus beperkingen aanbrengen. Trouwens, het reeds geciteerde artikel van prof. Van Maarseveen uit 1982 maakt wel duidelijk, dat deze auteur dáár met beperkingen van de vrijheid van godsdienst geen enkele moeite had; Integendeel.

b. In het artikel van 18 augustus 1984 wordt nu de vrijheid van godsdienst - en niet alleen dit grondrecht gebruikt in een pleidooi, dat de wetgever zich in zeer sterke mate op het terrein van de huidige huwelijkswetgeving moet terugtrekken en wel om aan de burger de door de schrijvers gewenste vrijheid te geven. Maar vrijheid van godsdienst wil echter allerminst zeggen, dat de wetgever zich a-religieus, laat staan antireligieus, zou moeten opstellen. Zoals ook de zgn. scheiding van kerk en staat bepaald niet wil zeggen, dat de wetgever zich op terreinen, die tot de wetgevende taak van de overheid moeten worden gerekend - wáár die grenzen precies zullen liggen, daarover zullen de meningen wel uiteen blijven lopen - normloos zal moeten opstellen.
Het beroep op de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging - en voor het recht op privacy en het beginsel van non-discriminatie geldt het zelfde - zoals ons dat hier wordt voorgeschoteld, kan in ieder geval de door deze schrijvers getrokken conclusie niet "dragen".
Een dergelijke redenering lijkt me om meerdere redenen volstrekt ondeugdelijk.

c. Natuurlijk is het wel zo,dat door de komst van o.a. grote moslimgroepen de aandrang tot het aanbrengen van wijzigingen in de (huwelijks)-wetgeving zal (kunnen) toenemen.
En laten we blij zijn, dat in Nederland voor gerechtvaardigde verlangens, voortkomend uit godsdienstige overtuigingen, altijd een open oog heeft bestaan.
Zoals er ook uit andere opzichten best eens wijzigingen van deze en andere wetgeving te verdedigen en te overwegen valt. Maar dat is wel een andere zaak.

Centraal staat hier echter de vraag, of op grond van de huidige grondrechten een dèrgelijke terugtred van de wetgever als door de schrijvers wordt bepleit wordt voorgeschreven. En die vraag moet zonder meer ontkennend worden beantwoord.
Het huwelijk is, gelukkig, metterdaad geen gevelornament van onze rechtsorde maar hoeksteen.
Wie hoekstenen weghakt bewerkt maar één ding: verval.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief