Licht of Duisternis?

1984-10-12
  • Jaargang 28
  • nummer 38
De Cock, de Cock, hoe diep zijt gij gevallen en hoe donker is mij Gods raad, dat zulk een leer in de gemeente, die eens de mijne was, nu wordt verkondigd.

Hofstede de Groot in brief aan De Cock, 14 oktober 1832. 1)

Over het paard getild
Het rapport aan Zijne Majesteit is niet mals: "De predikant De Cock is een jongmens, eerst in het jaar 1823 als candidaat toegelaten, en die, sedert zijn komst te Ulrum, door een dweepzieke predikwijze veel toeloop onder de dorpsbewoners heeft verkregen.
Een grote verbeelding schijnt hij van zichzelf te hebben opgevat. De kring wordt hem te klein en hij acht zich bevoegd als hoofd der kerkelijke oppositie of bewegingspartij op te treden ... ".
"In het hiernevens eerstvermelde adres, waarbij Ds De Cock weer andere stukjes inzendt, wordt een nog hoger en scherper toon gevoerd. Hij zegt het overgelegd vragenboekje te hebben uitgegeven ter bevordering der "voor zoveel bloed gekochte formulieren van eenheid", terwijl hij het andere meer uitgebreide stukje "tegen twee verdervers van leraren" geschreven heeft, om "de vervallen muren van Sion en Jeruzalem wederom te helpen oprichten" ...
Dit adres, hoe onaangenaam van toon, boezemde nochtans de ondergetekende voornamelijk slechts medelijden in met de door dweepzucht en ijdelheid zo verbijsterde man, - maar de lezing van dat meer uitgebreide stukje, of zogenaamde Verdediging der Schaapskooi van Christus, kon niet nalaten een gevoel van verontwaardiging te wekken ... "
Aldus rapporten van de Minister van Eredienst aan Koning Willem I, gedateerd 14 november 1833 en
20 februari 1834.2)

Gods zegen
Een gereformeerde man als de al eerder geciteerde dr Rullmann, ziet het anders. In zijn boek De Afscheiding lees ik: "De gemeente merkte dan ook al spoedig, dat hij anders preekte dan te voren. En velen nu ging een helderder licht over de waarheid op. Zij ontvingen nu, wat zij vroeger in de prediking van Hofstede de Groot en ook van De Cock hadden gemist.
En kennelijk was de zegen, die er van die tijd af op de prediking rustte. "De Heere wrocht mede".
Velen werden ontdekt aan eigen ellendige toestand en tot Christus geleid.
Het gerucht van deze zegenrijke prediking verbreidde zich weldra in de naburige gemeenten.
En nu toog men al spoedig ook uit andere plaatsen naar Ulrum om De Cock te horen. Niet alleen uit de eigen provincie, maar ook uit Friesland en Drenthe kwamen er velen reeds des zaterdagsavonds per rijtuig of per schuit of te voet, soms wel tien uur ver, naar Ulrum, om op de dag des Heren onder de prediking van De Cock gesticht te worden. Niet zelden waren er meer dan zeventig rijtuigen en dan nog verscheidenen schuiten vol mensen

Intussen was de toeloop zo groot, dat het kerkgebouw de menigte dikwijls niet kon bevatten.
Zo vonden eens twee gereformeerden uit Sneek, Andriessen en Borneman ... de kerk om acht uur al zo vol dat men wel over de hoofden kon lopen. En om negen uur werden er al enkelen onwel; flauw "vallen" konden ze echter niet, want daarvoor was geen ruimte."
Tenslotte wordt gepreekt vanaf een hooiwagen die op het kerkhof is gereden. We vervolgen Rullmanns verhaal: "Het kerkhof raakte zo vol dat de mannen de hoed niet van het hoofd konden nemen. En die op dekerkzolder zaten, namen de pannen van het dak om goed te kunnen horen.
En ook elders, waar De Cock optrad, was het overvol. Zo preekte hij de tweede juli 1833 in de vakante gemeente van Niezijl.
En daar was de opkomst zo talrijk dat er van buiten tegen de muren ladders werden aangebracht en de glasruiten eruit genomen.
Een smaadschrift uit die tijd ... vermeldt dat de schade aan de kerk te Lagerneeden bij zijn prediking veroorzaakt, ruim f 16,- bedroeg, en te Niezijl meer dan 140 glasruiten werden verbrijzeld of uitgenomen en ongeveer honderd ladders gebruikt." 3)

Een korte typering
Twee zeer uiteenlopende zienswijzen dus. Welke heeft de feiten aan zijn kant?
Hendrik de Cock: 33 jaar oud, als hij wordt afgezet. Afkomstig uit een vrij aanzienlijk geslacht.
De vader zal, als de zoon wordt afgezet, burgemeester van Wildervanck zijn, toch niet een minne werkkring.
Getrouwd met Frouwe Venema, "een stille, gelovige vrouw, die reeds vroeg haar Heiland had leren kennen en hem van veel zegen is geweest in zijn arbeid. 4) "Over zijn karakter is weinig met zekerheid bekend, hetgeen niet verwonderlijk is, aangezien zijn aanhangers hem even sterk bewonderden als zijn tegenstanders hem verguisden. Afgezien van zeer veel bevooroordeelde beschrijvingen bestaan er alleen enkele portretten en zelfs die zijn door de familie niet als gelijkend erkend." 5) "De Cock was zwak van gestel, in Eppenhuizen leed hij veel aan koortsen. Ook de gezondheid zijner echtgenote werd door koorts
ondermijnd." 6) Ze zou hem overigens 7 kinderen schenken, waarvan twee jong stierven. Ze zou hem ook 47 jaar overleven ...

Het begon in Ulrum
Vriend en vijand erkennen wèl eenstemmig dat het allemaal begon in Ulrum. Daar had men vanaf 1796 al ongenoegen met de predikanten gehad, meldt Becker in zijn alleszins interessante dissertatie. "De ontevredenheid over de predikant en de invloed van het collatierecht speelden te Ulrum een belangrijke rol vóór de komst van De Cock. Van 1796 tot 1823 had in Ulrum een predikant, ds Sijpkens, gestaan, die het merendeel der gemeentenaren niet beviel.
In 1819 kwam de collatie door aankoop van stukken grond in handen van maar liefst veertien landbouwers, waarvan er een al twee jaar niet ten avondmaal was gegaan. De gemeente accepteerde de predikanskeuze van de collatoren niet, het daaropvolgende geschil duurde tot 1826 en werd beëindigd door de komst van Hofstede de Groot, die als moderne dominee de orthodoxen in de gemeente maar matig kon bekoren .... het ligt voor de hand dat toen men eenmaal in De Cock een predikant gevonden had naar eigen smaak, die bovendien in de wijde omtrek populair was, men zich deze dominee niet zonder meer zou laten ontnemen." 7)

Hendrik de Cock was in Ulrum gekomen op de manier waarop iedere predikant kwam: hij was beroepen door de aanzienlijken in de gemeente. Want zo was de kerkelijke procedure sinds het Reglement van 1816. De gemeente was er niet zo blij mee, althans een groot deel van de gemeente zag hem niet als een man die de al bestaande lijn van moderne prediking zou doorbreken.
Daar leken ze wel gelijk in te hebben. De Cock werd theologisch voor een belangrijk deel gevormd aan de Universiteit van Groningen, destijds een bolwerk van "nieuwe theologie". Zijn voorganger te Ulrum, vriend en leider van deze "Groninger School", Petrus Hofstede de Groot, bevestigde hem als predikant in zijn nieuwe standplaats.
Willen we De Cock in die tijd theologisch typeren, dan lezen we bij Wormser: "Tot nog toe waren de oude schrijvers De Cock alleen bij name bekend; de Formulieren van zijn eigen kerk had hij nooit
gelezen; een Statenbijbel met kanttekeningen bezat hij niet; van de Institutie van Calvijn had hij nooit gehoord.
Dat laatste boek leerde hij in 1831 kennen door zijn ambtgenoot Wormnest te Warfhuizen.
Deze leende De Cock zijn exemplaar en door de lezing daarvan gingen hem de ogen verder open." 8) Er waren ook andere invloeden, onder andere die van de geschriften van de zeer rechtzinnige Baron van Zuylen van Nyevelt. En er was de invloed van zijn gemeente.
Met name de invloed van de eenvoudige Klaas Pieters Kuipenga, een al wat oudere man, die nooit de vrijmoedigheid had gehad om bij mensen als Hofstede de Groot belijdenis van zijn geloof af te leggen. Een aantal aparte catechisatielessen met De Cock zou deze bekende uitspraak hebben opgeleverd: "In deze catechisatie of liever in dit bijzonder onderricht sprak Kuipenga dikwijls van de onmacht des mensen ten goede, van zijn eigen doemwaardige toestand voor God, en zeide dan: Indien ik ook maar één zucht tot mijn zaligheid moest toebrengen, dan was het eeuwig verloren." 9)

Zoals Becker terecht opmerkt: "In zijn eerste standplaatsen Eppenhuizen (1824) en Noordlaren (1827) was er van werkelijke orthodoxie weinig bij hem te merken geweest, maar in UIrum begon dat de veranderen.
De invloed van de gemeente is hierbij onmiskenbaar." 9)

En haast even bekend is dan de uitspraak van Hofstede de Groot, die al deze beroering in zijn oude standplaats Ulrum niet begrijpt; en die het er niet mee eens is: In een brief, gedateerd 14 oktober 1832, schreef hij de boven geciteerde woorden: "De Cock, De Cock, hoe diep, diep zijt gij gevallen, en hoe donker is mij Gods raad, dat zulk een leer in de gemeente, die eens de mijne was, nu wordt verkondigd."
(59) Hij zou er steeds minder van begrijpen, want vanaf deze tijd zouden de zaken in snel tempo verder uit de hand lopen. En of De Cock daar de schuldige van was? ...

1) Rasker. De Nederlands Hervormde Kerk sinds 1795. Kampen, 1974. pag. 59.
2) ed. Bos. Archiefstukken betreffende de Afscheiding van 1834, Kampen, 1939. pag. 234, 252.
3) Rullrnann. De Afscheiding (3e dr.) Amsterdam 1922, pag. 105-107.
4) Wormser. Een Schat in Aarden vaten, deel 3. Nijverdal, 1915, pag. 10.
5) Becker. Het Eeuwig Heimwee, Alphen aan de Rijn, 1976, 120.
6) Wormser. a.w., pag. 11.
7) Becker. a.w., pag. 116.
8) Wormser. a.w., pag. 12.
9) Becker. a.w., pag. 129.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief