Weerbaar eertijds (slot)

1984-10-19
  • Jaargang 28
  • nummer 39

Slot van het referaat gehouden op zaterdag 12 mei in Barneveld op de Ontmoetingsdag.

Scholte verdedigde ook een dienst in Gorkum. Waren er daar wel meer dan twintig geweest? In het proces-verbaal stonden uiteraard alle namen. Maar volgens de wet moest het dan gaan om een samenkomst van mensen die een 'associatie' vormden, een maatschap, in dit geval dan een godsdienstige maatschap.
Voor toevallige samenscholingen van mensen gold het verbod niet.

Welnu, zo toonde Scholte voor de rechter aan, er waren 20 mensen, die de gemeente, de associatie, vormden.
Maar het wetsartikel spreekt van meer dan 20 personen, dan ben je strafbaar als je geen vergunning aangevraagd hebt. Welnu, nr. 21 is de voerman, die enkele gelovigen naar de samenkomst gebracht heeft. Hij komt uit Leerdam en moet wachten. Hij gaat de stad niet in, maar gaat mee het huis binnen en de wet verplicht nergens de eigenaar van het huis zijn deur op slot te doen. Die voerman telt dus niet mee, die zit er als gast, dankzij de gastvrijheid van de huiseigenaar.
Dan is er nog iemand, die boventallig is, boven het aantal van 20. Dat is echter een meisje van 15, ze staat op de lijst als diaken genoteerd, maar dat is een vergissing in het proces-verbaal.
Zodoende moet de conclusie zijn, dat het getal 20 niet is overschreden.
We zagen al, dat het volk, het grote publiek, een hartgrondige afkeer van de afgescheidenen had, de overheid niet minder, maar deze overheid willigde een verzoek in van de Algemene Christelijke Synode van de Ned. Herv. Kerk, die "in de schoot van Uwe excellentie uitstort haar verlangen dat er krachtdadiger opgetreden worde". Ik denk hierbij aan Ef. 6, waarmee we vandaag bezig zijn. We hebben niet tegen vlees en bloed te worstelen, maar tegen machten, machten ook in hemelse gewesten.
Geen enkele exegeet zal daaronder kerkelijke machten verstaan, maar ik waag dat erop.
Toch zit me de vraag ook dwars of wij het nog zouden kunnen hèbben dat allen tegen ons waren, dat we impopulair zouden zijn, in de letterlijke betekenis van dat woord, niet in de gunst bij het volk, maar veracht, gehaat en gehoond, geplaagd.
Een volgende vraag die je dwars kan zitten, is, of wij nog aansluiting hebben bij die afgescheidenen.
Het ging vooral om de Dordtse Leerregels.
Nic. Schotsman schreef zijn erezuil voor de Dordtse synode, De Cock gaf de Dordtse Leerregels uit - de mens in zijn diepe verlorenheid en onmacht, de verkiezing door God, de vrijmachtige verkiezing door God alleen, zulke leerstellingen zijn bij ons ook niet zo meer in ere. Voeg dan daarbij de strenge levenswandel van de afgescheidenen en hun preektrant, dan denken we een ogenblik dat we ons bij hen niet thuis zouden voelen.
Maar het is ook 150 jaar geleden, en dat je het pand bewaren moet, dat je toevertrouwd is, dat betekent niet dat je het in de grond begraven moet, in een vochtvrije trommel, zodat het precies zo blijft zoals het was, nee, de christelijke gemeente moet een groei doormaken. Dat wil nog niet zeggen dat ze zich steeds meer ontwikkelt, dat de kennis van de Schrift en het inzicht in de Schrift en dat het leven naar het Woord steeds beter en rijker wordt - van zulke evolutiegedachten zijn we de laatste tijd wel teruggekomen, maar die gedachten beheersen helaas het godsdienstig denken van nu, trouwens van de tijd van de afscheiding en doleantie ook; nl. de gedachte dat wij alles nu beter verstaan dan de mensen uit de dagen van Dordt 1618, 1619. Nee, maar het is wel zo dat wij geen zonderlingen moeten zijn in deze tijd, mensen die van vroeger zijn en niet van nu; mensen die niet van morgen zijn.
Daarom hebben we een sterke band met de mensen uit de tijd van de afscheiding. Wij zouden ons niet meteen in hun kerkelijke leven thuisvoelen en zij niet bij ons; ze zouden raar opkijken bij ons - maar we hebben dezelfde afkeer van de hiërarchie en dezelfde wens om bij de leer van de Schrift te blijven, en om de belijdenis te handhaven.
Velen bleven achter. Reeds in de dagen van de afscheiding zeiden ze, dat men een zieke moeder niet mocht achterlaten. Het aantal dominees, dat zich afscheidde, kon je tellen op de vingers van één hand en velen die het wezenlijk met hen eens waren, zagen toe en zwegen. Ze leken op de politiemensen, burgemeesters en hoge ambtenaren in de tweede wereldoorlog, in ons land, die te lang bleven, en dat aanblijven verdedigden met argumenten als: je kunt nog eens een waarschuwing laten horen, je kunt nog eens op de rem gaan staan en als ik mijn post verlaat, dan komt er een foute op mijn plek. Zo werd toen gesproken, en nu zijn dat nog de argumenten, maar in die 150 jaar 'waarschuwen' is de Herv. Kerk niet wezenlijk veranderd. De 'verlichtingstheologie' is er niet meer, dat optimisme van de vorige eeuw. Er zijn nu mannen en vrouwen in de Herv. Kerk, die zien hoe het Woord door de Geest bezield is, maar naast hun "ja" tot God en Zijn Woord staat een ander met zijn "nee".
De Afscheiding is geen specifiek Nederlands gebeuren geweest.
In Zwitserland, Schotland en hier en daar in Duitsland had je soortgelijke verschijnselen. Er werden in het buitenland bidstonden uitgeschreven voor de vervolgde medebroeders en -zusters in Nederland. Darby, de man van de 'vergadering', leefde geweldig mee, en aan zulk meeleven hebben de afgescheidenen zich ook opgetrokken. Maar hier stonden ze geïsoleerd, hier in ons eigen land. Ze wisten dat ze niet langer weerloos mochten zijn, ze werden trouwen weerbaar gemaakt in hun verzet tegen de kerkelijke en wereldlijke overheden. Ze verzetten zich en kwamen er zelf toe om zich af te scheiden van het Herv. kerkgenootschap, zoals ze dat toen noemden. In een brochure lichtte De Cock de Acte van Afscheiding toe en hij noemde het: Afscheiding of wederkering. De Afscheiding werd als een terugkeer gezien, als het herstellen van de oude kerk. Ik denk dat dit voor veel gezelschappen, 'conventikels' de redding is geweest.
Ze liepen gevaar in subjectivisme en mysticisme weg te zakken. Veel gezelschappen werden weer kerk, met ouderlingen en diakenen. Dit had betekenis voor de jeugd: de jongens en meisjes heel anders, dan in gezelschappen of een doodse kerk, of in een kerk die in een conflict zit, die innerlijk verdeeld is, in de afgescheiden gemeente behoorden ze er weer bij. Uit eigen familieverhalen weet ik hoe dat toeging. Bijv. als een kind 12 jaar geworden was, dan spraken vader en moeder ernstig over die gebeurtenis met het kind. Want het moest nu voor eigen rekening staan. Als het ziek zou worden en sterven, konden de ouders niet meer zeggen: de Verbondsbelofte is ons tot troost, nee, dat gold volgens de Dordtse Leerregels voor de vroeggestorven kinderen. Een jongen van 12 moest zelf de Here aannemen in zijn hart.
Ik heb de indruk, dat men in de kring der afgescheidenen daar veel aan deed, aan dat spreken met de kinderen. De ouders maakten hun kinderen weerbaar in een wel zeer boze tijd. Ze hadden er zelfs een emigratie voor over naar de Verenigde Staten.
Wij hebben er diep respect voor, voor dat geslacht van toen, het zijn onze voorgangers en dat geloof mogen we navolgen. Hun trouwe daad in het kerkelijk leven is van grote zegen geweest voor de volgende generaties en voor de toekomst geven wij de moed niet op, want geslachten gaan en zullen komen, maar wij zijn in Gods ontferming opgenomen.
Wij mogen bouwen op de vaste grond van Zijn beloften en van Zijn verbond.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief