Rotsvast geloof
1984-10-26
“Wie heb ik (nevens U) in de hemel?- Jaargang 28
- nummer 40
Nevens U begeer ik niets op aarde;
al zou mijn vlees en mijn hart bezwijken,
mijns harten rots en mijn erfdeel is God voor eeuwig."
Ps. 73 : 25, 26.
Ik heb alleen God maar!
Wie heb ik nevens U in de hemel? Ais vanzelfsprekend vatten we dit woord op als een positieve uitspraak over God. En zo is het ook ongetwijfeld bedoeld.
Maar op zrichzelf genomen kan het ook de verzuchting zijn van een ontmoedigd mens. Het zou de vertwijfelde vraag kunnen zijn van iemand, die ervaart dat er nergens een andere helper te vinden is. Alles is mis gegaan, hij is volkomen aan het einde van zijn latijn, hij weet niet meer waar hij het zoeken moet of op welk adres hij nu nog aan kan kloppen. Nu het er echt op aan komt heeft hij alleen God maar.
Best mogelijk, dat de dichter het eerst zo negatief heeft beleefd.
Dat zou je kunnen konkluderen uit het begin van de psalm. Er is een tijd in zijn leven geweest, dat hij met jaloerse blikken naar anderen keek. Naar mensen, die het voor de wind ging. Tegenslagen kenden ze niet. Ze wisten gewoon niet wat verdriet was.
Ze genoten volop van het leven in rijkdom en gezondheid, met vrouwen kinderen. En dan te bedenken, dat die geluksvogels zich om God totaal niet bekommerden!
En hij, die zich voor God uitsloofde, kreeg elke dag een nieuwe portie misère. Was dat eerlijk?
Misschien zei een broeder wel tegen hem: Man, maar jij hebt God toch! Maar wie weet verzuchtte hij dan, hardop of verstolen: Ja, maar dat is dan ook alles wat ik heb. Ik heb alleen God maar!
Ik wil alleen maar God!
Tot de man dé ontdekking van zijn leven deed. Hij vertelt hoe hij in Gods heiligdommen inging (vs. 17). Vandaag zou je misschien zeggen, dat hij naar de kerk ging en zich bewust werd van de Bijbelse verkondiging.
Hij werd bepaald bij het levenseinde van hen, die leven zonder of zelfs in verzet tegen God.
Is dat levenseinde niet huiveringwekkend?
Want je mag dan van alles genoten hebben en veel bezeten hebben. Maar op het moment van je dood heb je dan ook álles gehad. En er blijft je niets over. Je kunt niets vasthouden, niets meenemen. Aan alles komt een eind: aan schoonheid, aan roem en eer, aan rijkdom, aan huwelijksgeluk, aan je lichaamskracht, aan je vermogens om te genieten. Met de dood gaat alles verloren. Zonder God is het leven huiveringwekkend leeg.
Toen ging de dichter zijn eigen leven anders bezien. Er mocht dan veel ontbreken aan zijn geluk en er mocht dan veel mis zijn in zijn leven, maar hij kende God. Hij mocht zeker zijn van Zijn trouw. En die gedachte doet hem juichen: Wie of wat heb ik naast God in de hemel?
Ja, misschien heeft hij dat eerst wel enigszins bitter gezegd. Ik heb alleen God maar! Maar dat veranderde volkomen. Wie heb ik naast God?
Wie zou ik naast Hem willen hebben?
Want zonder God is geen enkel vervuld verlangen bevredigend.
Zonder God stelt elke vreugde niets voor.
Zonder God is, zoals Luther gezegd moet hebben, zelfs de hemel als de hel.
Maar mèt God is ook het zwaarste verdriet en de ergste tegenslag toch te dragen.
Mèt God kun je afzien van de vervulling van sterk gekoesterde verlangens.
Mèt God verandert zelfs de hel nog in de hemel!
God is er altijd nog!
Dit woord uit Ps. 73 is om stil van te worden. Het behoort tot het rijkste wat het psalmboek ons te bieden heeft.
Maar tegelijk staat het zo hoog, dat het in momenten van diep verdriet en kwellende zorg onbereikbaar schijnt. Kun je dit werkelijk belijden, als alles je tegen zit? Als je geplaagd wordt door pijn? Als de dokter een verbijsterend bericht bracht? Als je de liefste missen moet?
Kun je dan werkelijk zeggen: Wie heb ik naast U in de hemel?
Naast U verlang ik niets op aarde!?
Met andere woorden: als ik U maar heb, heb ik niets meer te wensen over. Dan heb ik alles wat mijn hart begeert. Want ik heb God en God heeft mij. Wie brengt zo'n belijdenis op onder zorgvolle omstandigheden? En vooral, wie houdt zo'n belijdenis vol?
Ik vermoed maar weinigen. Er zijn momenten waarin we er in om dreigen te komen. Waarin de wanden van ons hart bezwijken.
zodat onze hoop en onze moed en ons vertrouwen wegvloeien als water door een zeef. Dat zijn de momenten, waarop Gods kinderen ervaren dat ze geen geestelijke supermensen zijn.
Nu, ook de dichter weet mee te praten van een bezweken hart.
Hij heeft zelf ook niet altijd op die grote hoogte gestaan, ver verheven boven alle aardse vreugde en verdriet.
Maar dit weet hij: ook al bezwijkt mijn hart, ook al verlies ik de moed, ook al stort ik in elkaar vanwege alles wat me overkomt - dan nóg komt alles terecht.
Want het geloof dat God kent, grijpt daar dwars doorheen en er boven uit. Of nee, God in wie wij geloven, Hij grijpt daar dwars doorheen en tilt zijn kinderen er boven uit.
Want de vastheid en de zekerheid, de kracht en de blijdschap liggen niet in onszelf verankerd.
Ook niet in ons geloof. Ze liggen buiten ons zelf. Ook buiten ons hart. In God die al ons heil tot stand brengt. Hij zal ons uit onze verslagenheid doen opstaan.
Wij gaan door duizend doden heen, lichamelijk of geestelijk.
Maar uit die alle redt ons God.