Zag u ooit een engel?

1984-10-19
  • Jaargang 28
  • nummer 39
n.a.v. "Engelen", door H. C. Moolenburgh, Ank-Hermes, 1983.

Kom, schakel eens even een beetje fantasie in. U gaat morgen naar het spreekuur van uw dokter. Voor een klacht je of voor de afwikkeling daarvan. Een zalfje, een receptje, een verbandje, een bemoedigend woordje en de kous is af. Alleen vraagt de dokter na afloop: mag ik nog even een paar antwoorden van u hebben voor een enquête?

Een enquête! Natuurlijk zegt u ja. Uw mening is waarschijnlijk belangrijk genoeg om in een volksmening mee te tellen. Daarom luistert u graag naar wat de dokter van u wil weten.

Eerste vraag. Hebt u een bepaalde godsdienst?

Nogal eenvoudig: de christelijke godsdienst; en als u meer wilt weten: lid van een der gereformeerde kerkegroepen. Uiteraard wel van de beste!

Prachtig. De tweede vraag, waar het op aan komt, luidt: hebt u ooit in uw leven een engel gezien - en wat is hiérop uw antwoord?

Uw fantasie kan weer op stal gaan. Deze enquête is waarlijk gehouden, een paar jaar geleden in Haarlem. De arts H. C. Moolenburgh ondervroeg 400 patiënten op zijn spreekuur, vanaf een willekeurige dag totdat zijn papier vol was. Vierhonderd mensen gaven hun antwoord. Hij werkte de enquête-gegevens uit; voorzag die van commentaar en ziedaar, het eerst deel van zijn boek "Engelen, als beschermers en als helpers der mensheid" was gereed. Hij maakte zich er hiermee niet van af: de engelen inspireerden hem tot verdere studie en het tweede deel is omvangrijker geworden dan zijn rapport.

Tesamen een boek, dat alle kennis van de laatste drieduizend jaar over het onderwerp "engelen"
bevat. Een boek dat alle kennis, die de Bijbel ons over engelen geeft, heeft verwerkt.
Een boek, dat niet slechts boeiend is omdat de realiteit van Gods schepping behingrijker is dan de stoutste science-fiction roman; maar vooral omdat het u een helder licht geeft op onze taak, met hulp van engelen deze aarde te bouwen en te bewaren.

Dit is geen vrijblijvend boek, dat u met rode oren leest en met een zucht terzijde legt om het te vergeten.
Dit is een boek om opnieuw te lezen, en het daarna wéér geheel opnieuw te ervaren.

Laten we beginnen met de vraag.
Zág u ooit een engel? Wat, weet u dat niet zeker? Moet u daar lang over nadenken? Nu, de grootste groep ondervraagden moest er ook lang over nadenken.
Het antwoord bleef echter: nee.

De antwoorden en vooral de reacties der ondervraagden bleken een nadere beschouwing zeer waard te zijn. Er waren er die de vraag niet wilden hebben verstaan; anderen schoten ontspannen in de lach, of waren verontwaardigd, geschokt, tot huilens toe bewogen (drie personen) of bereid aan te tonen dat de vraag onmogelijk was.

Doordat de dokter vooraf zijn vraag naar de religie gesteld had, kon hij nagaan dat de lachers, de peinzers en de verontwaardigde patiënten vrijwel gelijkelijk uit gelovige en ongelovige kringen kwamen. Om een vraag naar engelen te beantwoorden maakt het (zegt de schrijver) weinig uit, of men in de kerk met het onderwerp is vertrouwd gemaakt of niet.

Maar afgedacht van de zeer uiteenlopende reacties van de ondervraagden, kwamen er veel meer positieve antwoorden los dan de schrijver maar in de verte durfde vermoeden. Die antwoorden kwamen eveneens gelijkelijk uit gelovige en ongelovige monden. Weliswaar sloegen vele antwoorden niet direct op de vraag zelf, maar hielden er zijdelings verband mee; ze toonden namelijk aan dat deze patiënten open stonden voor ervaringen uit de onzienlijke wereld. En niet minder dan 31 personen, acht procent der ondervraagden, antwoordden met: ja!

De schrijver, die met minimale getallen werken moet, is wetenschappelijk-hard voor zichzelf.
Meedogenloos streept hij een aantal antwoorden door, die wel belangrijk zijn maar niet precies aan de vraagstelling tegemoet komen.
Daarna houdt hij alleen die gevallen over, waarbij een engel bewust (dus niet in coma, niet in de droom, niet in een verdrinkingscrisis) als een beschrijfbare persoon is waargenomen. Dat is anderhalf procent van de kleine ondervraagde groep. Er zouden dus in Nederland tenminste 150.000 mensen moeten rondlopen, die wel eens een engel zagen? Dat is dan wel een goed bewaard geheim! Maar de schrijver veronderstelt, dat zijn persoonlijkheid wellicht onbewust selectief is geweest voor zijn cliëntenkring; bepaalde mensen zouden zich misschien tot hem voelen aangetrokken. Welnu, hij is bereid om 99% van zijn uit komst te laten vallen. Zo komt hij tot de conclusie, dat op zijn aller-allerminst 1500 mensen in ons land wel eens een engel moeten hebben gezien.

Ze hadden daar niet over gesproken.
Want tot de kenmerken van degenen, die wel eens een engel ontmoetten, behoren: grote nood, ongedachte uitkomst en een zorgvuldig bewaren van dit geheim; als Maria. Maar hun ervaringen klopten geheel met de verschijningen, die we uit de Bijbel kennen. Abraham kreeg drie mannen op bezoek - ze bleken engelen te zijn. Lot kreeg daarna twee mannen op bezoek - ze bleken engelen te zijn. Een man worstelde met Jacob - een engel. Eliza's knecht zag rijen soldaten om de belegerde stad Dothan liggen - het waren engelen.
De drie vrienden van Daniël werden in een oven geworpen maar verbrandden niet, omdat een vierde man hen beschermde - een engel. Daniël zelf werd in een leeuwenkuil gegooid, maar een engel beveiligde hem tegen de leeuwen. De profeet Zacharia zag een man op een roodbruin paard rijden - een engel. De maagd Maria kreeg de engel Gabriël op bezoek; ze was ontroerd, niet om zijn verschijning maar om zijn boodschap.
De beide Maria's kwamen naar Jezus' graf en vonden een lichtgevende man, die de wachters op de vlucht had gejaagd en de steen had afgewenteld een engel. De officier Cornelius kreeg een man in blinkend kleed op bezoek, die hem naar Petrus stuurde: een engel. Later werd Petrus zelf door een lichtgevende man uit de gevangenis van Herodes gered - een engel. En zo voort!

Alle waarnemingen die dr Moolenburgh registreerde betroffen gewone mannen, weliswaar jong en knap, maar onopvallend gekleed.
Ze kwamen van "om de hoek": niemand had één zien aankomen. Ze deden hun werk vriendelijk en ernstig en verdwenen weer "om de hoek": in het nergens. Ze lieten de geholpenè achter in een toestand van blijde verbijstering, die in zwijgzaamheid overging.
Vindt u dat vreemd? De Bijbel staat vol van Gods ingrepen door middel van zijn boodschappers - zou Gods hand vandaag verkort zijn? In de middeleeuwen kende men nog de engelenverhalen, stond men open voor de onzienlijke wereld, ervoer het bestaan van een vierde dimensie, Gods koninkrijk onder ons. In de eeuwen van materialisme, rationalisme en technocratie zijn wij mensen wel afgestompt voor de onbewijsbare relaties met de hemel - maar er is een kentering gaande, die ons terugbrengt op onze plaats: schepselen Gods, erfgenamen van zijn beloften voor een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Wanneer we Gods Woord serieus nemen - en welk kerkmens zou dat weigeren? - dan weten we ons omringd door Gods dienaren, boodschappers.

Ja, boodschappers schijnt wel de beste vertaling voor angelos. Ze zijn immers "gedienstige geesten, uitgezonden ten dienste van hen die de zaligheid zullen beërven", Hebr. 1 : 14. Ook elk kind heeft zijn eigen engel, zijn "beschermengel", zoals de kerk voor de reformatie geleerd heeft. Zo zegt het trouwens de Heiland (Matth.18 : 10); ook dat zo'n engel in dagelijks contact met God staat.
En als elk kind een engel naast zich heeft ligt het voor de hand, dat wij allen onze beschermengel naast ons hebben. Hoe vaak zijn we niet ternauwernood aan een levensgevaar ontsnapt? Hoe vaak werd ons oog niet getrokken naar iets, dat we eindeloos hadden gezocht? Hoe dikwijls hebben we in nood om uitkomst gebeden, zijn gered en mochten "dank u"
zeggen?

De idee van een beschermengel schijnt nog niet direct bij u aan te slaan. Goed, misschien wilt u er nog eens over nadenken, bizonder over Matth. 18: 10. En wanneer uw twijfels zich op getallen gaan concentreren (en dat zullen ze, cijferaars die we zijn) dan komt de schrijver dr Moolenburgh u tegemoet. Daniël spreekt van tienduizend maal tienduizenden - zegt hij - en dan bent u al in de honderden miljoenen.
Johannes (Op. 5: 11) noemt dezelfde cijfers. Laten ze misschien symbolisch zijn - Jezus sprak van twaalf legioenen, direct beschikbaar (Matth. 27 : 53) - maar mogelijk zijn de cijfers nog wel veel hoger. Die cijfers zeggen echter: geen wereldbevolking te groot, of God kan er evenveel engelen naast zetten.

Onlangs zei een Amerikaans bureau voor opinie-peiling: dat ook een mini-enquête zijn volle waarde heeft; ze wordt immers door een grote enquête weliswaar gecorrigeerd, maar in hoofdlijnen bevestigd. Dat is een belangrijke uitspraak. Wij zijn vaak geneigd te zeggen: "iedereen zegt het", en bij nadenken blijken die "iedereen" uit 3 tot 4 mensen te bestaan.
We durven dus conclusies aan, die op een smalle basis wankelen.
Maar des te meer waarde kunnen we hechten aan een enquête, niet even op straat onder het oog van een televisielens gehouden - maar in de beslotenheid van de dokterskamer: onder vierhonderd ongeselecteerde patiënten!

We zullen ons wat minder "nuchter", wat meer gelovig moeten opstellen tegenover de dingen, die God in zijn Woord ons aanrijkt.
Engelen waren er al tijdens het paradijs. Engelen waren er bij alle scharnier-situaties van Gods koninkrijk. Engelen zullen er zijn op de jongste dag. Engelen zijn er nu, volop, rondom ons. Ze willen ons van dienst zijn en ons geschikt maken voor het komende koninkrijk.

Over 2-3 weken gaan we verder.
Voordien biedt ons blad geen plaats.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief