Weerbaar eertijds

1984-10-12
  • Jaargang 28
  • nummer 38
Broeders en zusters. vandaag 150 jaar geleden werd ds Hendrik de Cock uitgewuifd door zijn collega Schotte, in Doeveren, Noord-Brabant. Hij had enkele dagen bij Scholte gelogeerd, met zijn reisgenoot de catechiseermeester P. R. de Wit uit Wildervank. Wat moesten die twee noordelingen daar in Brabant doen? Wie is die Hendrik de Cock? Hij is op 12 mei 1834 33 jaar oud; hoe hij eruit zag weten we niet. Er wordt wel eens een portret van hem afgedrukt en dat lelijke portret verscheen onlangs meer dan eens op de tv. Het staat ook in het boek van mijn vader: "Het wonder van de 19e eeuw", maar dit portret, dat meer op een caricatuur lijkt, is door geen enkel familielid als echt herkend. Je hebt wel eens meer van die kleine vergissingen: Op de tv heb ik in 'Kerkepad' van de NCRV en later in een documentaire nog twee keer horen zeggen dat De Cock de 'Acte van Afscheiding' ondertekend heeft. Hij heeft dat niet gedaan, zijn vrouw wel.

Als deze De Cock met De Wit op reis gaat is de koning het doel. Want net als in de tijd voor de 80-jarige oorlog leeft men in de veronderstelling dat de koning niet weet wat voor streken de kerkelijke leiders uithalen, en men neemt aan dat de koning, als hij het maar wist, de vervolging wel zou verbieden. Welnu, De Cock reist als geschorste dominee.
Hij is door het provinciaal kerkbestuur voor de duur van twee jaar geschorst met verlies van tractement; dit vonnis was uitgesproken op 1 april 1834. Eerder had het classicaal bestuur van Middelstum hem geschorst; hiertegen was hij in beroep gegaan. Dat had echter averechts gewerkt: nu immers was hij voor de duur van twee jaren geschorst en bovendien zijn inkomsten kwijt.

De kerkeraad van Ulrum, de gemeente die De Cock als dominee diende, vond het wenselijk zich nu op de koning te beroepen.
Vandaar die reis. De Cock was er dan ook eens even uit. Drie weken duurde de tocht. In Groningen, Assen en Smilde hadden vele geestverwanten de beide broeders versterkt.
Het lijkt wat op de reis van Paulus naar Rome, om voor de keizer gesteld te worden. Een Zwolse broeder, Ridderinkhof, bracht hen met z'n eigen rijtuig naar Nijkerk, naar ds Callenbach, met wie De Cock gecorrespondeerd had, maar hij kende hem tot dan niet. Ds Callenbach is meegereist naar Utrecht. Vandaar naar Gorkum, en via Gorkum naar Doeveren, daar woonde en werkte ds H. P. Scholte. De Cock kende ook deze medestander niet persoonlijk. Vandaar het belang ook van deze reis: De Cock en Scholte zullen elkaar leren kennen en de komende tijd steunen.
Hemelvaartsdag viel dat jaar op 8 mei. Toen waren de twee groningers in Brabant en ze bleven daar in de pastorie van Scholte tot maandag 12 mei. Toen vertrokken zij. Er zal met hen en voor hen gebeden zijn, net als in de dagen van Paulus. Zij verschenen op 14 mei voor de koning.
Dat was Willem I.Ten onrechte hadden de broeders verwachtingen van hem, dat hij hen te hulp zou komen. Zij werden afzonderlijk ontvangen door Z.M., maar hun bezoek had niet het minste resultaat. Het scheelde trouwens nog maar een haar, of de reis naar Den Haag had prompt de afzetting van De Cock als gevolg gehad. Hij had op 5 mei voor de commissie van het prov. bestuur moeten verschijnen, maar hij was op reis.
Hij had dat wel van tevoren gemeld en zijn vrouw heeft het nog laten weten dat hij niet thuis was. Maar het scheelde niet veel, of het feit dat men niet aanwezig was wanneer de hoge instantie je opriep, was al voldoende om korte metten met je te maken, zoals dat in 1974 met Maassluis en ds Van Tongeren gedaan werd: Niet verschijnen op het moment dat je er moest zijn? Wel een brief van verhindering gestuurd? Niets mee te maken: er uit!
Nee, er was niets meer van de hoge kerkelijke heren te verwachten, niets goeds althans. De catechiseermeester De Wit, De Cocks reisgenoot, ging als eerste voor de bijl: hij werd op 2 juli 1834 ontslagen. De Cock was al geschorst sedert december 1833, en ondanks correspondentie van De Cock en pogingen tot contact met de kerkelijke instanties, was er geen uitzicht op eerherstel, integendeel, 't kwam vast te staan dat De Cock op 16 januari 1835 afgezet zou worden. Op 13 oktober 1834, kort na de begrafenis van zijn driejarige dochtertje, besloot De Cock om aan de kerkeraad van Ulrum mee te delen dat hij zich van de Herv. Kerk losmaken wilde. De kerkeraad was blij met dit besluit, de Acte van Afscheiding werd opgemaakt en getekend op 14 oktober.
Vandaag staat Ef. 6 centraal. Wel, ook in 1834 werd een gezant in ketenen van die boeien bevrijd om vrijmoedig te kunnen spreken, zoals hij dat behoorde te doen. De gemeente met de kerkeraad had geworsteld tegen machten en boze geesten, en ze overwonnen in de kracht van de Here.
Hoe ging het daarna? Kent u Gameren?
Misschien zijn br. en zr. v. Tuyl hier? In Garneren heb je een heel oud kerkje, prima onderhouden, met een monumentaal orgeltje - het is gebouwd door Morau - ze zingen daar niet-ritmisch en uitsluitend uit de oude berijming en beslist geen gezangen. Als je daar komt waan je je in de tijd van de afscheiding.
Die kleine kerk heeft een geschiedenis. Ik pak nu een brief van de vrouw van ds Scholte, die toen in Gorkum woonde.
De brief is gericht aan haar moeder in Amsterdam en gedateerd 24 aug. 1835. "Hartelijk geliefde moeder en broeder! Ik kan nu u iets van ons wedervaren van gisteren melden. Het heeft er zeer om gespannen: de Heere heeft ook klaar Zijn almacht getoond in de beveiliging van onze Personen, want hoewel het ons door genade eene eere zou zijn geweest om Zijns Naams wil geslagen en mishandeld te worden, evenwel mogen wij toch ook de beschermende hand des Heeren daarin herkennen, dat zij ons niet hebben kunnen aanraken.
Vrijdag werd het bepaald dat ds. te Garneren zou preken. De vrienden kwamen ons zaterdagmiddag halen. Er waren toen reeds geruchten dat er dragonders zouden komen. De Burgemeester was door de vromen aldaar trouwen herhaalde malen gewaarschuwd, om toch toe te zien wat hij deed. Evenwel, de last van de Gouverneur gold bij hem meer, dan alle waarschuwingen op Gods Woord gegrond.
Zondagmorgen verschenen dan ook werkelijk die dragonders van Bommel, gedeeltelijk te voet, gedeeltelijk te paard, misschien 90 of 100 man.
Op den bestemden tijd gingen wij naar de plaats, het was in een boomgaard, daar was een boerenwagen gebracht voor den ds. Zoals gewoonlijk zaten juffr.
Hasselman en ik achter den ds. op de wagen en achter ons zaten ook nog mensen. Wij hadden gebeden en gezongen, toen de Burgemeester kwam, vergezeld van de luitenant, en vroeg aan de ds. wie hij was en of de vergadering op zijn last daar verzameld was en verzocht toen de menigte uiteen te gaan, opdat hij niet genoodzaakt zou zijn, strengere maatregelen te nemen. De ds. vatte het woord op en bewees de Burgemeester dat de wet op deze vergadering niet toepasselijk was en ook dat wij daar niets kwaads bedoelden, maar integendeel daar alleen waren gekomen om God in waarheid te dienen, ook 'naar het bevel des Heeren de onderlinge bijeenkomsten niet mochten nalaten en verzocht de Burgemeester daarbij tegenwoordig te willen blijven om te horen wat er gebeurde ... (toen ging de burgemeester na discussie heen, hij beriep zich erop dat hij bevel van de gouverneur had, waarop ds Scholte betoogde dat niemand voor de rechterstoel Gods zou kunnen verschijnen met de verontschuldiging: ik heb bevel van de gouverneur). Ds. gaf toen op ps. 119: 65, 87 en 88, wij begonnen te zingen, maar opeens kwamen de dragonders tot aan de wagen waarop wij zaten, zij begonnen de menigte met uitgetrokken sabels uiteen te jagen en de mensen verschrikkelijk te slaan en toen al het paardevolk daar nog tussen. Wij dachten dat onze wagen ondersteboven zou gaan. De mensen bleven tussen de wielen zitten om bij ons te blijven, maar met geweld werden zij weggehaald en dat slaan met sabels was erg ... 0, dat weerhoudende van de Heere, dat niemand onzer zich met geweld verzette, want dan zou het een bloedbad geworden zijn en dit wonder van de Heere, dat wij zo stil en gerust op onze plaatsen mochten blijven, dat ons gemoed niet ontroerd was dan alleen om dat gruwelijke vloeken (van de soldaten). Ik kan zeggen ik zat zo rustig, terwijl de sabels voor en achter ons heen zwaaiden en het paardenvolk gedurig tegen de wagen aanreed. Het was de Heere alleen die ons kalmte schonk, anders was het onmogelijk...
….de hartelijke groeten van de ds. ook aan alle vrienden van ons. De Heere schenke u Zijne genade!"

Denkt u zich het eens even in, wat daar gebeurde in die boomgaard bij Garneren. Als dat nu eens hier gebeurde. We zouden geschokt zijn, van streek, misschien zouden sommigen de schok niet verwerken. En dan de gevolgen verder! Boetes, inkwartieringen, verkoping van huisraad, gevangenschap. U weet toch waarom? De overheid hield de hand aan een bepaling uit de franse tijd: voor samenkomsten van meer dan 20 personen moest goedkeuring worden gevraagd.
Wel stond er in de grondwet - ons land had immers sinds kort een grondwet, na de franse tijd - dat er vrijheid van godsdienst was en dat de godsdiensten vrijelijk beoefend mochten worden, maar dit waren dan de bestaande godsdiensten. De afgescheidenen waren geen 'bestaande' godsdienst, maar een nieuwe kerk. Hun trof dus dezelfde moeite als die de eerste christelijke kerken ook kenden.
De romeinen erkenden wel de bestaande godsdiensten en lieten die vrij, zoals de Joodse, maar de Christenen, dat was een nieuwe godsdienst. Zo ook meteen na de afscheiding. Inkwartieringen, 'inlegeringen' zoals toen gezegd werd, waarbij de predikanten soms 10 soldaten in huis kregen, waarbij een simpel, alleenwonend meisje, dat maar een huisje, een hutje eigenlijk, van één kamer had en toch een soldaat ingelegerd kreeg, waarbij in sommige gezinnen vrouw en dochters veel te stellen hebben gehad om de dragonders zich van het lijf te houden, afgedacht dan van de moppen die ze te horen kregen, en dan de kosten!
Dat kwam er nog bij. De mensen van Wezep, waar veel inlegeringen waren, vroegen vergoeding.
Zij waren de armsten van het land, maar vergoeding kregen ze niet. In het militaire mars reglement stond dat de inlegeringen moesten plaatsvinden bij mensen van alle gezindten, maar voor zover ik weet was er maar 1 burgemeester die daar de hand aan hield. Het was die van Emmikhoven, bij Almkerk.
Hij nam zelfs ontslag. Dat deed ook de veldwachter van Spakenburg, Dirk Koelewijn. De meeste mensen hadden een duivels vermaak in de vervolging van de afgescheidenen. Hun kerkdiensten werden ook door het publiek verstoord, zoals in Woudrichem waar zelfs een meisje door mannen uit het publiek werd gegrepen en verkracht.
Marinus v. d. Giesen werd met anderen, Barend Biesheuvel, Govert Pellikaan e.a. gepakt en geboeid.
Sommigen werden opgeborgen in de toren van Woudrichem, waar de temperatuur vaak onder nul was, en overgebracht naar Den Bosch. De vromen aldaar zagen de groep geketende gevangenen, die voortgedreven werd, en wierpen hun eigen jas om de schouders van de verkleumde gevangenen. Marinus v. d. Giesen werd in de Bossche gevangenis ziek, toen hij 3 maanden later, dus na een gevangenis van een half jaar, stierf hij in de gevangenis. Zijn vrouwen kinderen waren er niet bij. Ze konden er niet zijn, want ze hoorden het achteraf.
Denk nu niet dat de afgescheidenen willoos berustten. Ze schreven brieven aan de koning, zij werden verdedigd door Groen van Prinsterer en A. M. C. v. Hall. Zij verdedigden zich in hun tijdschrift, De Reformatie.
Scholte kon zelf prachtig spotten. De broeders en zusters van Loosdrecht en Spakenburg vergaderden op zee, de Zuiderzee heette het toen, en Scholte vroeg: Waar blijven nou de soldaten om onze dienst te verstoren?
Zij wagen zich niet op het water, nu de zee nogal woelig is, we wachten nu maar op de marine.

(volgende week het slot)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief