Politieke verantwoordelijkheid
1984-09-21
N.a.v. Politieke Verantwoordelijkheid Dr J. Douma.- Jaargang 28
- nummer 35
Uitg. Van den Berg. Kampen. 210 blz. – f 23.50.
In zijn laatst verschenen boek schrijft dr Douma over politieke verantwoordelijkheid vanuit het thema van twee rijken, zoals Augustinus en Luther daarover geschreven hebben.
Na een beschouwing over de twee rijkenleer van Augustinus en die van de twee regimenten van Luther geeft hij een analyse van de opvattingen van dr Kuyper. Vervolgens schrijft hij over politiek vandaag. Tenslotte komt in het laatste hoofdstuk de burgerlijke ongehoorzaamheid aan de orde.
Wanneer men spreekt over de verhouding geloof en politiek kan men, aldus Douma, drie wegen inslaan. Men kan geloof tegenover politiek plaatsen. Men kan geloof naast politiek plaatsen en men kan geloof in de politiek plaatsen. Van deze driedeling maakt Douma gebruik als hulplijntje. Het zijn geen drie hokjes waar alle groeperingen van christenen moeiteloos in te plaatsen zijn. Tussen de genoemde opvattingen zijn veel schakeringen mogelijk.
Terecht spreekt dr Douma van christelijke politiek. Daar zijn tegenwoordig velen nog al huiverig voor. Als men het doet, wordt er vaak aan toegevoegd, dat dit "christelijk" geen pretentie is, maar slechts een intentie.
Nu is dat altijd de bedoeling geweest.
Er is dan ook geen sprake van, dat het spreken van christelijke politiek onbescheiden zou zijn. Tenzij natuurlijk, wanneer men zich hierbij op de borst zou gaan kloppen.
In Christen democratische verkenningen (7, 8 1984) schrijft mr W. F. de Gaay Fortman, dat het dan ook niet toevallig was, dat Abraham Kuyper in de namen van de partij en de universiteit, die hij stichtte de aanduiding "christelijk" vermeed. Bij Kuyper zou dus ook al huiver zijn om het predikaat christelijk te gebruiken.
Ik betwijfel toch wel of dit juist is.
Men sprak van de antirevolutionaire of Christelijk-historische richting.
Wat de Vrije Universiteit betreft merkt Kuyper in zijn inwijdingsrede (souvereiniteit in eigen kring) op, dat deze universiteit gereformeerd wil zijn. Van christelijk spreken zegt hij niets, omdat het dan ook rooms of remonstrants zou kunnen zijn. Kuyper gaat dus nog een stap verder. De tegenwoordige Vrije Universiteit is daar wel ver van verwijderd.
Wel is waar wat Douma opmerkt, dat christelijke politiek een moeilijke zaak is. De zeldzame combinatie van theocratie (in de zin van Gods regering) binnen de "christelijke" wereld na Constantijn maakt dat dubbel en dwars duidelijk. We moeten ons trouwens, zo merkt hij op, over de christelijkheid van de wereld na 312 geen verheven voorstelling maken.
Heel het boek van Douma bepaalt ons er ook bij hoe moeilijk het is om christelijke politiek te bedrijven.
Moet dit standpunt niet voeren tot de conclusie, dat het GPV nauw zou moeten gaan samenwerken met het RPF? Douma zou kunnen zeggen, dat het RPF zich nog niet tot een echte partij heeft ontwikkeld. Maar dat was het· GPV ook niet. Nu zou men elkaar daarmee kunnen helpen.
Het laatste hoofdstuk handelt over burgerlijke ongehoorzaamheid en opstand.
Bij de definiëring sluit hij zich aan bij C. J. M. Schuyt: het demonstratieve optreden dat bewust de wet schendt om op dwingende, zij het geweldloos bedoelde, wijze verandering in een wet of maatregel van de overheid tot stand te brengen. De opvatting van Schuyt en Den Uyl, dat burgerlijke ongehoorzaamheid een uiterste middel is in een werkelijke noodsituatie tegenover een kennelijk onredelijke tegenstander, nadat alle mogelijkheden uitgeput zijn om met normaal overleg tot het doel te komen, noemt hij een studeerkamerproduet.
Wil er sprake zijn van recht van opstand, dan moet er volgens Douma aan drie voorwaarden voldaan zijn:
1. Elementaire rechten die aan de burgers toekomen, worden door de overheid bruut en aanhoudend geschonden.
2. Personen die geacht mogen worden het volk te vertegenwoordigen, geven leiding aan de opstand.
3. De kans op slagen van zo'n opstand moet groot zijn, zodat eventueel bloedvergieten van beperkte omvang blijft.
Het lijken me juiste kriteria, al is de laatste in de praktijk wel moeilijk te verwezenlijken.
De bespreking van dit boek is nog al uitgebreid geworden. Er staan in dit boek dan ook veel interessante beschouwingen, die zeer het overwegen waard zijn.
Douma schrijft in goed verstaanbaar nederlands, zonder omhaal van woorden. Daardoor leest het boek ook plezierig.
Wanneer ik me kritiek op een andere recensent veroorloven mag, daar is geen sprake van, zoals Spijkerboer in Trouw beweert, dat Douma in een klein vrijgemaakt bolwerk is gekropen.
Integendeel, zijn blik gaat veel verder. Zijn boek is van belang voor ieder, die belangstelling voor christelijke politiek heeft.
Aan die allen wil ik dan ook lezing van het boek zeer aanbevelen.