Met twee woorden spreken!
1985-11-15
Boven dit artikeltje had ook wel kunnen staan: "Uit de Oude Doos". Wat ik ga zeggen kunnen de ouderen' onder ons al lang weten. Toch schrijf ik maar verder. Want misschien hebben de ouderen in de drukke tijd, waarin wij leven, wel te weinig tijd gehad om het aan de jongeren door te geven!- Jaargang 29
- nummer 44
Een woord van A. Janse
In zijn boek “Rondom de Reformatie” schrijft onze bekende broeder A. Janse over de doop en over het spreken van de Here bij en in die doop. Daarbij zegt hij het volgende: “God sprak van den Sinaï tot al het volk: Ik ben de HERE uw God…”. En Hij had in deze wezenlijke tijdelijke bedeling van het genadeverbond betuigd en verzekerd, dat Hij nu ook het “tweede deel” verwachtte van Zijn volk. Maar straks zeide diezelfde God over datzelfde volk (terwijl hij toch, speculatief gesproken, alles te voren wist): Ik zal dit volk verdelgen. En als Mozes dan voorspraak doet, dan doet de Here weer niet, wat Zijn Goddelijke mond toch zo nadrukkelijk zeide… Tot Eli sprak de Here: “Ik had wel klaarlijk gezegd…maar nu…Jona sprak in den Naam des Heren tot Ninevé: Nog veertig dagen…en God deed het niet”. A. Janse vraagt dan, of al die Goddelijke woorden maar “verschijning” waren (pag. 103).
“Speculatief” – een korte woordverklaring Speculatief gesproken wist de Here dus van tevoren. A. Janse bedoelt geen moment te ontkennen, dat de Here alles wist. Wat bedoelt hij dan wel? Speculatief betekent, dat wij in een poging om de concrete woorden van de Here te beoordelen gaan zoeken naar een hoger standpunt dan de echte en werkelijke geschiedenis van de Bijbel ons biedt. We zouden dat kunnen zoeken in de eeuwigheid, in Gods eeuwige raadsbesluit, in Gods eeuwige verkiezing. En vanuit die “hoogte” beoordelen we dan al die woorden die de Here in Israëls tijd en in onze tijd spreekt. Dan komen we tot vreemde vragen: als de Here dan toch al wist, dat Hij Ninevé wilde sparen – Hij stuurde Jona toch zeker niet voor niets naar die stad toe! – méénde Hij het dan wel werkelijk, toen Hij sprak over die veertig dagen? Als de Here zegt dat Hij zijn volk wil verdelgen (Ex. 32:10), méént Hij dat dan wel echt? Hij wist toch zeker rwel, dat Mozes een voorbede zou doen' voor het volk en dat Hij deze voorbede ook zou willen verhoren. En als er. dan gezegd wordt, dat de HERE berouw kreeg over het kwaad, dat Hij gezegd had zijn volk te zullen aandoen, is dat "berouw" dan wel ècht berouw. De HERE wist dat toch Zeker van tevoren al en Hij was het toch zeker al van plan?
Daar hebben we wat Janse met "speculatief" spreken bedoelt. Je klimt op een hoogte - van de "Uitkomst", van Gods "plan" en je bekijkt van dáár af al die woorden van de HERE., En dan vind je ze al gauw niet ècht meer! Nu had broeder A. Janse net als zovele tegenwoordige theologen op de “moderne" toer kunnen gaan. Dan had hij Gods voorwetenschap en, zijn plan zonder meer ontkend. Net als Gods "almacht" zou dan ook Gods "alwetendheid" en Gods "plan" uit, het beeld moeten verdwijnen! Maar dat doet Janse geen moment! Hij blijft spreken van alwetendheid, van Gods raad, van zijn wereldregering. Maar hij zegt wèl, dat je je bij het Bijbellezen niet mag verheffen boven, het pad van de woorden die daar vermeld worden. Je mag die "hoogte" niet bestijgen om de concrete woorden van God te beoordelen en ze dan ook heel gauw niet echt te vinden! Waar de Bijbel spreekt van Gods eeuwige' raad, van zijn voornemen, van zijn plan dat dateert van vóór de grondlegging der' wereld. daar past ons eerbiedig geloof. Als de Bijbel ons spreekt vaneen werkelijk en serieus meetrekken van de HERE met zijn volk in de geschiedenis, dan moet je weer met diezelfde eerbied luisteren. Spreken over de HERE, dat is dus een zaak van eerbiedig naspreken. Je mag niet het ene gegeven van de Bijbel met het andere torpederen en ook niet het andere met het ene. En daar hebben we 'nu wat ik "Spreken met twee woorden", noemde en ook wat ik daarmee bedoel te zeggen.
Gods spreken bij de doop
Misschien denken we wel even, dat het hier gaat om erg theoretische zaken, die we maar graag aan de "vaktheologen" overlaten. Maar dat is dan toch een grote vergissing. In de strijd van de veertiger jaren ging het over de doop, over onze doop. Niet over iets in een ver verleden. En de benauwende vraag werd toen gesteld; of het woord, dat bij die doop gesproken werd, en of die doop zèlf wel echt als ménens kon worden beschouwd. Ook daarbij kwam het weer tot- een speculatief spreken: Als de HERE nu eens niet van eeuwigheid besloten heeft dit bepaalde kind tot de heerlijkheid te brengen, hoe kan Hij dan al die goede beloftewoorden van het verbond, werkelijk méenen? Was die doop dan toch geen "buitenkantswerk"? Iets plechtigs, iets ernstig, maar uiteindelijk niet wáár? Ik weet wel, het werd eigenlijk 'nooit zo grof gezegd. Foei, daarvan zou een mens maar schrikken!' Maar als men gaat praten over "de uitwendige zijde van het verbond", dan komt het er toch echt wel op neer: niet echt, niet wáár! Wat is die waarschuwing tegen een speculatief spreken toen belangrijk geweest! Janse deed een beroep op ons om àl de woorden , van de HERE ernstig te nemen en eerbiedig te aanvaarden. We mogen niet dat éne spreken van de HERE - over zijn voornemen - gebruiken als een torpedo voor dat àndere spreken, hier en nu en heel concreet op ons gericht. En het omgekeerde - de moderne toer -, dat mag ook niet! En als we niet begrijpen, hoe het één en het ànder in de HERE kan samengaan, dan begrijpen we dat maar niet! Of willen we soms zijn als de wijsgeer Hegel en diens volgelingen, die hun leerlingen gingen vertellen, "hoe God in elkaar zat"! Dat is toch wel iets verschrikkelijks! "Verschijning"- nog een korte woordverklaring We hoorden A. Janse vragen, of al die Goddelijke woorden maar "verschijning" waren.
Wat bedoelde hij dáármee nu weer? Het is uit de aanhalingstekens wel duidelijk, dat Janse hier niet een eigen uitvinding naar voren bracht, maar een woord, dat anderen plachten te gebruiken. Wie zijn die anderen? Eigenlijk waren dat de oude Grieken al. Plato en zijn volgelingen.
Het hoogste was voor die oude Grieken het vaste, onwankelbare zijn! En daaronder heb je dan de wereld van de verschijnselen, de wereld van het worden! Die is van mindere waarde, van mindere realiteit: een schim ver geleken bij de wereld van het zijn. De verschijnselenwereld heeft wel, in een zekere mate deel aan die hogere wereld van het zijn.
Ze heeft iets van een nabootsing in zich, iets van een schaduwbeeld, Er is wel sprake van een deelhebben aan die hogere wereld, maar dan op een gebrekkige manier! Vreemd dat die onderscheiding ook in de theologie is doorgedrongen! In de scholastieke theologie van Thomas van Aquino. Maar ook in de latere gereformeerde theologie.
Vreemd en goed te begrijpen! Die Grieken waren grote denkers. En wie op zijn denken vertrouwt komt vroeger of later wel in hun buurt terecht. Gods eeuwigheid, Gods eeuwige raad - daar heb je de énige echte waarheid. Woorden van God in de geschiedenis gesproken, op het terrein van het worden ze hebben wel enig deel aan het Goddelijke, maar ....gebrekkig! Alsof de HERE, die ons geschapen heeft en ons gezet heeft op de, baan van de geschiedenis, zèlf met die geschiedenis ,eigenlijk geen raad zou weten!
Zijn woorden in en over die geschiedenis gesproken, ze worden schimmig, ze gaan behoren tot de verschijnselen. Je moet, ze maar "terugvertalen" in de richting van de eeuwigheid. Dàt heeft A. Janse bedoeld met "verschijning" en dàt heeft hij scherp willen bestrijden. Zou de HERE niet echt op de baan van de geschiedenis als de God van het Verbond met zijn volk kunnen meetrekken?
De resultante
Het bevredigt onze menselijke hoogmoed maar weinig om met twee woorden te spreken. We zeggen heel vlot, dat "Gods grootheid het kloekst begrip, te boven gaat", maar we maken met die belijdenis niet graag ernst. Wij willen Gods "hoogten" beklimmen en vanuit zijn stoel beschouwen, begrijpen en doorzien. En dan gaat het mis, Deze hoogmoed is overal te vinden.
De scholastieke richting kiest voor het "zijn", de moderne richting voor het "worden".
Een slechte zaak, dat kiezen!Hetis verwant aan wat we in het vorige artikeltje zagen: Wat wil je? Almacht zonder liefde of liefde zonder almacht? Ik herinner me, dat we op het.
Gym bij Natuurkunde ook het vak Mechanica tot onze last kregen. En dat bij die mechanica ook de "Krachtenleer" behoorde. Als er twee krachten op één voorwerp inwerken' dan kan er natuurlijk maar één ding gebeuren. En wat is dat éne? Wat is het resultaat van de werking van die verschillende krachten? Deftiger gezegd: Door welke éne kracht zouden al die verschillende krachten vervangen kunnen worden? Die laatste kracht droeg dan ook de mooie naam resultante. In die mechanica is het zoeken naar de resultante natuurlijk een nuttige zaak. Maar het zit ons zo in het bloed om nu, ook maar overal naar de "resultante," te zoeken. Het getal twee is maar een interim-fase. Wat is de ene resultante? En zo gaan we dan ook de' HERE behandelen! In die merkwaardige natuurkundige resultante hartstocht! En dat gaat mis. De HERE "luistert" niet naar de wetten van de mechanica! We kunnen ons er niet uitdenken. Maar wie eerbiedig vertrouwt op de God van al die concrete woorden en daarmee tegelijk, op de God van het eeuwige heilsplan, die zal toch eenmaal mogen omzien in verwondering: Dit heeft de HERE in al zijn woorden en in al die gebeurlijkheden van de geschiedenis toch altijd op het oog gehad!
Maar naar dat omzien kun je alleen maar in eerbiedig gelóóf op weg zijn! Waar die eerbied van het geloof ontbreekt en de denkhoogmoed opsteekt, daar zullen we altijd weer komen tot die slechte keus: Oud-scholastiek voor het "zijn" (als Plato c.s.) of modern voor het "worden" (als Hegel c.s.). Een slechte keus! Almacht zonder liefde of liefde zonder almacht?