Het Liedboek
1984-09-28
- Jaargang 28
- nummer 36
Lied 268
Bach gebruikte het laatste couplet van dit Lied - met de melodie - als slotkoraal voor zijn Johannes-passion. Zo is het niet te verwonderen, dat het in 1938 in de toenmalige nieuwe Bundel van de Ned. Herv. Kerk zijn intrede deed" (Comp. p. 635).
Wanneer we er op letten dat de 1e en ook de 3e strofe over het sterven gaat en de 2e over het leven hier en nu, dan is de conclusie dat de eenheid te wensen over laat. Mogelijk heeft dit te maken met het feit dat de 1e en 3e strofe van een andere dichter zijn dan de 2e. Voorts is het niet geheel vrij van piëtistische smetten. "We hebben hier te doen met een heel vroege vorm van piëtisme". (v.b. in strofe 1: "wilt Gij slechts mijne wezen".) Wat de melodie betreft: "het verdient aanbeveling het tempo niet te snel te nemen, daar men anders onherroepelijk vastloopt in de tweede helft van het lied opvolgen.
Om deze goed te kunnen zingen dient men een korte tijd voor de ademhaling af te nemen van de laatste noot van een regel: een nieuwe regel moet op tijd beginnen."
(Comp. p. 636).
Tekst: 2; melodie: 3.
Lied 269
Taal en stijl van dit Lied zijn dermate verouderd, dat tekst en inhoud daardoor voor vandaag weinig of niet meer aanspreekt.
Daarom is het o.i. als Kerklied niet acceptabel.
Wat de melodie betreft, deze is ook gebruikt voor Lied 10, zodat ze gelukkig behouden blijft.
Tekst: 1; melodie: 3.
Lied 270 We hebben hier te maken met een "stervenslied", zoals er in de 16e en 17e eeuw haast ontelbaar vele zijn gedicht. De dichter-vertaler merkt te dien aanzien nog o.m. het volgende op: "Wij leven in de 20e eeuw, en als er in onze tijd één taboe bestaat dan is het wel van de dood: men spreekt daar niet over! En dit taboe geldt zelfs onder christenen. Dat komt natuurlijk grotendeels doordat de Christelijke kerk zich in het verleden veel te zeer met de dood en met "het eeuwige leven", in de zin van het hiernamaals heeft bezig gehouden, waardoor alle aandacht van onze aardse roeping dreigde te worden weggezogen"
(Comp. p. 639). Hoewel dit Lied wat uitdrukking en beeldspraak betreft nauw aansluit bij de Schrift, kan als bezwaar gelden dat uitsluitend de Heer Jezus hier wordt aangesproken.
De melodie is goed, is zeer verbeid geworden en daardoor tamelijk bekend.
Tekst: 3; melodie: 3.
Lied 271
Vergelijking met het voorgaande leidt gemakkelijk tot de conclusie dat dit Lied naar woordkeus en inhoud geen aanwinst voor het Liedboek betekent. Het herhaalde "vluchtig - nietig" afgewisseld met "nietig - vluchtig" is bepaald niet fraai te noemen en geeft het geheel wel een erg negatieve inslag. 't Is een en al droefenis en klaagzang, waaraan de laatste regel van strofe 8 geen wending kan geven. "Daar is geen enkel woord van troost, geen enkele verwijzing zelfs naar God, Die het, als het er op aan komt, toch alles ten goede zal wenden. Alleen in de laatste regel van de laatste strofe komt God ter sprake. Geen lied waarvan ik me voorstel dat het vaak zal worden gezongen". (Comp. p. 642).
Wat de melodie betreft: "het lied zal niet moeilijk te zingen zijn."
Tekst: 1; melodie: 3.
Lied 272
In dit Lied van Luther komt duidelijk tot uiting dat "niet in de eerste plaats de lijfelijke dood hem verschrikt, maar de zonde en daardoor de aanvechting der hel. De prikkel des doods is de zonde zegt de apostel Paulus in 1 Cor. 15 : 56 en wat dat betekent komt in deze drie strofen op aangrijpende wijze tot uiting". (Comp. p. 643) Dat taal en stijl wat verouderd aandoen zal mede toegeschreven moeten worden aan de opzet van de dichter-vertaler: "Ik heb mijn best gedaan om zo dicht mogelijk bij het origineel te blijven".
Voorts rijst bij ons de vraag of het wel juist is te zeggen: "Alleen Gij, Here Jezus, U gaat ter harte, dat wij zijn in de zonde en in de pijn. Gij eeuwige God".
(vgl. Joh. 3 : 16).
De melodie is niet eenvoudig en behoeft wel kundige leiding.
"Een lied, waarvoor zich iedere cantor of voorganger dient in te zetten" (Comp. p. 646).
Tekst: 2; melodie: 3.
Lied 273
Dit Lied draagt sterk het karakter van de rooms-katholieke opvatting inzake het vagevuur.
Vandaar dat er "destijds in de Hervormde Gezangencommissie over dit lied nogal wat te doen geweest is. Het zou in reformatorische kerken nooit gezongen kunnen worden omdat het in wezen een gebed voor de gestorvenen is en er in het protestantisme immers niet voor de doden wordt gebeden." De vraagstelling ter verdediging van dit lied "Waarom zouden Christenen niet voor hun gestorven geliefden bidden, zoals zij het ook voor de levenden doen?" (en wat er voorts nog aan wordt toegevoegd, zie Comp. p. 647, 648) kan voor ons niet als argument dienen ten gunste van de opname er van in het Liedboek.
Jammer dat met deze afwijzing de goede melodie buiten het gezichtsveld raakt. Deze melodie zal geen moeilijkheden opleveren, de tekst toch wellicht méér, voor protestanten! (Comp.) Tekst: 1; melodie: 3.
Lied 274 Rondom de tekst van dit Lied rijzen diverse vragen en bezwaren, al brengen we in rekening dat het gemaakt is over de opwekking van de jongeling te Naïn (Luc. 7 : 11-16). Zo is de oproep in strofe 1 o.i. niet juist en waarom worden zo veel strofen gewijd aan de gestorvene?
(strofe 2 t/m 4). Ook de zinspeling in strofe 1 "de eerste is de laatste, hij loopt de wereld uit" en in strofe 7 "de laatste wordt de eerste, hij loopt de wereld in" is wel wat al te gekunsteld om direct aan te spreken.
De melodie is goed zingbaar.
Tekst: 1; melodie: 3.
A. t.a.v. de tekst der liederen: het cijfer 1 bij niet voluit Schriftuurlijke tekst, b.v. vanwege het humanistisch karakter of door een sterke piëtistische inslag; het cijfer 2 bij een weliswaar Schriftuurlijke, maar niet direct begrijpelijke, en aanspreekbare tekst; het cijfer 3 als de tekst volkomen Schriftuurlijk en zonder meer verstaanbaar is.
B. t.a.v. de melodie der liederen: het cijfer 1 voor een niet-aanvaardbare melodie; het cijfer 2 voor een onbekende melodie die na enige oefening, eventueel met behulp van een koor, door de gemeente wel te zingen is en voorts ook voor een melodie die niet bepaald tot "de beste" behoort; het cijfer 3 voor "een goede" melodie, geschikt voor de gemeentezang.