Over jonge kerkverlaters en oude regels (3)
1985-11-08
Inleiding- Jaargang 29
- nummer 43
Concentreer je op het centrum van het christen zijn, zo schreef ik vorige week. Neem je kinderen mee daar naar toe: naar het hart, naar de levende relatie met de Here. Zorg, dat je kinderen niet denken, dat het christen zijn een kwestie is van regel zus en gewoonte zo. Die regels en gewoonten: verbindt ze telkens weer met dat centrum. Zodat de kinderen het merken: het gaat bij vader en moeder uiteindelijk niet om. die regels, maar 't gaat om de levende verhouding met de Here. Over die regels moeten we vandaag en volgende week nog wat dieper nadenken. En ik wil dan graag proberen vanuit een wat andere gezichtshoek tegen deze vragen aan te kijken. Ik wil namelijk uw aandacht vragen voor de manier; waarop de Here zelf in Zijn Woord omgaat met regels.
Geen trappen
Ga, zo schreef. ik vorige week, van de regels en de voorschriften aan de rand, telkens weer naar dat centrum. Regels: je hebt ze nodig maar het gaat om het centrum.
En dat is nu precies wat we kunnen ontdekken, als we kijken naar de regel, die de Here zelf geeft over de trappen aan Zijn altaar. In Ex 20: 26 vinden we daar een duidelijke regel over.
U moet zich even voorstellen: het volk is gelegerd bij de Sinaï, en dan zegt God: "Als jullie nou straks in het beloofde land komen, dan mogen jullie daar altaren bouwen voor Mij. Alleen één ding wil Ik beslist niet", zegt de Here, "en dat is, dat je een trap maakt aan zo'n altaar. Ik wil niet dat Mijn priesters langs een trap naar boven moeten gaan, om op het altaar te komen".
Waarom geeft de Here zo'n bevel? Wél, dat heeft ongetwijfeld te maken met de leefwereld, de omgeving, de cultuur, waarmee het volk Israël in Kanaän te maken zal krijgen. Israël komt straks in een land, waarin alles gericht is op de vruchtbaarheid. De vruchtbaarheid van de akker, de vruchtbaarheid van de kudde. Daar draaide alles om; daar draaide ook de godsdienst van Kanaän om. Alles in een Kanaänitisch heiligdom was gericht op vruchtbaarheid. Twee goden: Baäl en Astarte, de mannelijke en de, vrouwelijke vruchtbaarheidsgod. Rondom zo'n heiligdom: tempelprostitutie; aan de godheid gewijde meisjes en vrouwen, die seksuele gemeenschap hadden met mannelijke tempelbezoekers. Waarom dat was? Nu, je zou kunnen zeggen: om de godheid in de sfeer te brengen, in de goede stemming. De menselijke vruchtbaarheid als voorbeeld voor de gewenste goddelijke vruchtbaarheid. "Kijk, Baäl: wij wijden onze vruchtbaarheid aan u; wilt u dan nu uw vruchtbaarheid schenken aan onze akkers en aan onze kudden?" En zo draait alles om de vruchtbaarheid; maar dat betekent dan automatisch, dat het allemaal ook draait om sexualiteit, om zinnelijkheid, om ongebonden bevrediging van menselijke, mannelijke lusten. Een Kanaänitisch heiligdom had' veel weg van een modem bordeel. Een strenge, radicale regel En nu weer terug naar die regel van de Here: geen trap naar Mijn altaar, opdat uw schaamte niet zichtbaar wordt. Het wijdvallende priesterkleed. Op een trap, zeker, als het altaar hoog was, zou 'de schaamte', het geslachtsdeel van de priester gezien kunnen worden. Nee, zegt de Here, dat wil Ik niet. Dat is voor Mijn volk absoluut verboden, Ik wil niet, dat mijn volk, al is 't ook maar een heel klein beetje, in de buurt komt van die sekscultus van de afgoden. De menselijke seksualiteit is bij Mijn altaar verboden. En daarom: zelfs geen trap aan Mijn altaar. Alles, wat ook maar een ietsje riekt naar de afgodendienst; wat je een heel klein eindje in die sfeer zou kunnen trekken: dat is verboden; dat wil Ik niet.
Je zou kunnen zeggen: dat is toch wel een beetje overdreven. Ja maar, pas op: als er zoiets belangrijks op het spel staar- de zuiverheid van de dienst van de de Here óf vermenging met het heidendom - dan is het soms nodig om, ook in kleine dingen, heel radicaal en heel streng te zijn. In het briefje van Judas lezen we over '"afkeer zelfs van het kleed, dat door het vlees bevlekt is" (Jud. : 23)."Je moet er zover mogelijk vandaan' blijven, zegt Judas. En' precies datzelfde zegt de Here hier nu ook: Absoluut geen contact met de Kanaänitische vruchtbaarheidscultus. Geen trappen aan Mijn altaar. Dat is duidelijk. Dat is een regel, een gebod van de Here. Maar ook: het is een regel met een achtergrond. Het Kanaänitisch heidendom, met zijn losgeslagen sekscultus, dat is de achtergrond van dit gebod van de Here.
Wel trappen
En nu het belangrijke, waar het mij wezenlijk om gaat: deze duidelijke regel van de Here wordt, binnen het Oude Testament, op een gegevens ogenblik stilzwijgend ingetrokken. De regel, die in Ex. 20 hard nodig was – er stond heel wat op het spel! - die kan later verdwijnen, hij is niet meer nodig. Wat ik de vorige week schreef over onze regels - laat ze altijd verbonden zijn met het centrum! - dat blijkt nu ook binnen de bijbel zelf op te gaan. Want verderop in het Oude Testament: daar kom je wel degelijk trappen tegen aan het altaar. De tempel van Salomo laat ik nu, buiten beschouwing. Daar staat het niet met zoveel woorden van in de bijbel. Het staat wel in Ezech. 43, in het grote tempelvisioen, dat Ezechiël kreeg in de ballingschap. U leest de beschrijving en de maten van het altaar (vanaf vers 13) en dan vindt u, op 't eind daarvan, in vers 17 van Ezech. 43, dat korte zinnetje: "En zijn trappen zijn naar het oosten gekeerd". Trappen - bij het altaar van de Here.
De regels en het centrum
Hoe kan dat? Wel, heel eenvoudig: dat kan, omdat het bij de Here nooit gaat om de regel op zich. Het gaat altijd om het centrum, om het hart, om het verbond tussen God en Zijn volk. En de regels, die God geeft: die staan in dienst van dat centrum: Die trappen: in Mozes' dagen was het van levensbelang, dat de Here dat uitdrukkelijk zo aan Zijn volk gebood. Dat was nodig om dat centrum te beschermen. In Ezechiëls dagen zijn minstens twee dingen grondig veranderd ten opzichte van Mozes' tijd. In de eerste plaats - dat is het minst belangrijke - was de priesterkleding veranderd. Priesters droegen, in later tijd, niet meer alleen de linnen lijfrok, maar daaronder ook een broek.' Maar wat belangrijker is, is de tweede verandering: de dreiging van de Kanaänitische afgodendienst was weggevallen. Baäl en Astarte: dat waren in Ezechiëls tijd in Israël bijna vergeten namen. Na de reformatie van Josia was hun rol uitgespeeld. En daarmee valt dus de achtergrond van die regel in Ex. 20 weg. Er is nu geen .gevaar meer, in trappen aan een altaar. Eve weer dat beeld van die cirkel, met een rand en een centrum (zie het artikel van vorige week);' de regel "Geen trappen aan het altaar" heeft nu geen relatie meer met dat centrum, met de goede verhouding tussen de Here en Zijn volk. En wat doet God dan? Dan laat Hij die regel vallen. Want die heeft geen doel meer. En het ging de Here niet om die regel, om die rand, maar het ging Hem om het centrum, om het behoud van Zijn volk. Wat de Here in Mozes' dagen verbood, dat vindt Hij in Ezechiëls tijd goed. Dat is geen willekeur, van de Here, maar dat heeft een zeer gegronde, reden.' Wij moeten daarvan leren: van deze stijl van de Here. Daarover in het volgende en laatste artikel.