Allerzielen

1985-11-01
  • Jaargang 29
  • nummer 42
Daar komt in het Liedboek voor de Kerken een gezang voor, dat voorlopig waarschijnlijk niet in de Gereformeerde Kerken zal worden gezongen. Dit gezang is ondanks zijn prachtige melodie door onze Liturgische Werkgroep afgekeurd als onbruikbaar. En achter dit oordeel staat het oordeel der Reformatie, die de gebeden voor overledenen afschafte.

Want ja, lied 273 bevat een gebed voor onze overledenen. Een ontroerend gebed, zo niet een schokkend gebed. Wij herinneren ons, dat we de eerste maal in dit land geconfronteerd werden met een kerkelijk gebed, waarin Gods genade ook voor onze overledenen werd afgesmeekt. Hadden wij dat wel goed verstaan? Ja, dat was goed begrepen. En in elk geval met Remembrance Day, ongeveer samenvallend met Allerheiligen en Allerzielen in de kalender, der Roomse en Anglicaanse Kerken, bidt heel het land voor de zielen van afgestorvenen; brengt ze voor Gods troon, roept de genade van onze Verlosser in. En voor de Reformatie deden dat ook onze vaderen, eeuwenlang.
Lied 273 is toch onze aandacht best waard. Het is gedicht door de Amsterdamse advocaat Mattheus Verdaasdonk (1918-1966), heeft de. vorm van een pleidooi en is getoonzet door Herman Strategier.
Het is een gebed bijzonder voor overledenen die door een zwaar lijden zijn gegaan. En hun lijden, dat ongetwijfeld met de menselijke zonde verweven is, wordt als een argument in het geding gebracht.

Heer, herinner U de namen van hen, die gestorven zijn, en vergeet niet dat zij kwamen langs de straten van de pijn, langs de wegen van het lijden, door het woud der eenzaamheid, naar het dag en nacht verbeide Vaderhuis, hun toebereid.

Pijn, lijden, eenzaamheid en sterven. Maar wèl het geloof ineen Vaderhuis met veel woningen. Het pleidooi is ingezet, de advocaat gaat verder.

Heer, herinner U hun luistrend wakker liggen in de nacht en hun roepen in het duister, de armzaligheid van 'hun kracht, en wil zeer aandachtig lezen in de rimpels van hun huid de verscheurdheid van hun wezen, en wis hunnen zonden uit.

Er zijn patiënten, die ganse nachten doorwaken. Er zijn zieken, die kermen 'omdat hun krachten tekortschieten. De pijn van hun kwaal staat op hun gezicht te lezen. Sommige ziekten scheuren een mens immers uiteen. Maar nu de advocaat tot zijn verzoek komt, luidt dat in eerste instantie: wis hun zonden uit.


Die Maria hebt vergeven en de rover aan het kruis, laat de doden eeuwig leven met U in het paradijs.
Heer, herinner U hun namen, oordeel hen en spreek hen vrij, en bedek hun schuld en laat hen zitten aan uw rechterzij.

De vraag om vergeving wordt gesteld op grond van Gods vergevende genade. Maria van Magdala, de moordenaar of de rover die met Jezus gekruisigd werd - ze vormen precedenten in dit pleidooi. Bij de Heere is toch geen willekeur, geen aanzien des persoons? God is toch niet despotisch, als de afgoden? En de namen worden nogmaals gepresenteerd; het verzoek wordt nader geconcretiseerd. Geen uitstel van behandeling wordt verzocht - maar vrijspraak!

Vrijspraak in ruil voor lijden? Allerminst. Vrijspraak op grond van Gods genade in Christus, mede gezien de omstandigheden van het lijden. Is in de gelijkenis van de arme Lazarus niet door de Heiland zelf de gedachte aangereikt: dat er verband bestaat tussen onze voor of tegenspoed in dit leven en onze toekomst? Daarom wordt vrijspraak bepleit. En vrijspraak naar recht (omdat zijn zonden bedekt zijn) geeft een plaats in parte dextra, aan Gods rechterhand. Niet minder dan dat. Gelukkig de mens, die in Christus wordt vrijgesproken.

Nu komt de vraag op: is dat oordeel al niet bij het sterven vastgesteld? Is de boom niet blijven liggen waar hij gevallen. is? Zegt de Catechismus niet, dat bij ons sterven onze ziel van stonden aan volkomen zaligheid bezit? En is hiermee niet afgerekend met de Roomse leer van een vagevuur, een loutering in de tijd?

