Van kromme stokken en rechte slagen

1984-10-19
  • Jaargang 28
  • nummer 39
" ... uit dit alles tesamen genomen is het nu meer als duidelijk geworden, dat de Nederlandsche Hervormde Kerk niet de ware, maar de valse Kerk is volgens Gods Woord en art. 29 van onze belijdenis, weshalve de ondergetekenden met dezen verklaren dat zij overeenkomstig het ambt aller gelovigen art. 28 zich afscheiden van degene die niet van de Kerk zijn, en dus geen gemeenschap meer te willen hebben, met de Nederlandsche Hervormde Kerk) tot dat deze terugkeert tot de waarachtige dienst des Heren ...

Akte van Afscheiding, 14 oktober 1834

... Doch er is ook een voorzichtigheid die God mishaagt in Zijn dienaren, nl. die vleselijke voorzichtigheid waarheen ons onze natuur en de Duivel gedurig trekken wil en die meer de mensen vreest, die het lichaam kunnen doden, dan God, die beide, ziel en lichaam kan verderven in de hel."

Brief van De Cock aan Molenaar, mei 1833 1)

Nog onverwacht
"Op 9 oktober kwam Scholte onverwacht op bezoek. Op uitnodiging van de kerkeraad preekte hij de volgende dag, een vrijdag, des avonds, met doopbediening.
Reglementair was dit preken van Scholte niet in orde. Omdat de gemeente tijdens de schorsing voor vacant gold, had men de consulent om toestemming moeten vragen. De volgende zondag preekte deze zelf in een stampvolle kerk, omdat de gemeente Scholte weer verwacht had. Deze vroeg toestemming om 's middags te preken, wat de consulent weigerde. Hierop ontstond gedrang en tumult waarna de kerk op verzoek van de kerkvoogden door de politie ontruimd werd. De kerkvoogden waren geen medestanders van De Cock. De tegenstelling tussen hen en de kerkeraad had ook een sociale achtergrond: het was die tussen de gezeten boerenstand en de "mindere man".
Scholte preekte zondagmiddag in de open lucht en vertrok dezelfde avond nog naar Groningen.
Toen hij vertrok wist hij niet beter, dan dat De Cock van plan was zich nog eens tot de koning en de algemene synodale commissie te wenden. Hij had hem wel tijdens zijn bezoek allerlei adviezen gegeven, maar een plan tot afscheiding hadden zij samen niet gemaakt. Het besluit tot afscheiding was in deze dagen bij De Cock zelf gerijpt, en hij deelde dit maandagavond aan de kerkeraad mede, die er al eerder op had aangedrongen.
Diezelfde avond werd de door De Cock opgestelde Acte van Afscheiding of wederkeering door de kerkeraad, bestaande uit twee ouderlingen en drie diakenen, ondertekend .... De volgende dag werd het besluit van de kerkeraad aan de gemeente voorgelegd, nadat men onder de indruk van de ernst der beslissing knielende had gebeden. De grote meerderheid tekende: 137 personen .... "Het was in hoofdzaak de gewone man, die te Ulrum de acte ondertekende. Misschien kan in sommige opzichten gesproken worden van de "mindere" man. Een zeker gevoel van eigenwaarde tegenover zich op de voorgrond plaatsende dorpsgenoten schijnt in verschillende gevallen mede de beslissing te hebben bepaald." Zo schrijft (en citeert) Rasker in zijn boek, pp. 63, 4.

Aanvallen
Twee zaken hadden met name gespeeld bij de gang van zaken in Ulrum. Of, zo men wil, één zaak, namelijk de schorsing van ds De Cock. Die was echter vooral door twee dingen veroorzaakt.
Temidden van de vele incidenten, en de steeds nieuwe verwikkelingen die ook uit correspondenties en besluiten van kerkelijke vergaderingen onophoudelijk blijken, komen twee motieven naar voren.
De Cock had kinderen gedoopt uit andere gemeenten.
De meeste schrijvers die ik erover gelezen heb menen dat dat op zich niet onreglementair was; ook wijzen ze erop hoe slecht De Cock dat Reglement feitelijk kende en hoe hij beter van zijn rechten gebruik had kunnen maken.
Dat zal dan wel zo zijn. Anderzijds is het met name de uitgave van zijn boekje geweest die buitengewoon veel kwaad bloed zette. In het overheidsrapport (dat vorige week werd geciteerd) kwam dat ook al naar voren.
Verdediging van de ware Gereformeerde leer, met als ondertitel de Schaapskooi van Christus aangetast door twee wolven en verdedigd door H. de Cock, gereformeerde leraar te Ulrum.
Daarin valt hij twee collega's uit zijn regio, zijn "ring" zó aan, dat aktie van de kerkelijke overheid vooral hierdoor wordt opgewekt.
Daarover komen besluiten, correspondenties met de overheid, en wat al niet.

Hoe was dat zo gekomen. "Van de hand van verontwaardigde collega's verschenen twee brochures, een van ds L. Meyer Brouwer te Uithuizen en een van dr G. Benthem Reddingius te Assen, die ook lid van de synode was.
Reddingius keerde zich vooral tegen de conventikelmensen die hij seperatisten noemde ...
In zijn geschrift de Schaapskooi "was De Cock heel persoonlijk.
Hij zei van mening te zijn, dat de Heer Brouwer godloselijk lastert tegen zijn dure eed en plicht", dat hij "het waarachtig Christendom bestrijdt, de ware Gereformeerde leer, die hij gezworen heeft te zullen leren en verdedigen, haat, bestrijdt en tegenstaat" ... en dat "de heer Reddingius... blijkbaar in een grond" staat met Brouwer, "maar iets listiger en daardoor ook geveinsder en trouwelozer nog." (Rasker, a.w. p. 59).

Bitterheid
En zo wordt feitelijk dit stuk aanleiding tot een bittere stemming bij vergaderingen die over De Cock's optreden gaan. Mijns inziens terecht zegt Rasker dan ook: "Veel meer dan van theologische of kerkrechtelijke geschilpunten was er verbittering vanwege het feit dat De Cock ongeschreven regels van collegialiteit in de predikanten'stand' had geschonden." Als de vergadering eenstemmig uitspreekt dat De Cock "in alle delen van zijn dienst" moet worden geschorst, echter met behoud van tractement, ligt ook de nadruk op "strafbare belediging en liefdeloze veroordeling van twee zeer achtenswaardige leraars, op het verwekken van wanorde en verwarring door het dopen van kinderen en het geven van privéonderwijs aan personen in andere gemeenten woonachtig." (Rasker, 60).
Verbittering dus, scherpe woorden, geladen daden, aan twéé kanten! Daar is niet veel goeds van gekomen, voor beide kanten is het bijna rampzalig geweest.
Alvorens we zouden spreken van "trouw gebleven aan de confessie" of "Gods grote heilsdaden in de Afscheiding" (hebben we vergelijkbare woorden ook later niet eens gehoord?) is het goed ook de nadruk te leggen op de tragedie van dit alles. Hoe zou het nederlandse kerkelijke leven er hebben uitgezien, als de Afgescheidenen in de grote Volkskerk waren gebleven? Zou daardoor niet veel ten goede zijn gekeerd?
Of was Afscheiding zó onoverkomelijk dat het maar goed is dat het toen gebeurde?
Men kan wijzen op de latere bloei van de Gereformeerde Kerken, maar is daarmee dan alles gezegd?

Scherpe woorden en betreurenswaardige daden. Nogmaals Rasker: "Formeel was de procedure (die tot De Cock's schorsing leidde, PJvK), waarmee men grote haast had gemaakt, niet in orde." ... De Cock was ook nu nog niet van plan zich onreglementair te gedragen ... Hoe weinig hij op scheiding uit was bleek uit het feit, dat hij zich tijdens de schorsing van ambtswerk onthield.
Met velen die van elders gekomen waren, bezocht hij bidstonden en oefeningen, maar zelf ging hij niet voor." (Rasker, a.w., 60, 61). Een "hervormde stem" die De Cock van grote schuld ontlast.
Daarna komt echter de invloed van Scholte, die toch veel scherper was ;en in het vervolg daarvan ligt De Cock's eigen beslissing zich af te scheiden.

Wars en schipperen
Naast de bitterheid die wordt opgeroepen moeten we het hier echter ook over De Cock's integriteit, openheid en werkelijke bewogenheid hebben. En over de moeiten die hem in deze tijd overkwamen. Ik citeer uit het boek van Keizer, ook in vorig artikel al aangehaald: "Reeds in deze tijd leed hij. Hij leed veel, wijl hij de Kerk der vaderen zo lief had, hij leed ook veel, omdat hij vorst en volk lief had. Hij leed ook veel vanwege de smaad en de laster waarmee hij gesmaad werd in vergaderingen en geschriften. Daar kwamen nog de plagerijen bij waaraan hij zich steeds meer blootgesteld zag.
Kerkelijke besturen betoonden zich zo onwelwillend jegens hem." (254) "Aan De Cock zou steeds duidelijker worden welk een haat hij door zijn spreken als door zijn schrijven ontketende, doch hij geloofde en daarom getuigde hij.
En uit de innige diepte van zijn overtuiging handelde hij getrouwelijk tegenover zijn God en tegenover zijn naasten." (Keizer, 266) De felheid waarmee hij getuigde "tegen de loochenaars, de lasteraars, ondermijners en afbrekers" van het gereformeerde geloof suggereert ook een hàrtstocht voor het wel en wee van de Kerk, die een Ander dan koning Willem I toebehoorde.
Zo wordt voor mij, kijkend over een kloof van 150 jaar, De Cock tot een gedrevene, maar niet tot een fanaticus. Tot iemand die, vrees ik, misschien wel onwijs was in zijn polemiek, maar totaal eerlijk in zijn bedoelingen.
Het lijkt me juist om met Keizer De Cock "een rondborstig man ... , wars van schipperen en van diplomatie" te noemen. (p. 254)

En toch
De felheid waarmee men in de dagen van 1833-1834 polemiseerde was er opnieuw toen, al vóór 1838, vier jaar later, de toch al kleine groep Afgescheidenen het onderling oneens raakte. Ze viel uiteen in twee groepen, die met ongemene felheid en bitterheid, en met ongehoorde - en bijna onvergeeflijke - persoonlijke aantijgingen elkaars gelijk betwistten. En hetzelfde weinig verheffende zuurdesem van de bittere polemiek heeft ook in onze eeuw haar kerkverwoestend werk gedaan.
Was het niet - om het op z'n Engels te zeggen - inderdaad vaak "the substance", maar ook heel vaak "the style" van de discussie, die de zaken kapot maakte, families uiteen scheurde en menig leven versomberde, en wie weet, meerderen tot een vervroegd levenseinde bracht?

En toch. En toch valt in dit alles ook iets op van grote warmte.
Van sterk staan in nood. Dit waren weerbare mensen! Wie heeft de niet lang tevoren plaats hebbende cholera-epidemie vagelijk iets met deze kerkstrijd uitstaande gehad. Het zal mensen in elk geval levensernst hebben geleerd. Wie weet, hebben historici en sociologen ook wel gelijk, als ze denken dat "er sociaal-economische spanningen op het Groningse platteland bestonden"
en "een proces van sociale daling... zeker wrokgevoelens zal hebben- gewekt, die waarschijnlijk mede in de daad van Afscheiding een uitweg hebben gevonden." (Becker, a.w.110, 111). Wie kan echter ook Beckers conclusie betwijfelen: "Een verklaring van de Afscheiding zal dan ook meer factoren dan alleen sociaal-economische in aanmerking moeten nemen."

Het wonder van de 19e eeuw
In hoeverre heeft in dit alles de dood van De Cock's oudste dochtertje een rol gespeeld? Of het feit dat zijn vrouw Frouwe juist tevoren "in de ruimte was gesteld"
(de Afscheiding was veel bevindelijker dan wij nu vaak denken)?
Of de invloed van Scholte? Of...
Er was heel wat dat dubieus was, denk ik soms.
Er was ook heel wat dat waardig was, deugd heet en lof verdient.
Tenslotte - en is dat niet het belangrijkste - is ook uit die Afscheiding ook veel goeds gekomen?
Om met de grote Hendrik Algra te zeggen, in de 1ge eeuw was er ook "het Wonder". Misschien geen groter wonder dan te zien dat God met een kromme stok, een dubieuze stok, een weinig achtenswaardige stok, toch een slag heeft geslagen, die wij - in ootmoed - ook als een rechte slag mogen ervaren.

1) Geciteerd uit Keizer, De Afscheiding, 1934, p. 252.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief