Uit de pastorale praktijk (slot)
1985-10-25
In het vorige artikel hebben we uitvoerig stilgestaan bij het optreden van de pastor op de ziekenzaal en bij de methode van het bezoeken van bejaarden. Men doet allerlei deprimerende ervaringen op ook wat de laatstgenoemde categorie betreft, maar mag ook meemaken hoe fijne gesprekken naar beide kanten een opening geven tot een harmonieuze geloofsbeleving. Zo werkt de HERE in zijn genade verder via een nietig mens, naar het woord van Calvijn uit het stof ge!ogen. Maar die nietige mens mag door Gods Heilige Geest veel zegen verspreiden en mensen opbeuren en wanneer zij oud geworden zijn uit de Bijbel laten zien hoe groots Gods rijke en vaste beloften zijn met het oog op de toekomst.- Jaargang 29
- nummer 41
Nog enkele opmerkingen
Over de eenzaamheid wil ik in dit verband nog wel enkele opmerkingen kwijt. Het stokoud worden brengt soms met zich mee, dat men één of meerdere van zijn kinderen overleeft. Hier wordt ten opzichte van de beproefde bejaarde een uitzonderlijk stukje pastoraat vereist.
Want het is een verschrikking op hoogbejaarde leeftijd te moeten meemaken, dat je zoon of dochter wegsterft b.v. aan de gevreesde ziekte. Men vraagt zich soms vertwijfeld af: Waarom neemt U, 0 Here, mij niet weg? Een intensief pastoraat kan zich hier uiten in het brengen van korte) bezoekjes waarbij ,het christelijk meeleven centraal staat. Wanneer de levenspartner is weggevallen, is het een goede zaak in het gesprek regelmatig terug te komen op de tijd, dat men nog samen was en geen rouw of verdriet het levensgeluk aan flarden scheurde. Wijzend op de foto van hem of haar, die zoveel voor de ander in het huwelijk betekend heeft, kan men enkele woorden aan het sterven wijden. Men moet dat niet krampachtig omzeilen, hoewel uiteraard ook in dit opzicht de wijze tijd en wijze kent. Op het moment, dat deze dingen in een gesprek worden aangeroerd, is het alsof de overledene present is en dat kan dwars door de smart heen een grote steun betekenen voor de eenzame achtergeblevene. Ik denk hierbij aan wat Laura Reesdijk-Boersma in haar pas verschenen boekje: “Oud worden” schrijft. Zij sprak in een preek in een verzorgingstehuis waaraan zij als dominee verbonden was, over de wijsheid en noemde als voorbeeld van wijsheid een medebewoonster, die enkele jaren daarvoor op zeer hoge leeftijd gestorven was. Toen zij haar naam noemde, glimlachten velen en herinnerden zich haar als iemand van wie ontzettend veel liefde was uitgegaan. De mensen kwamen graag bij haar en bleven komen toen ze ziek was, omdat zij wezenlijk in hen geïnteresseerd was. We geven de auteur nu verder zelf het woord: “Het trof mij diep, dat de sfeer in de zaal vanaf het moment, dat ik haar naam noemde, zo anders werd. Het leek of het lichter werd om ons heen. Wij herdachten haar in grote dankbaarheid, het was goed om deze “heilige die ons was voorgegaan” in de herinnering terug te roepen. Na de dienst kwamen er nog enkelen op terug: “Ja, zó was zij”. Op dat moment was zij in ons midden. Ze leefde voort in onze herinnering. Het is goed om geliefde mensen te herdenken. Dat brengt geen verdriet, maar troost. Het schept een band, een gevoel van gemeenschap. We hebben hem of haar samen gekend en liefgehad. Het verleden is even heel dichtbij. Dat is niet triest, maar troostend” (a.w. p. 37).
Hier komt iets anders openbaar dan wanneer de opmerking aan het adres van de eenzaam geworden broeder of zuster wordt gemaakt: Je moet er maar mee leren elven. Als zij dat zelf uit eigen beweging zeggen, kan men het accepteren. Dat is dan vrucht van het verwerkingsproces in de band aan de HERE. Maar als iemand, die gezond is en eigenlijk niets mankeert, zoiets naar voren brengt, is het een opmerking, die keihard aankomt: de mens vastpint op een gegeven situatie en geen enkel perspectief biedt.