Het Compendium erkent dat de leer van het vagevuur, hoewel nergens aangeduid, stellig achter dit lied heeft gezeten. Maar zegt meteen dat de RK Kerk "voor die leer wel eens betere gronden kon hebben dan door protestanten doorgaans wordt aangenomen". Dat is dan nog een voorzichtige uitspraak. Als wij eens een grond zouden mogen noemen: wanneer in de Openbaring gesproken wordt van "zielen onder het altaar" - dat is van martelaren, wier bloed als dat van offerdieren van de altaren afdroop - dan blijkt althans in dit visioen, dat onze overledenen niet altijd in volkomen zaligheid leven, maar kunnen roepen om de afwikkeling van hun geding!

Dat "van stonden aan" uit Zondag 22 is trouwens niet altijd in de Reformatie zo gesteld. Wij herinneren ons een publicatie van een onzer meest geleerde en betrouwbare predikanten *). Deze zei dat Calvijn was benaderd door ongeruste christenen met de boodschap: dat sommige leerlingen "van stonden aan" zaligheid voor de gestorvenen verwachtten. Calvijn zou geantwoord hebben: bestrijdt hen niet tenzij ze hun inzicht gaan doordrijven. - Nu, de bewuste uitspraak is later in de Catechismus vastgelegd en het is niet raadzaam haar te bestrijden. Toch moeten we (en dat vragen we van' u) de zaken wat relativeren niet op de spits drijven. Want wat is de Bijbelse grond voor dat "van stonden aan"? Alleen Jezus' antwoord aan de gekruisigde boosdoener: "heden zult ge met Mij...". Maar wat die belofte precies inhield? En of die belofte voor ieder ander geldt? En waarom, zult u vragen, schafte de Reformatie dan de gebeden voor onze gestorvenen af?

Daar zat, vooral in de laatste eeuwen voor de Reformatie; het kerkbederf achter. In die gebeden, opgenomen in de dodenmissen of requiems, was een fors stuk magie ingebouwd, plus de sluikhandel in aflaatbrieven voor gedane en nog te begane zonden. Dié moest de kerk kwijt, wilde ze haar weg zuiver houden. Maar in kerkelijke huishoudens worden wel eens vaker kinderen met het badwater weggespoeld.
En laten we nu, in plaats van te discussiëren, luisteren naar het laatste couplet.

Waarheen zal de mens zich keren, die, staand voor uw aangezicht, uwe liefde moet ontberen bij het eindelijk gericht? Heer, zo Gij niet wordt bewogen door het breken van zijn stem, door de droefheid in zijn ogen - is bij niemand heil voor hem.

De meervoudsvorm, de lange lijst van gestorvenen, wordt versmald tot de enkeling: de mens. Iedere bidder weet wie hij voordraagt. En het pleidooi bereikt zijn apotheose: er is immers geen alternatief?
Zonder Gods liefdevolle vergeving bestaat er immers geen toekomst .voor de zondige mens?

Als God de Heere onbereikbaar zou zijn voor het argument van het lijden zou Hij zijn eigen vaderlijke zorg. en liefde verloochenen. Heeft Hij, die terwille van het lijden van zijn lieve. Zoon de gehele schepping weder aanvaard heeft, geen bewogenheid in het hart, als Hij aan lijden denkt? Dat is onmogelijk. De advocaat heeft gesproken. Hij laat het oordeel in hoogste ressort moedig over aan de Rechter. De uitslag staat in het geloof vast!

Brengt het lijden dan ook maar enige grond voor de vrijspraak? Nog eens: neen. Maar het vormt wel een verzachtende omstandigheid, die door advocaat en rechter, door de bidder en door zijn hemelse Vader, in aanmerking wordt genomen. En is ons zaligmakend geloof zoveel meet waard dan ons lijden? Evenmin, want dat "zaligmakend geloof" maakt ons niet zalig; dat doet alleen onze Heiland: De Reformatie wenste dat ieder zijn eigen verantwoordelijkheid voor God zou verstaan; daarom die afschaffing van het gebed voor de doden - dat zou ons terugwerpen op onze verantwoordelijkheid.

Sterk lijkt ons dit argument niet. Immers ook tijdens het leven zoeken we en bidden om elkaars welzijn. Dat is naar de Schrift. We dragen elkaar op aan Gods troon. Dat is naar de Schrift. Zonder dat de verantwoordelijkheid van onze naaste wordt aangetast.

Maar er is nog iets in: lied 273. In dit gedicht van Verdaasdonk bidt iemand niet voor. zijn eigen zaligheid - maar bidden gelovigen voor de zaligheid van de ánder. Het gebed doet ons denken aan de gevangene in oorlogstijd, die vroeg: "Heer, help die ander, ik kom wel terecht." Is dat geen liefde tot over de dood?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief