Johannes 11 en de troost voor bedroefden
1985-11-08
Liefde zonder almacht- Jaargang 29
- nummer 43
Als men zich wat verdiept in de theologie van de laatste tijd, dan komt men geregeld de opvatting tegen, dat God niet almachtig is, maar dat Hij naar zijn almacht op weg is. We komen er dan ook al gauw achter, dat die bewering niet beschouwd wordt als een verheven theorie, maar als een verlossend woord voor de praktijk! En dan denkt men niet in de eerste plaats aan de troost die gebracht moet worden aan hen, die door een diepe droefheid zijn getroffen.
Denk maar aan het ontslapen van een zeer geliefde.
De troost wordt gebracht. Gezegd wordt, dat God met al de diepte van zijn hart met u begaan is, met u meeleeft. Met u kijkt God verlangend vooruit naar het uur van de vervulling, naar het uur van zijn almacht. Dan zullen alle tranen van de ogen worden afgewist. Wat gebeurt hier eigenlijk? Raak werd dat in het verleden eens getypeerd door onze Ds. H. de Jong: God is niet meer de directeur van het wereldbedrijf, Neen, Hij is de meevoelende personeelschef geworden, die erg met je lot begaan is, maar die net als jijzelf maar moet afwachten tot de tijden beter worden!
Er zit iets aantrekkelijks in die moderne gedachte. Waarom?
Omdat ze ons wil verlossen van het aanstoot nemen aan Gods beleid! Bracht de oude gedachte van Gods almacht niet altijd die grote moeite met zich mee, dat je God wel haast verwijten moestgaan maken? Als Hij almachtig is, dan had Hij dit - dit grote leed - toch kunnen voorkomen? Is dit nu de hand van een Váder? De nieuwe gedachte wil ons van die moeite verlossen. Er zit ook een heel groot stuk reactie in. Reactie op een vroegere gedachte. Reactie op een vroegere praktijk!
Almacht zonder liefde?
Hoe was dan die vroegere praktijk? Of beter gezegd: Hoe was die praktijk dan váák? Er was inderdaad vaak sprake van moeilijke vertroosters - om Job's klacht even over te nemen. Ze legden alle nadruk op Gods grootheid en zijn onbegrijpelijkheid. En op Gods plan dat in alle dingen wordt gerealiseerd. En ze zeiden, dat je toch maar moest geloven, dat het gebeuren een goede strekking had en dat het heus ergens toe dienen zou! Was dat dan allemaal niet waar? Staat het zo ook niet in Romeinen 8 : 28 en in Zondag 10? Inderdaad! Je kunt niet zeggen, dat de troostwoorden op "vierkante nonsens" neerkwamen. De kritiek moet heel wat bescheidener zijn. Er werd te weinig gezegd! En daardoor ook weer te véél. En aan het begin werd al gezegd wat onder de zegen van de Here het einde van de overleggingen kan worden. Want nu werden de bedroefden vaak niet werkelijk vertroost. Zij leerden berusten. Maar was dat iets anders dan het opgeven van een nutteloos verzet? Zij hadden veel gehoord van almacht en van een onweerstandelijk plan. Maar, ze konden in dat alles de liefde Gods niet 'vinden. En wat ze vaak verloren, was het vertrouwen, dat bidden zin heeft en betekenis! Almacht? Ja. Maar...waar is de liefde? Waar is de hand van een liefhebbend Vader?
Waar de uitersten elkander raken!
Moeten we nu maar kiezen? Voor liefde zonder almacht? Of voor almacht zonder liefde?
Ik hoop, dat we allemaal beseffen; dat dat een verschrikkelijke keus zou zijn! En ook nu gaat het maar niet om een waarheid voor de theologen. Maar om een zaak die direct het leven van ons christenen raakt! De verschillende standpunten hebben een bepaalde zaak gemeen. De uitersten raken elkaar. Er is een benauwende vraag, die naar beide kanten moet worden gesteld: Wat is de zin van het gebed nog? Valt het gebed niet weg uit het beeld?
Dat wordt van beide kanten op heftige wijze tegengesproken. Men zegt met nadruk, dat het gebed blijft en dat het· ook belangrijk blijft. Maar... is er in dat gebed nog sprake van een werkelijk vragen en smeken? Is het nog zo, dat men bij alles zijn wensen door gebed en smeking onder dankzegging, bekend laat worden bij God (Phil. 4 : 6)? Wordt het gebed in de moderne stroming niet zoiets als een bedachtzaam spreken van een vriend tot zijn vriend? Zonder een echt vragen? Wat moet, je vragen aan iemand, die naar zijn almacht nog maar op weg is?
En wordt het gebed in de strakke rechtzinnigheid niet heel vaak een betuiging van onderwerping, een bereidverklaring tot berusting? Zonder dat er ook hier nog werkelijk gevraagd en gesmeekt wordt?
Inderdaad, ook hier kunnen uitersten elkaar gaan raken: Dus: keus uit beide! Maar wat dan wèl?
Johannes 11: Lazarus' sterven en het plan van God
In het machtige elfde hoofdstuk van het Johannes evangelie wordt ons het sterven van Lazarus verhaald.
En het merkwaardige gedrag van de Here, die, zich, toen Lazarus nog in leven was, helemaal niet heeft gehaast om hem genezing te brengen! In vers 14-15 zegt Jezus ronduit: "Lazarus is gestorven, en het verblijdt mij om u, dat Ik daar niet geweest ben, opdat gij tot geloof komt; maar laten wij tot hem gaan".
Hier ontvangt het sterven van Lazarus een plaats in het heilsplan van God en op de arbeidsweg van Jezus Christus. Het zal een dienst hebben te verrichten met het oog op het geloof van de discipelen. Met het oog op het geloof, waarin ze moeten staan en leven om straks anderen tot dat geloof te kunnen roepen. Uiteindelijk heeft de Here in dat stervensgebeuren van Lazarus ook ons al op het oog gehad. Een plaats in het plan van God. In het heilsplan van God!
Dan zeggen we misschien erg gauw, dat het vervolg van het hoofdstuk - de opwekking - alles wel duidelijk maakt. Dan lezen we te vlug! We moeten proberen de geschiedenis op de voet te volgen. Alle elementen moeten we tot ons laten doordringen! En als dan aan het einde "alles duidelijk wordt" zou dat ons kunnen bewegen tot het vertrouwen op de Here, ook in al die gevallen, waarin dat duidelijke en doorzichtige einde niet - nog niet - aanwezig en zichtbaar is!
Johannes 11: Lazarus' sterven en het wenen van Jezus
In het vervolg van de geschiedenis komt - zo zou ik het willen zeggen een merkwaardige 'kniek' voor. Het is niet zo, dat hier sprake is 'van een vlotte en vrolijke uitwerking van het grote plan van God. In vers 33 lezen we, dat Jezus" verbolgen werd in de geest en diep ontroerd". En in vers 35 treffen we aan het kortste vers van de Bijbel, dat toch zo véél zegt: "Jezus weende"!
Vers 33 spreekt van een heilige boosheid en van een diep geschokt zijn. En dat wordt duidelijk verbonden met het wenen van al die rouwdragenden. Bóós is de Here om dat verschrikkelijke dat door de duivel en door ter herinnering de zonde in Gods wereld is binnengebracht.
Zo verschrikkelijk, dat kinderen Gods niet meer en niet anders weten te doen dan hun leed uiten, luidop, wanhopig zo vaak! In vers 35 weent de Here zélf. Over de zonde en haar bittere gevolgen: dood, rouw, tranen. Ook de Here Jezus onder de wenenden. Niet als machteloze. Wel als één, die waarachtig leed draagt! Wij zouden in ons haasten gezegd hebben: Och Here, als het dan toch om het heilsplan van God gaat, voert U dat dan maar gauw uit! Waarom nog eens apart stilgestaan? Waarom stilgestaan bij zonde, leed en rouw? Maakt U er maar gauw een einde aan! Maar bij de Here wordt het éne niet verdrongen door het àndere. De Machtige neemt de tijd voor dat stilstaan, voor dat wenen. Voor dat wenen met de wenenden en toch ook weer: zo wonderlijk boven hen uit! En dat is juist zo'n machtig evangelie. De Here heeft niet gezegd: Opzij! Nu geen aandacht voor rouw en leed! Gods plan komt eraan! De Here God is de Almachtige! Neen, Hij stond wèl stil. En wat Hij is ook werkelijk met ons op. Hij daar zag werd niet verdrongen door het grote, dat nu aan het licht zou komen! Vaak wijst men hier op het "echt-menselijke" van de Here Jezus. Dat is goed en terecht. Maar...laten we ook hier niet vergeten de Zoon, die ons de Vader bekend maakt! Ook in het wenen van Jezus wordt ons geschonken een blik in het hart van de Vader!
Het ene moet het andere niet verdringen!
Bij de Here Jezus heeft het ene het andere niet verdrongen!
Gods heilsplan verslond het stilstaan bij zonde, leed en rouw niet. Moeten we Hem' in ons troost bieden niet eerbiedig navolgen? Navolgen zonder dat we hei "dóórhebben". De theoloog moet hier wel heel bescheiden in een hoekje blijven staan. Zo heel vaak heeft "theologische bewerking" het onbevangen lezen van de bijbelse woorden van troost bedorven en gebroken. Met voorzichtigheid mag worden gezegd, dat dat heel droevige in ons mensenleven Gods plan van heil niet heeft gebroken, al begrijpen we er niets van. Wij zijn volledig in zijn hand gebleven.
Ook mag worden gezegd, dat God niet iemand. is, die in .zijn grote macht alleen maar ver boven ons zijn weg gaat. Hij gaat werkelijk met ons mee. Hij kent ons in ons leed en is, bewogen over ons in Christus Jezus weende! Zo mogen we een verderfelijke "keuze" tussen star oud en bewogen modem ontgaan!
De Here God is de Almachtige! Hij is ook werkelijk met ons op weg! Niet naar zijn almacht. Wèl naar de vervulling van al zijn beloften. In zijn machtige liefde gaat Hij met ons mee! Maar...klopt het één eigenlijk wel met het ànder? Hoe kan dat nu samengaan? Gods almachtige kracht en zijn bewogenheid met ons leed? Weet u niet hoe dat samengaat? Welnu, ik weet dat ook niet! God weet het! Maar ik mag het gelóven! Ik kom heus niet zoveel verderdan een eerbiedig lezen – en voorlezen - van Johannes 11. En in diezelfde eerbied mag ik de accenten .beklemtonen, die dat hoofdstuk ons voorhoudt. Maar ik moet de theoloog in mij bedwingen. Die theoloog is niet de dominee, die nog geregeld studeert, niet de drs. of de dr. in de theologie. Die theoloog is de man die vraagt, hoe je een heel hoofdstuk in één zinnetje en nog liever in één woord kunt samenvatten. De theoloog is hier de man die een lange geschiedenis wil vervangen door een begrip, door een uniform éénzinnig oordeel! De theoloog is de man, die over de Here niet met twee of met meer woorden wil spreken.En die theoloog steekt in u en in mij, helemaal afgezien van onze "graad" of "graadloosheid" in de theologie. Eerbiedig met de Bijbel oplopen en de Here laten spreken en uitspreken eenvoudig. Moeilijk! Toch is dit de weg van de troost!'
Met twee woorden spreken. Dat is hier nodig. Dat is telkens weer nodig. Daarover ook de volgende week nog iets.