De Godsbrigade op weg naar het getto? (1)

1985-11-08
  • Jaargang 29
  • nummer 43

1. Inleiding
In dit artikel gaat het om drie standpunten, Moeten wij ons als christenen terugtrekken uit het publieke leven (wereldmijding, getto) dan wel moeten wij daarin de Bijbel gebruiken en de wereld aanvallen zonder kennis van zaken op allerlei gebied van het leven, het z.g. onmiddellijk gebruik van de Bijbel, de fundamentalisten (of de Godsbrigade), of moeten wij als derde en betere mogelijkheid rentmeester zijn, waarbij heel het menselijk kunnen, alle menselijke faculteiten" worden ingeschakeld tot eer van God.

"Kerk en godsdienst zijn in onze cultuur naar de marge verschoven. Gelovigen kunnen zich van onze cultuur, waarvan secularisme, economisme en technologie de karaktertrekken zijn, afsluiten. Een andere positiekeuze is een fundamentalistisch offensief. Is er een " weg tussen het één (ghetto) en het ander (de Godsbrigade)?" Dit schrijft prof. A. G. WeiIer, hoogleraar in onder meer de wijsbegeerte van de geschiedenis aan de Kátholieke Universiteit van Nijmegen in het blad Christen-Democratische Verkenningen van mei j.l. Ik ben het met de strekking van zijn verhaal eens, dat het dilemma of de keuze getto of Godsbrigade (door ons) verworpen moet worden. Er is, naar vermeld, een derde, een betere weg. Ik zou deze de weg van het rentmeesterschap willen noemen. Daarover wilde ik het in dit artikel hebben. Overigens: de term fundamentalisme moet men wel met een flinke korrel zout nemen. Heette nog maar enkele jaren geleden iemand, die de Bijbel letterlijk nam· fundamentalist, thans schelden moderne theologen zowat iedereen, die de Bijbel beschouwt als Gods Woord, daarvoor uit. Ik zou iemand pas een fundamentalist willen noemen, die van mening is, dat de Bijbel in allerlei situaties direct dan wel letterlijk, onmiddellijk, zonder dus rekening te houden met hef feit, dat deze in een andere cultuur dan de onze ontstaan is, kan worden toegepast. De verklaring. dat ik hierover in dit blad schrijf, is deze, dat kerkelijke en politieke zaken wel te onderscheiden, maar niet ·te scheiden, zijn. Ontwikkelingen op kerkelijk gebied hebben hun gevolgen in de politiek en omgekeerd wanneer het om fundamentele aangelegenheden gaat, waarvan het onderhavige onderwerp er één is. Dat kan natuurlijk ook niet anders, want het leven is één en ondeelbaar; secularisme, economisme en technologie (om bij ons onderwerp te blijven) raken ons in ons gehele bestaan; deze stoppen niet bij de kerkdeur. Fundamentele politieke verschillen van opvatting zijn, net als fundamentele kerkelijke verschillen van opvatting, in feite altijd geestelijke aangelegenheden, omdat deze het werk van onze Heiland, Jezus Christus' raken. Daarop is ons gehele bestaan gebaseerd en geconcentreerd en dat komt onder meer uit in onze politieke opvattingen. Ik wilde over opgemeld onderwerp het één en ander naar voren brengen aan de hand van twee boeken van prof. E. Schuurman, lid van de Nederlands Gereformeerde Kerk te Breukelen en lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal voor de RPF. Het zijn de bij Kok in Kampen verschenen boeken "Christenen in Babel" (1983. f 9,25) en "Tussen technische overmacht en menselijke onmacht" (1985, f 18,90). De titels van deze boeken zijn veelzeggend; ze geven in het kort het standpunt van de auteur weer. Er is bij hem naar mijn mening enigszins sprake van cultuurpessimisme, van wereldmijding. De hang naar wereldmijding kan voortkomen uit een doperse instelling, dat wil zeggen een instelling, die bij de geringste afwijking in leer of leven het kwaad onmiddellijk en volledig wil uitroeien. Mensen met een doperse iristelling denken ook, dat de dagelijkse strijd tegen de zonde in het leven van een christen niet (meer) nodig. is. Nu wil ik Schuurman niet in de hoek van de dopers en plaatsen om de eenvoudige reden, dat hij te zeer een gereformeerde achtergrond heeft. Schuurman bestempelt onze cultuur als "Babelcultuur", dat wil zeggen een ontkerstende cultuur, waarin de autonome mens zijn eigen toekomst met behulp van de wetenschappelijk-technische beheersingsmethode bouwt, los van God en Zijn Wil over ons leven. Onze positie daarin is naar mijn ,mening echter niet die van "balling", zoals hij stelt. Zo schreef onlangs iemand dat Abraham in Kamlän geen "balling" was, nadat God hem daarheen gezonden had, maar bezitter van dat land, al bleef hij wel "vreemdeling" ten opzichte van de kanaänitische cultuur.

Men zou wereldmijding naar mijn mening ook kunnen typeren als verzaking van onze roeping om op alle gebieden van het leven als rentmeesters werkzaam te zijn. De wereld behoort ons toe en niet de ongelovigen: Zoals een Amsterdamse dame eens zei: de tram rijdt er voor ons, maar de ongelovigen mogen er ook gebruik van maken. Rentmeesterschap versus ballingschap dus.
In het gebruik van deze termen liggen de verschillende manieren van denken opgesloten. Wij zijn rentmeesters van velerlei genade Gods (1 Petr. 4 : 10) en dat blijven we tot de Jongste Dag. Technische overmacht en menselijke onmacht doen daarvan niets af. Het uitspreken van toekomstverwachtingen is alle eeuwen door een hachelijke zaak gebleken. De toekomst heeft er altijd anders uitgezien dan de mensen verwachtten. "Niets is kortzichtiger dan het voorbarig determinisme, dat alles wat ons nog te wachten staat bij voorbaat interpreteert als een onafwendbare afloop van een fatale wereldcatastrofe", aldus de bekende historicus J. Huizinga.

2. De Babelcultuur
Wat is cultuur? Een niet alledaags woord, maar het betekent het complexe geheel' van zeden en gewoonten, wetenschap en techniek, kunst, wijsbegeerte en godsdienst dat de mens op een bepaald moment tot stand heeft gebracht. Korter geformuleerd: alles wat de mens in de loop der tijden heeft opgebouwd. In sommige christelijke kringen (het SGP bijvoorbeeld) is altijd sprake geweest van wereldmijding, maar naar mijn mening is deze ook aanwezig in de kring van wat wel genoemd wordt de Godsbrigade, de fundamentalisten. Met die term fundamentalisten kunnen dus in mijn opvatting alleen die christenen worden aangeduid, die geen rekening houden met het feit, dat de Bijbel in een andere cultuur ontstaan is dan de onze, maar die wel de wereld voor Christus willen winnen. Ze willen de Bijbel letterlijk dan wel onmiddellijk zonder studie te maken van, de door God geschapen wereld - in onze tijd toepassen, want dat is volgens hen mogelijk. De Godsbrigade komt naar mijn mening om deze reden ook in het getto terecht, omdat het letterlijk, het onmiddellijk toepassen van de Bijbel in onze tijd meestal niet mogelijk is.
Elementen van wereldmijding meen ik ook bespeurd te hebben in de twee genoemde boeken van prof. E. Schuurman. Wereldmijding in RPF-kring dus. Een kritische bespreking van Schuurman's opvatting lijkt mij daarom op zijn plaats. Er is, zo kunt u uit het voorgaande opmaken, geen haar op mijn hoofd, die eraan denkt Schuurman een fundamentalist te noemen, maar de RPF is in haar optreden in de, politiek bepaald niet vrij van deze smetten.

Wereldmijding dus van verschillende zijden op het orthodox-protestants-christelijk erf. Maar nu eerst de opvatting van Schuurman. Bijbels gezien moeten wij volgens hem onze cultuur een Babelcultuur noemen, waarin de positie van de christen is als die van een balling. En een balling is geen bouwer van de gangbare cultuur, schrijft hij. Een balling blijft volgens hem echter wel de cultuuropdracht behouden. Hij verwijst daarvoor naar Jeremia 29 : 4-7en 11.
Er is een tijd geweest, dat we de christelijke beschaving noemden. Maar we leven volgens hem nu in een Babelcultuur, omdat wetenschap en techniek verzelfstandigde machten in onze cultuur geworden zijn; die het leven steeds meer zijn gaan beheersen. De mens in deze cultuur verliest door deze verzelfstandiging het zicht. op het geheel en op de zinsamenhang der verschijnselen. Ook verdwijnt meer en meer het inzicht, dat alles beheerst dient te zijn door de liefde en bedoeld is de mens, zoals God deze geschapen heeft, te dienen. Er is volgens Schuurman een modem technicisme ontstaan (waarvan Descartes (1596-1650) de vader wordt genoemd), dat doet alsof de technische wereld samenvalt met de totale werkelijkheid. Alles wordt gereduceerd tot technische delen van het -grote technische geheel. Door de overheersende invloed vim wetenschap en techniek is onze cultuur verwetenschappelijkt, schrijft hij. Wetenschap is bijzondere kennis van de door God geschapen wereld en in de techniek gaat het om de vormgeving van de werkelijkheid, de geschapen wereld.
Door het overheersend gebruik van het abstracte wetenschappelijke denken als instrument in onder meer de techniek zijn de vele propleinen ontstaan, waarmee de wereld thans kampt, zoals liefdeloosheid, eenzaamheid, uitputting van energiebronnen (is die er wel? -.v.K) en problemen inzake het milieu. Het wetenschappelijk-technisch denken heeft op het ogenblik een ongekende hoogte bereikt op vrijwel alle gebieden van het leven, maar de neveneffecten zijn ook niet mis: Genoemde neveneffecten zijn volgens Schuurman dus ontstaan door het verkeerde gebruik van wetenschap en techniek. En dat komt, omdat in onze cultuur onder leiding van afvallige, humanistische grondmotieven wetenschap en techniek zijn verzelfstandigd. Anders uitgedrukt: wetenschap en techniek zijn verabsoluteerd, dat wil zeggen los van de zinsamenhang van het gehele leven komen te staan als verzelfstandigde machten, waardoor het volle rijke leven scheef is getrokken en overwoekerd. In het technicisme hebben we, aldus' Schuurman, met een religieuze overtuiging te doen, namelijk deze overtuiging, dat de mens in staat is door eigen wetenschappelijk-
technische prestaties de zondeval te boven te komen- en het verloren paradijs terug te winnen. Elk lijden moet uitgebannen worden en de wetenschap en techniek zullen dat voor ons doen. Gaarne maak ik nu reeds enkele kritische opmerkingen.

1. Wat is het verschil tussen de door God gewilde ontsluiting (tot ontplooiing brengen) van de schepping overeenkomstig de daarin gelegen normativiteit (waar alle creatuur mee te maken heeft) en de ontwrichting van de schepping, waarover Schuurman het hoofdzakelijk heeft. Hoe is dat in de praktijk te splitsen? In de ontsluiting zit veel ontwrichting, maar in de ontwrichting komt ook (veel) ontsluiting mee.

2. Het humanistisch beheersingsmotief en –vrijheidsmotief conflicteren per definitie. Maar wint het beheersingsmotief het altijd of meestal van het vrijheilsmotief en kan daarom wat de toekomst- betreft wel deterministisch in de richting van één motief geconcludeerd worden?
Zorgt het vrijheidsmotief of de harde werkelijkheid van Gods schepping, die ons gebiedt ons aan de daarin gelegde normen te houden, in de praktijk niet menigmaal voor correcties op de resultaten van het beheersingsmotief (voor correcties dus op de ontwrichtingen)? Daarvan zijn vele voorbeelden te noemen. Ook de wereld heeft besef van dienen en van de normativiteit van de schepping; deze stuit daar in de praktijk telkens op.

3. Wat betekent in het kader van ons onderwerp Gods voorzienigheid en Zijn ingrijpen in de geschiedenis, in ons leven?

4. Wie bepaalt wanneer er sprake is van een (ook wel door Schuurman nihilistische genoemde) Babelcultuur? Is een dergelijke cultuur nu ontstaan (in de jaren tachtig van onze eeuw) of heeft elke tijd zijn (eigen) Babelcultuur op grond van altijd dezelfde oorzaak: afval van God en het negeren van Zijn onderwijzing voor het brede mensenleven.
Heeft de mens niet alle eeuwen door het leven in eigen hand willen nemen tegen Gods wil in al neemt de afvalligheid in onze tijd steeds grotere vormen aan vanwege het feit, dat de mens meer dan vroeger het gehele leven beheerst dan wel gaat beheersen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief