Waar bleef Jeremia?

1984-10-05
  • Jaargang 28
  • nummer 37
Volgens een christelijke overlevering zou de profeet Jeremia, na zijn gedwongen emigratie naar Egypte, aldaar door de rebellen van zijn volk zijn gestenigd. Aldus dr G. Ch. Aalders in Kok's Chr. Encyclopedie.
Dat zou dan een triest einde zijn voor een grote profeet, wiens mond door God was aangeraakt om voor volkeren en koninkrijken op te treden 1), die de ondergang van het Tweestammenrijk zo herhaaldelijk en moedig had aangekondigd 2), die zelf de wegvoering naar Babel had mogen ontgaan 3), die dringend tegen de rebellie had gewaarschuwd 4), maar die eindelijk door de rebellen was meegesleept naar Egypte 5), ja zelfs daar nog keer op keer het woord des Heeren doorgaf 6).

Indien Jeremia werkelijk door de moordenaars van de landvoogd Gedalja ter dood zou zijn gebracht, zoals de legende zegt, blijven diverse vraagtekens open staan. De Heere had immers aan Jeremia, bij zijn roeping, beloofd: "Ik ben met u, om u te bevrijden" 8). Zou dat niet meer opgaan, toen Gods volk hopeloos in Babylonische ballingschap en het restant in paniek in Egypte belandde?

Bovendien had de Heere aan Jeremia beloofd: dat deze niet alleen behoefde te verdelgen en te verwoesten, uit te rukken en af te breken - maar evenzeer zou mogen bouwen en planten 7).
Kan een leven met zulk een hoge opdracht geruisloos ondergaan op het dieptepunt van afbraak, juist voor de opbouw kon beginnen?

En dan liep er nog een belofte.
Toen Baruch, Jeremia's schrijver, moedeloos was geworden onder de onheilsprofetieën die hij te boek stelde, had de Heere - nog wel door de mond van Jeremiahem beloofd: "Ik geef u uw leven ten buit, in alle plaatsen waar ge zult heengaan" 9). Zou deze bemoedigende belofte niet voor Baruch's patroon hebben gegolden? Natuurlijk wel; want deze belofte was van de aanvang af aan Jeremia gegeven: zijn leven zou zeker zijn.

De oude christelijke legende van dr Aalders is dus allerminst bevredigend, voor wie de Bijbel kennen en Gods beloften serieus nemen. We zouden ons zelfs kunnen voorstellen dat voor Jeremia - internationale figuur - die voor volken en koninkrijken moest spreken 7) - nog een belangrijke opdracht zou hebben klaar gelegen.
Want zijn vluchtige ontmoeting met Nebuzaradan, de generaal van koning Nebucadnezar, was nog geen vervulling van de boodschap: dat Jeremia voor koninkrijken moest optreden. En het contact met Egypte - dat land, dat al door Nebucadnezar was verslagen en waar de voortvluchtige rebellen spoedig zouden worden opgehaald - evenmin.
Maar er bestaat een andere lezing.
Minder bekend onder ons, maar een die gebaseerd is op diverse oude handschriften; een lezing die bovendien recht doet aan wat Jeremia voorzegd was: dat hij voor volkeren en koninkrijken zou optreden en dat hij, ná alle afbraak, ook aan opbouw zou toekomen!
Voordat wij aan dit verhaal beginnen wijzen we op enkele plaatsen in de Bijbel, die aan Jeremia's verdere levensvervulling bizondere achtergrond verlenen.

Toen Nebucadnezar Jerusalem veroverde vluchtte koning Zedekia 's nachts de stad uit. Hoe?
Zoals u weet had Jerusalem een permanente watervoorziening door de waterleiding van Hizkia 10), die vooral bij belegering van grote waarde was. Weliswaar "vloeiden de wateren van Siloa zachtkens" 11), maar elke druppel telde mee. Welnu, die tunnel bracht het water deels naar het publieke bad Siloam, deels in de koninklijke tuinen.
Wanneer dus Zedekia via de paleistuin buiten de stadsmuur wist te komen 12), moet hij weinig koninklijk door deze tunnel zijn gekropen. Zo kwam hij Noord-Oostelijk van Jerusalem ongezien in een vallei en kon in de richting van Jericho ontsnappen.
Het was de ondergang van een dynastie, want hij werd achtervolgd, gevangen genomen, zijn zonen werden (allemaal!) voor zijn ogen gedood, hijzelf verblind en naar Babel gebracht 18) en zijn plaatsvervanger Gedalja werd korte tijd later door rebellen gedood. Weliswaar is na 37 jaar aan [ojachin, koning in ballingschap, gratie verleendmaar van zonen, die later op Davids troon kwamen, zegt de Bijbel niets; integendeel: Juda bleef een wingewest van vijanden.

