Leven in de vreze des Heren (1)
1984-10-05
Toespraak op de Vrouwencontactdag 1984 te Ede.- Jaargang 28
- nummer 37
U vindt het misschien een wat ouderwets onderwerp vandaag.
Schijnbaar helemaal niet actueel.
Spreken we trouwens nog wel eens over “de vreze des HEREN”?
Of is het een uitdrukking uit de oude doos, uit de tijd van onze grootouders allicht, of nog verder terug in het verleden.
We herdenken dit jaar de Afscheiding, 1834-1984.
Als je nog eens een verhaal leest uit die tijd, dan lees je vast en zeker wel van "kinderen Gods", "vromen", godvrezende mensen".
Maar tegenwoordig?
Zijn ze er niet meer of nóémen we hen vandaag alleen maar anders?
Dat is een belangrijke vraag voor ons vanmorgen: is het alleen een zaak van terminologie, van benoeming, of zit het dieper?
Wat er mee aangegeven wordt in de Bijbel en in vroeger tijd, wordt dat sporadisch meer onder ons gevonden?
Laten we het éérste maar hopen: dat nog wel degelijk de vreze des HEREN onder ons en bij ons gevonden wordt, maar we noemen het niet meer zo.
Als vroeger gelovige ouders blij konden zijn met de jongen, met wie hun dochter thuis kwam of met het meisje, dat hun zoon thuis bracht, - dan zeiden ze: fijn, dat onze Jan zo'n godvrezend meisje getroffen heeft of: fijn, dat onze Lien tegen een jongen is aangelopen, die de HERE vreest.
Ze wisten dan ook wel, dat dat eigenlijk geen zaak van "elkaar treffen" of "tegen elkaar aanlopen"
was, maar van Gods leiding in het leven van hun kinderen.
Maar zó "vroom" waren ze nu ook weer niet, dat ze álles in bijbelse woorden uitdrukten.
Maar bijbelse woorden als "de HERE vrezen" en "godvrezend" werden toch toen nog heel gewoon gebruikt.
En hoe drukken wij ons uit?
We zijn al blij, als we 't ongeveer zó kunnen zeggen Jan heeft gelukkig een meisje van de kerk, of wat vager: een meisje, dat "eraan doet". Of: Lien heeft een christelijke jongen, en daar zijn we blij mee, al komt hij ook uit en andere kerk, - maar je kunt ook niet alles hebben.
Het is ook u natuurlijk wel opgevallen, dat tegenwoordig zo weinig meer van de vreze des HEREN gesproken wordt. Maar hebt u u wel eens afgevraagd, hoe dat komt?
Zou het ook kunnen zijn, omdat in onze tijd grote woorden veelszins vermeden worden, althans als het gaat over ons geloofsleven, - tot in de kerk en in de prediking toe? We zijn bang geworden voor vrome clichés, we durven de grote woorden niet meer aan, en daardoor dreigt onze geloofstaal te vervlakken. We mijden zozeer de grote woorden van de Bijbel, dat we ons nog slechts uitdrukken in de taal van de kinderbijbel.
Tot in ons geestelijk lied toe: we zingen meer van Jezus, dan over God. En de verbondsnaam van onze God, JAHWE, HERE, - met allemaal hoofdletters! -, past al helemaal niet meer in ons spreken en bidden en zingen in kleine letters.
Heeft de vreze des HEREN,verkeerd verstaan! -, ons misschien de stuipen op het lijf gejaagd?
Alsof de Bijbel daar zoiets mee bedoelt als: angst voor God!
Kinderen kunnen een tijd hebben, dat ze bang worden voor God en daarom horen ze liever van de lieve Jezus, zingen ze van Hem en bidden ze tot Hem.
Maar als we volwassen geworden zijn, moeten we toch weten, dat die lieve Jezus ook hevig toornen kan, denkt u maar aan wat de Bijbel zegt over "de toorn van het Lam" (Openb. 6: 16).
En van die grote en geweldige God zegt dezelfde Johannes, die moest schrijven over de toorn van het Lam, met zo grote nadruk: God is liefde (1 Joh. 4: 8).
Zonder dat we 't weten hebben we eigenlijk een oude dwaling in ons denken over God en over Jezus toegelaten: de dwaling van het gnosticisme. Johannes bespeurde daar al de eerste sporen van in zijn tijd en de oud-christelijke kerk heeft deze dwaling duidelijk afgewezen.
Dat gnosticisme komt eigenlijk uit bij een twee-goden-Ieer: de God van het Oude Testament en de God van het Nieuwe Testament.
De God van Israël en de God van de christelijke kerk.
Daar is dan God, die machtig is en streng in zijn oordelen, God, voor wie je bang moet zijn, zoals de kinderen Israëls stonden te beven aan de voet van de Sinaï, -toen God zich daar zo geweldig openbaarde!
Maar gelukkig is er ook de God van het Nieuwe Testament, die liefde heet en zijn Zoon voor ons overgaf tot ons behoud.
Het lijkt wel of de éne God uit is op onze ondergang en die ándere God op onze verlossing.
En dan weten wij wel welke God wij liever hebben!
In deze visie op God en de Bijbel wordt het Oude Testament dan dat moeilijke boek van die moeilijke God, die zijn volk oorlogen laat voeren en allerlei wreedheden laat uitvoeren. Het wordt het boek, dat vooral onze jongeren soms mateloos kan irriteren, maar, - laten we eerlijk zijn -, ook onszelf vaak met onoplosbare vragen laat zitten.
Daarom grijpen we maar liever naar het Nieuwe Testament, naar het Evangelie van de Heer Jezus en naar de brieven van de apostelen. Die kunnen het ook wel eens pittig zeggen, maar het ademt voor ons gevoel toch een andere sfeer dan die van het Oude Testament.
Ik zei al: er zit meer van die oude gnostiek bij ons dan we wel denken, en dat is niet iets van vandaag of gisteren.
Ik denk nu aan de tijd tussen de twee wereldoorlogen, toen onze ouders en grootouders doodgemoedereerd ter kerke togen met een kerkboek, dat behalve psalmen, enkele gezangen en vele formulieren alleen maar het Nieuwe Testament bevatte. Toen onze oudste zoon de lagere school verliet werd hem een Nieuwe Testament uitgereikt.
Dat wil zeggen: een vierde deel van de Bijbel! Drievierde deel was eraf gescheurd.
Men had in die twintiger en dertiger jaren niet door, dat men zèlf de weg bereidde voor het anti semitistisch Nazidom! De valse profeten van dat Nazidom noemde immers het Oude Testament het boek van de verachte Joden en het Nieuwe Testament het boek van "der liebe Herr Jesus".
Maar wat vergaten ze? Dat deze liebe Herr Jesus zelf ook een Jood was en geen andere Bijbel kende en gebruikte dan het Oude Testament.
Wat wordt de gemeente van Christus toch door alle tijden heen heen en weer geslingerd door onderling tegenstrijdige dwalingen!
Want terwijl de gnostiek nog werkelijk niet dood is in de kerk, worden we al weer belaagd door de grote tegenhanger van de gnostiek: het judaïsme, waar Paulus het zo mee te stellen heeft gehad.
Wilden de gnostieken wel van het Oude Testament af, de judaïsten, jodenchristenen, - hoewel niet allen, er waren ook jodenchristenen, die echt geen judaïsten waren, zoals Paulus zelf -, de judaïsten konden maar niet verder komen dan het Oude Testament.
In onze tijd is er hier en daar een Israëlcultus aan de gang, compleet met leerhuizen, waar wij maar veel van Israël moeten leren en overnemen, maar zij weinig van ons. Men drijft het hier en daar zó ver, dat men zelfs sporen van antisemitisme in het Nieuwe Testament wil aantreffen.
Zijn we nu niet wat al te ver afgedwaald van ons onderwerp: leven in de vreze des HEREN?
Toch niet, want ik probeer er met u achter te komen, waarom in onze tijd zo weinig meer gespróken wordt over de vreze des HEREN, ja erger, zo weinig meer gevónden wordt dan leven in de vreze des HEREN.
Ik denk nu aan een boek, dat in twee jaren tijds vijf drukken beleefde en zijn lezers bij duizenden verslaat, vooral in kerkelijke kring. Het boek van de amerikaanse rabbijn Harold Kushner: "Als 't kwaad goede mensen treft" .
De auteur schrijft over dit moeilijke vraagstuk vanuit eigen bittere gezinservaring: het verlies van zijn zoontje Aäron door een ongeneeslijke ziekte.
Wie zal ontkennen, dat een mens, en juist ook een gelovige, dan in de draaikolk terecht komt van vragen, die blijven kwellen, waar we geen antwoord op krijgen.
De grote vraag wordt dan: wat heeft God hiermee van doen?
Steeds meer blijkt, dat vele christenen geen vrede en troost meer kunnen vinden in de belijdenis van onze Catechismus, dat alle dingen, ook de kwade dingen, uit Gods Vaderhand ons toekomen.
Zo hard en wreed kan God niet zijn. God is toch liefde!
Men meent dan, dat we kiezen moeten tussen de almacht van God en de liefde van God. Zijn almacht stelt maar al te vaak teleur, maar zijn liefde nooit. Om Gods liefde te kunnen vasthouden moeten we zijn almacht maar doorstrepen. Want Hij was toch duidelijk niet bij machte de kleine Aäron in het leven te houden.
We houden dan óver een liefdevolle God, die zó niet kan toornen en kwellen en straffen, dat Hij ons een lief kind afneemt. Zo is God niet en zo doet Hij niet.
Met Gods almacht blijkt het niet veel gedaan. Ook Hij kan niet op tegen alles wat de Boze en het boze in ons leven aanricht.
God kan al niet veel anders doen, dan met ons mede-lijden.
Dit godsbeeld van de moderne theologie vinden we ook in het boek van Kushner. En dat is het gevaarlijke in dit veelal zo sympathieke boek. We vinden in dit godsbeeld van onze tijd veel terug van de gnostiek. Het is een oude dwaling in nieuw gewaad.
God van zijn almacht beroofd!
God, die niet meer doen kan als een almachtig God wat Hij als een getrouw Vader voor ons doen wil! (Antw. 26 Heid. Cat.) Men heeft de top afgeslagen van de berg des HEREN, om die voor ons beklimbaar te maken.
God wordt pasklaar gemaakt voor onze wensen en gedachten, want we willen geen God, die ons laat zitten met vragen-zonder-antwoord. Zo wordt de berg des HEREN beklimbaar gemaakt, door Gods almacht eraf te halen, in plaats van met een leven in de vreze des HEREN, waar Psalm 15 van getuigt.
(wordt vervolgd)