Afstemmen op de omstandigheden
Het pastoraat moet steeds worden afgestemd op de wisselende omstandigheden. Wanneer het blijkt, dat de mensen bezig zijn te dementeren; is het verstandig zich te beperken buiten het gebed tot enkele verzen van een psalm uit de oude berijming. Dat spreekt hen bijzonder aan en sluit aan bij hun verleden. Dan kan je ook merken, dat Gods werk nooit verloren gaat. Hij zal zijn werk in het hart van de mens begonnen, door zijn Woord en Geest ook voltooien. Men kan bij een dergelijke benaderingsmethode de patiënt steeds een bepaalde versregel laten aanvullen. Dat blijkt in de praktijk heel efficiënt te werken. Ook het bidden van het “Onze Vader” heeft in dat kader een aparte functie. Ik heb het eens meegemaakt in een verpleeghuis bij een bezoek aan een zuster der gemeente, die mij nauwelijks herkende, dat tijdens het bidden van het volmaakte gebed allen op de zaal begonnen mee te doen. Al die demente oudjes gingen meebidden, soms met allerlei eigen variaties. Het klonk bijna oneerbiedig, maar het roerde mij tot in het diepste van mijn hart! Eenzaamheid wordt ervaren door weduwen, weduwnaren en wezen. Op hen richten wij ons in doorsnee vooral. Maar laten wij niet vergeten, dat er ook verschillende alleenstaanden in de gemeente worden aangetroffen. Die vallen vaak tussen wal en schip, Als zij behoorlijk verdienen en flink uit de voeten kunnen,hebben wij jaloerse blikken en opmerkingen te verwachten, maar niemand peilt hun eenzaamheid, Soms is er een verloren liefde in het spel, werd men door de verloofde bedrogen of staken de ouders een spaak in het wiel van de verkering. Men heeft zich daaraan destijds serviel onderworpen, maar is in een schacht van eenzaamheid beland, waaraan men niet altijd het hoofd kan bieden. Daar zitten ook heel gevaarlijke kanten aan. Want er zijn er, die soms de eerste de beste partner, die zich meldt en wat lijkt, accepteren om een eind te maken aan die moordende eenzaamheid.
Niemand zegt wat tegen je als je thuiskomt. Niemand groet je als je weggaat. Je hoeft van niemand thuis meer afscheid te nemen. Krijg je dan soms niet het verlammende idee, dat je bezig bent af te sterven? Een alleenstaande vrouw van vijftig , jaar merkte eens op: "Als je eenzaam bent, ontstaat er zoiets als een geestelijke dood. En je twijfelt eraan of je nog wel een mens bent. Want een mens is een sociaal wezen". Nu is de één in zijn uitingen emotioneler dan de ander. Er zijn mensen, die je moet helpen om los te komen. Dat is dan meer een zaak van psychologie dan van, theologie.
Men dient zijn woorden met zorg te kiezen. Woorden kunnen, hoe goed bedoeld ook, de mens in nood wonden. Uiteraard kunnen wij de eenzaamheid b.v. van de weduwe niet opheffen via een intensief pastoraat. Daartoe moeten we ook geen poging doen. Wanneer men denkt, dat dát zijn taak is, begeeft men zich op een glibberig pad. De dominee is dan eerst de pastor, maar door de vele en lange bezoeken dreigt hij uit te groeien tot de plaatsvervangende partner, die iets van de ontstane leegte tracht op te vullen. Verschillende predikanten zijn daardoor gestruikeld en in zonde gevallen. De pastor dient hier dus uiterst voorzichtig te zijn! Je vijand. de duiver, slaapt niet en telt ettelijke handlangers om lastertaal over je, te verspreiden. En de kerk wordt als lichaam van Christus het meest onderuit gehaald als hij de dienaren van het Woord weet te verleiden of in een kwaad daglicht te plaatsen.
Moderne plaag
Eenzaamheid is een moderne plaag in een tijd, die zo hoog opgeeft van, de communicatie Hoeveel mensen sterven in grote steden niet zonder dat iemand ervan weet. Het 'wordt ontdekt, omdat bijv. de bakker steeds maar geen gehoor krijgt: In het "Contactblad van de Gereformeerde Bond" in Amsterdam stond het volgende gedicht, getiteld: "Begrafenis" .We nemen het over via "De Waarheidsvriend"):
Hij is onopgemerkt gestorven, met op de achtergrond een lied.
En alle lampen helder brandend.
Geen mens heeft door zijn dood verdriet.
De buren groepen even samen.
Het is wel erg, zo naast je deur.
Ze kijken toe als hij wordt, uitgedragen,dan stelt de kist hen wat teleur.
Ze dachten, dat hij nog wat, geld had, maar hebben zich daarin vergist.
Dat zie je aan de kleine dingen,
in dit geval is dat de kist.
Die verre neef had eerder moeten komen.
Kijk hem daar gaan, daar naast de dominee.
En verder is er niemand meer verschenen;de hele stoet bestaat uit twee.
Het zal je toch gebeuren, dat je zo moet sterven.
Wat heeft zo'n man nu ooit gehad?
De tijd gaat door.
We gaan naar binnen.
De deuren dicht. En dat was dat.
Het doet mij altijd bijzonder goed als ik in de rouwdienst ter gelegenheid van de begrafenis van een gemeentelid heel wat broeders en zusters ontmoet, die hun belangstelling en meeleven tonen. Maar dat is niet altijd een zuivere graadmeter voor de aandacht, die het heengegane gemeentelid tijdens zijn leven mocht ontvangen. De weduwe moet er maat niet op rekenen, dat na een bepaalde periode nog velen naar haar omkijken. De massa vergeet haar. Zij zal haar eigen weg moeten gaan en haar plaats moeten vinden in de samenleving als het leven zijn rechten hernomen heeft. De dominee kan niet met dezelfde frequentie als noodzakelijk was in de begintijd van de rouwverwerking haar opzoeken. Er zijn nog vele anderen, die om hulp vragen. Het werk van de pastor heeft, trouwens in deze tijd gigantische vormen aangenomen. Wél moeten wij er op bedacht zijn, dat er ook mensen zijn, die in rouwen verdriet koesteren. Zij hebben zich opgesloten in de enge cirkel van hun gemis en willen per se door iedereen, beklaagd worden. Soms moet men deze broeders en zusters eens door elkaar schudden, opdat zij hun egocentrische houding laten varen.
Blijvende opdracht
Ik zeg altijd tegen eenzame mensen:
Zit niet te wachten totdat een ander, bij u komt, maar ga zelf naar een ander toe die ook eenzaam is, dan is de eenzaamheid van twee mensen op dat moment opgeheven. Dan ben je ook als het goed is bezig naar het gebod van de Heiland in naastenliefde iets voor elkaar te betekenen. De mensen redeneren als zij het over de gemeenschap' der heiligen hebben, vaak naar zichzèlf toe. "Die laat me in de steek" en: "De ander heeft het zo druk met zichzelf, dat hij mij helemaal vergeet". Wij denken ook vaak, dat we van alles en nog wat moeten ondernemen om in ,de dienst van onze Here Christus te staan. Maar het zit 'm dikwijls in het heel eenvoudig functioneren met een hart vol liefde naar de ander toe, die aan de grond zit. En het zijn dan in doorsnee de kleine dingen, die het doen. Bovenal zal de pastor eraan moeten gaan staan om in dit opzicht niet als solist te opereren.
Dat kan zo gauw, maar daarmee pleeg je op den duur roofbouw op jezelf en stimuleer je de broeders en zusters niet om als échte gemeente van Christus in deze wereld gestalte te geven aan de liefde en barmhartigheid van de unieke Hogepriester, Jezus Christus. Die liefde is om, zo te zeggen het vierde kenmerk van de kerk. Eigenlijk is dat maar zwak uitgedrukt, omdat de liefde allesbeheersend is en te vergelijken met het cement, dat de stenen aaneenvoegt en samenhoudt bij de opbouw van de kerk als het geestelijk Godshuis. We moeten eindigen. Er zou nog veel te schrijven zijn over dit uitermate boeiende onderwerp. We hebben er trouwens al eerder over geschreven in het boek: "Geschenk en Opdracht", uitgave van Van den Berg te Kampen, 1984. Daarin worden ook andere facetten van het pastoraat in deze tijd belicht.
Tot slot willen wij accentueren, dat de pastor zonder permanent gebed zijn taak nooit aankan. Ook daarin mag hij voorbeeld van de kudde zijn. Wie zèlf op de hemelse krachtbron is aangesloten, kan ook anderen de weg daarheen wijzen. Dan wil God ook vandaag grote dingen doen door de arbeid van gebrekkige mensen. Daarom maken wij het woord van Augustinus tot het onze nl.: “O Here, mijn kracht is zwakheid voor zover het de, mijne is; maar, sterkte voor zover Gij mijn hulp zijt".