Maar let nu op de naar Egypte vertrokken emigranten. Onder de gedwongen weggevoerden bevonden zich, behalve Jeremia en Baruch, ook de dochters van de koning 14), de prinsessen alzo.
Die prinsessen vindt u nogmaals vermeld 15), opdat met twee of drie getuigen alle woord vast sta.

Waarom werden die dochters des konings herhaaldelijk genoemd, wanneer daar voor haar geen toekomst zou zijn geweest? Zou het koningshuis van David niet door de vrouwelijke lijn kunnen voortbestaan? Waren daar zelfs geen aanwijzingen voor? 16)

Die prinsesjes waren - koning Zedekia was 32 jaar toen hij gevangen genomen werd - ongetwijfeld nog kleine meisjes. Ze zouden aan elke aandacht zijn ontsnapt, als de profeet niet het oog op haar hield. En ook al gaf Jeremia goede aandacht aan die meisjes - draagsters als ze waren van Gods onberouwelijke beloften 17) - ze zouden in het oorlogsgeweld van Egypte zijn ondergegaan, wanneer Gods oordeel door Nebucadnezar zou worden voltrokken.
Maar voor dat oordeel toesloeg, moet er iets wonderlijks zijn gebeurd.
Jeremia met Baruch en de prinsesjes moeten uit Egypte zijn ontkomen!

Weliswaar was een volkomen ondergang in Egypte voorzegt 18) - maar twee maal is een uitzondering op deze ondergang geschonken: "niemand zou ontkomen of ontsnappen - behalve enkele vluchtelingen"; en "weinigen in getal zouden uit Egypte naar Iuda terugkeren" 19). Wie het leest die merke daar op; wat twee maal beloofd is staat vast.

De Ierse lezing nu luidt: dat inderdaad weinigen in getal, enkele vluchtelingen, uit Egypte ontkomen zijn. Dat zijn dan met name Jeremia, Baruch en de dochters des konings. Ze zijn via Judea en Kreta, door Spanje naar Ierland ontkomen.


In de oude kronieken van Ierland, geschreven in het Phoenicisch en pas in 1822 door dr R. O'Connor in het Engels vertaald, komt een profeet van grootse allure opduiken, die voor Ierland - later ook voor Schotland en Engeland - van de grootste betekenis is geweest.

Deze profeet werd door Heremon, een Iers kroonprins, "mijn vader" genoemd. Zijn rol voor Ierland was zo belangrijk, dat de profeet herhaaldelijk door oude schrijvers met de koning werd verward. Hij was niet van Iers ras, kwam van elders - naar men zei van Egypte. Hij bracht, behalve een schrijver van koninklijke bloede, een Oosterse prinses mee - naar men zei een dochter van de Egyptische koning; koning Miletus is met haar gehuwd. Deze prinses plantte - als zij inderdaad een nazaat van David was - het eeuwige koningschap van David over naar Ierland en zo verder naar het Britse vorstenhuis. 20)

In het gerechtshof van Dublin komen twee beeltenissen voor van mannen, die voor de Ierse wetgeving van onschatbare betekenis zijn geweest. De eerste persoon is ontegenzeggelijk Mozes, in de andere is Jeremia herkend.
Na 2500 jaar is hij nog niet vergeten. Nog staat hij bekend als een uitstekend wetgever, die een gezonde rechtsbasis aan het Ierse volk schonk. Hij had - zeggen de kronieken - een bizondere kracht, sprak als een koning, werd algemeen geacht, was een profeet (zoon der profeten), en "alle ogen glansden als ze naar hem zagen, alle oren dronken het geluid van zijn woorden in".

Zijn naam was in het Keltisch Collawyn, welke naam is samengesteld uit twee Hebreeuwse woorden: Col en Awn, dat is "langdurig lijden". Hij werd aangeduid met de titel van Ollam Fodhla, dat is Grote Profeet, vader der profeten. Ollam (Hebr.) moet betekenen "bezitter van verborgen kennis"; Fola is het Hebreeuws voor "wonderlijk", en het Keltisch voor "onthuller".
Vanwege de Hebreeuwse titel en namen moet hij een Hebreeër zijn geweest. Welnu, Gods volk kende op dat ogenblik maar één grote profeet. Zijn naam was Jeremia.
Want hij verscheen in Ierland ten naaste bij in het jaar 586 voor Christus - toen Jerusalem ingenomen en Jeremia naar Egypte was gebracht!

Dicht bij de Ierse Oostkust ligt de heuvel Tara, een religieus belangrijke plaats. Een der oudste Ierse gebeden noemt de heuvel Tara reeds. Op deze heuvel, zeggen de Ierse kronieken, heeft het volk op voorstel van de Grote Profeet zijn wetgeving gewijzigd.
De profeet sprak de door de koning samengeroepen volksvergadering als volgt toe:

"Het is u bekend, dat de priesters beweren negen wetten van Baäl te hebben ontvangen. Hun fundament is misleiding, hun bouwwerk bestaat uit bedrog, gesteund enerzijds door vrees, anderzijds door onwetendheid."

"Maar hoe zou het zijn, wanneer we slechts vijf wetten uit de oudheid behielden als de hoofdsom van lerlands wetgeving; en dan niet zogenaamd van Baäl ontvangen, zoals de priesters beweren, maar door ons algemeen en in vrijheid aanvaard? Deze wetten: "Laat niemand zijn naaste doodslaan; laat niemand het eigendom of de rechten van zijn naaste stelen; laat geen mond uitspreken wat de geest beseft onwaar te zijn; laat de mens barmhartig zijn en net zo handelen als hijzelf behandeld wil worden".

En na enkele praktische opmerkingen voegde de Grote Profeet daar deze woorden aan toe: "Zonen van Ierland, eer en gehoorzaam uw vader, geef liefde, onderdanigheid en tere zorg, al de dagen uws levens, aan de moeder die u droeg".

Voordat de vergadering uiteenging werden deze geboden herlezen en door allen aanvaard. Ze vormden duizend jaar de basis van het Ierse recht en kloppen met de woorden van Gods verbond.
En de heuvel, die voorheen Crofinn heette, is nadien Tara genoemd, welk woord van Tora, wetgeving, is afgeleid. De Grote Profeet stichtte met hulp van de Ierse koning een Profetenschool, die centrum van onderwijs en rechtspraak is geworden.
De zonen der profeten "aten van des konings tafel iedere dag", zeggen de kronieken.

En toen de school werd geopend nodigde de Profeet de koning uit, binnen te gaan. Maar de koning antwoordde: "nee, dat gaat niet; laat de Profeet voorgaan. Voor een discipel bestaat er geen groter man dan zijn leermeester" .
Zo heeft deze profeet mogen bouwen en planten, hetgeen Jeremia was toegezegd - weliswaar in den vreemde, maar bij een verwante volksstam. En het Britse koningswapen draagt nog steeds de leeuw van Juda en de harp van David. Beide in tweevoud.

1) Jer. 1 : 9, 10 - 2) id. 4: 7 - 3) id. 40: 1-6 - 4) id. 38: 17; 42: 10 e.a. - 5) id. 43 : 6 - 6) Jer. 43 : 8; 44: 12 e.a. - 7) Jer. 1: 10 - 8) id. 1: 89) id. 45: 5 - 10) 2 Kon. 18: 17; 20: 20 - 11) Jes. 8: 6 - 12) Jer. 39 : 4 - 13) id. 39 : 6, 7 - 14) 41 : 1016) 43: 6 - 16) Ez. 17, biz. : 22 - 17) Psalm 89: 29, 30; Jer. 33: 17 e.a,18) Jer. 42: 16 - 19) Jer. 44: 14 en 28 - 20) Genealogen verklaren, dat het Britse koningshuis ongetwijfeld van David afstamt. Litteratuur: de Bijbel - W. Milner "The Royal House of Britain" - "Chronicles of Eri""Annals of Clonmacnoise" e.a.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief