Geloof en mensenrechten (1)

1984-10-19
  • Jaargang 28
  • nummer 39
Een gesprekskring van vrouwen uit onze gemeente had zich bezig gehouden met “de rechten van de mens”, zoals die op zo menige plaats in de wereld in de knel komen en vertreden worden. Bij de discussie was o.m. gebruikt het boek van de r.k. docent in Nijmegen D. F. Scheltens “Mens en mensenrechten" (1981), maar de humanistische benadering van de schrijver bevredigde niet. Zodoende werd ik gevraagd daar wat weerwerk op te leveren. Het resultaat volgt hier. Daarbij heb ik met genoegen)zij het toch ook weer kritisch) gebruik gemaakt van het boekje van Aad Kik “Geloof in mensenrechten" (1982).

Aad Kik studeerde theologie en sociale wetenschappen in Nederland en Zwitserland. Na enige jaren predikant geweest te zijn werd hij aangesteld bij het Chr.
Jongerenverbond. Momenteel (als de gegevens nog kloppen) is hij secretaris binnenland van de Interkerkelijke Coördinatie Commissie Ontwikkelingsprojekten; hij is tevens o.m. lid van de werkgroep "Mensenrechten" bij de Raad van Kerken.
De C.D.A.-er Kik voert in zijn geschrift een warm pleidooi voor een christelijke inbreng bij alle activiteiten voor de bescherming van de rechten van de mens.
Vanuit zijn verbondenheid aan de Bijbel oefent hij kritiek uit op het humanistisch uitgangspunt van de "Universele Verklaring van de rechten van de mens" van de Verenigde Naties (10 dec. 1948).

Kik gaf zijn boekje de titel mee "Geloof in mensenrechten". Dat gaat mij te ver. "Geloven in" is een manier van zeggen, die alleen op God betrokken mag worden. Het betekent immers: volstrekte overgave en vertrouwen.
En zo "geloven in" mogen we alleen in God.
Daarom zet ik liever als opschrift boven mijn verhaal: geloof èn mensenrechten. Want er is ongetwijfeld verband tussen het een en het ander, wat Scheltens ontkent.
Wij geloven in God en wij geloven daarom, dat de mens, met zijn rechten èn plichten, alles met God te maken heeft.

Aanleiding voor deze bespreking was vooral de z.g. praeambule van de Verklaring van de rechten van de mens. Een praeambule is een soort korte beginselverklaring, die vooraf gaat aan een aantal artikelen, waarin nader geregeld wordt datgene, waarvan de Praeambule het onaantastbaar uitgangspunt aangeeft.
Zo hebben onze kerken enige jaren geleden regels voor het onderling kerkelijk samenleven aangenomen, waaraan eveneens zo'n Praeambule vooraf gaat Daarbij is als onaantastbaar uitgangspunt gesteld, dat de gemeente van Christus is en dat de gemeenten haar eenheid in Christus beleven.

De Praeambule nu van de Universele Verklaring van de rechten van de mens begint zo: "Overwegende, dat erkenning van de inhaerente waardigheid van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede op aarde ... enz."
Omdat dit de éérste overweging is van de verklaring van de V.N. is ze uiteraard de belangrijkste en principieelste.
Dit is het uitgangspunt en vertrekpunt van al wat verder volgt in zeven overwegingen en dertig artikelen. Dit is de haak, waar alles aan opgehangen wordt. De kracht of de zwakte van heel de Verklaring hangt dus af van de sterkte of de zwakheid van deze haak.

Wat is nu die haak, waar alles van afhangt?
De erkenning van de inhaerente waardigheid van de mens.
Dat wordt de grondslag voor vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld. Hoe sterk of hoe zwak is die haak?
Het belangrijkste woord is hier het woord “Inhaerens", d.w.z. dat de waardigheid van de mens in hemzelf rust, met hemzelf gegeven is, het is als het ware een inklevende innerlijke waardigheid.
Niet van buiten af of van boven af aan de mens gegeven, maar een waarde en waardigheid, die uit de mens zelf opkomt.

Het is natuurlijk niemand ontgaan bij de vaststelling van de Praeambule, dat hier een totaal andere taal gebruikt wordt dan in de Bijbel.
Dáár horen we, hoe de mens door God geschapen is naar Zijn beeld en gelijkenis, en zo van buiten en van boven af als het ware bekleed is met waardigheid, door God gegeven en beschermd.
Zie maar, hoe God het opneemt voor de verslagen Abel tegen Kaïn, die Abels menselijke waardigheid als beeld Gods in Abel niet eerbiedigt, maar aantast en vernietigt.

Het zal niet alom bekend zijn, dat in 1948, bij de vaststelling van de Verklaring de afgevaardigde van ons land nog voorgesteld heeft de relatie van de mens met zijn Schepper op te nemen in de Praeambule! Nederland kreeg toen slechts steun van één ander land! In overgrote meerderheid verklaarde men zich daar tegen.

De Verenigde Naties hebben dus wel een zeer bewuste keus gedaan, tegen de opname van Gods Naam in de Praeambule.
De reden van deze afwijzing valt licht te raden. Het noemen van Gods Naam zou een splijtzwam geworden zijn tussen volken van zo uiteenlopende religies en met name met het a-theïstische Rusland.
Omdat men álle aangesloten landen op deze Verklaring wilde verenigen moest Gods Naam buiten spel gezet worden.

Dit gebeurde in 1948, uit dank voor de van God geschonken bevrijding van 1945! We zijn nu 36 jaren verder. Hoe ver zijn we nu gevorderd is de erkenning van de rechten van de mens in de wereld, niet alleen met woorden, maar ook met daden?
Was de hele opzet niet bij voorbaat van Gods zegen verstoken door het uitrangeren van Zijn Naam? Staan we dáárdoor wellicht voor het feit van toenemend onrecht en geweld en oorlogstoerusting in de wereld?

Om het woord "inhaerent" in de eerste overweging van de Praeambule te verduidelijken en te verdedigen gebruikt Scheltens het voorbeeld van een bankbiljet.
Dat heeft in zichzelf geen enkele waarde. Het ontleent zijn waarde aan een verklaring van de Nederlandse Bank aan toonder.
Als de Ned. Bank er niet meer achter staat heeft ons bankbiljet nog slechts de waarde van een vodje papier. Welnu - zo zou het volgens Scheltens met de waardigheid van de mens staan, als die niet inhaerent was maar van buiten en van boven hem verleend was, door God.
Maar deze vergelijking gaat niet op, van een mèns met een dood stuk papier. De Bijbel toont ons de mens als beeld van God, geen dood beeld, maar levende beelddrager, om Gods beeld te vertonen in handel en wandel.
Hoewel zelf christen gaat Scheltens heel ver in de ontkoppeling van geloof en mensenrechten.
Toch vraag ik me af, of juist hij niet een boek zou kunnen schrijven onder dezelfde titel als dat van Aad Kik: Geloof in mensenrechten.
Bij Kik staat dat niet buiten het christelijk geloof. Bij hem is de geloofsvisie op de mens als naar Gods beeld geschapen de grote bijbelse stimulans voor onze strijd voor de mensenrechten.
Maar ook Scheltens wil zo het christelijk geloof wel waarderen als stimulans. Maar niet als enige grondslag voor de rechten van de mens!
Wat blijft dan anders over, dan dat Scheltens en alle humanisten met hem uitgaan van een "geloof in mensenrechten" an sich, dus los van de bijbelse boodschap over de relatie God-mens.

De volgende week wil ik u graag iets doorgeven van wat Aad Kik vertelt over de Bijbel en de rechten van de mens.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief