Weerbaar eerdaags (2)

1984-11-23
  • Jaargang 28
  • nummer 44
Slot van het referaat dat drs P.J. van Kampen heeft gehouden op de Ontmoetingsdag, 12 mei jl. in de Veluwehal te Barneveld.


En, vraag ik me af, is dat mijn probleem alleen? Lijken we allemaal niet veel op Petrus, die heel geregeld zijn Heer verdedigde, maar hem ook driemaal verloochende, toen het er echt op aan kwam?
Die - als de anderen en ook de Here erbij is - voldoende 'geloofsmoed' heeft om Malchus een oor af te slaan. Maar die niet, als hij een uur of zo later, alleen onder 'andersdenkenden' verkeert, durft te zeggen dat hij bij die Galileeër hoort. "En de Here keerde zich om en zag Petrus aan." En Petrus herinnerde zich ...
Weerbaar zijn, met medestanders in de buurt, is zo anders dan weerbaar zijn op je eentje ...

Wat een andere Petrus ontmoeten we overigens later: "Doch vreest niet voor hun dreiging en laat u niet verschrikken. Maar heiligt de Christus in uw harten als Here, altijd bereid tot verantwoording aan al die u rekenschap vraagt van de hoop die in u is, doch met zachtmoedigheid en vreze, en met een goed geweten ... " (1 Petrus 3: 14, 15).

Te allen tijde weerbaar?
Het probleem is dus niet dat we nooit weerbaar zijn. Het probleem is dat we niet altijd weerbaar zijn! We zijn weerbaar op onze goede momenten. Zolang iets bij ons als 'te gelegener tijd' ervaren wordt, zitten we vrij goed. Maar onze 'gelegener tijd' is niet altijd die van onze ongelovige naaste. En dus moeten we ook op onze 'ongelegener tijd' rekenschap kunnen geven. Niet persé spreken, maar wel kunnen spreken, bereid zijn te spreken.
"Altijd" zegt de brief van Petrus.
Hoe vaak is er niet onze heimelijke angst voor anderen, hun opinie, hun woorden, hun blik.
Stel je voor: je zit in de trein; (een andere (semi)openbare gelegenheid is voor dit doel even goed). Je wilt -laten we dat eens veronderstellen - iets uitdragen van wat je bezighoudt, hoe je de Here hebt leren kennen. Maar hoe doe je dat dan naar die ander toe? Als je zo eens kijkt en probeert te taxeren ... hoe zou dat vallen? Nu haalt die ander (ondanks zijn weinig belovend uiterlijk) een christelijk blad uit zijn tas (laten we zeggen "Opbouw").
Hij blijkt net als ik op weg naar een christelijke bijeenkomst.
Wonderlijk hoe onze vrijmoedigheid in het gesprek kan toenemen! Zienderogen veranderen we in een geloofsgetuige, die allerlei, soms zelfs heel genuanceerde, visies op die ander kan loslaten. Wat durven we opeens! Geregeld trekken we ons, tenminste naar mijn ervaring, terug in ons eigen hoekje, in ons eigen ghetto. En dat 'ghetto-complex' zit echt in ons. Het wordt ons vaak door de ander niet eens aangepraat. We hebben het al in ons, een aantal remmingen, die we moeten overwinnen. Het is ongetwijfeld niet alleen psychologisch te analyseren, er zit ook een kenmerk van 'geestelijke strijd' in, van de overheden in de lucht en zo.

Voorbeeldig
Maar ergens verderop in de trein zit iemand die wèl durft. Hij heet Micha en is van beroep Oudtestamentisch profeet. Als hij zijn anders-zijn ten opzichte van zijn omgeving moet duidelijk maken, na wel zeer duidelijke woorden over zijn leefmilieu, dan horen we: "Ik daarentegen ben vol van kracht, van de Geest des Heren, en van recht en sterkte om Jacob zijn overtredingen aan te zeggen en Israël zijn zonde." (Micha 3 : 8). Hij heeft geen last van een ghetto-complex, hij is weerbaar.

Wilt u nog zo'n voorbeeld van een weerbaar mens? Laten we dan eens terug gaan naar de vierde eeuw, naar Basilius, die bisschop in Klein-Azië was. 'De Grote', voegden tijdgenoten en latere geslachten aan zijn naam toe. Basilius de Grote was een imposant kerkvader om meer óan één reden, maar het verhaal dat mij altijd het meest heeft gezegd is dit.
Basilius was rechtzinnig in de leer en de keizer Valens, was een Ariaan. Als deze - via een hoge diplomaat - laat weten dat de onhandelbare bisschop uit de provincie moet ophouden of met de keizerlijke macht te maken krijgt, is er sprake van een interessante confrontatie. Op oe bedreiging dat zijn goederen geconfisceerd, hijzelf verbannen of zelfs gedood kan worden, is dit Basilius' antwoord: "Anders niet? Van al deze dingen raakt er mij geen een. Van iemand óie niets bezit kunnen geen goederen in beslag genomen worden; het enige dat het u zou opleveren zijn mijn afgedragen kleren en een paar boeken, waaruit mijn gehele rijkdom bestaat. Verbannen ken ik niet, want ik ben overal thuis op Gods grote aarde.
Ook martelingen kunnen mij niets doen, aangezien mijn lichaam toch reeds op zijn laatste benen loopt. De dood echter is mij welkom, want deze brengt mij sneller tot God... ". De prefect mompelde: "Nog niemand heeft het ooit gewaagd zo vrijmoedig tegen mij te spreken.", waarop Basilius weer zei: "Dan hebt u zeker nog nooit met een bisschop te doen gehad."
Zo, die zit!
Uit dit verhaal, dat ongetwijfeld iets zegt over de primaire reacties van de hoofdrolspelers, blijkt ook iets anders: Basilius was op oit soort gebeurtenissen voorbereid. Zijn woorden worden ter plekke geformuleerd, de gedachten die eruit spreken zijn echter allang tevoren overwogen en gerijpt.
Dat brengt ons op het volgende, Hoe kan ik straks, "eerdaags", weerbaar zijn, als ik me nu al niet voorbereid op datgene wat dan van mij gevraagd zal worden?
Hoe kan weerbaarheid bereikt worden, als er nu al niet in 'geïnvesteerd' wordt? Want weerbaarheid is, niet als allerlei vrucht van de Geest, een plantje dat in de verborgenheid groeit.
Met net als met elk plantje, is de bodem, de bewatering, etc. belangrijk.

Drie opmerkingen
Een paar dingen om hier te noemen.
We hebben het hier over 'geestelijke' Weerbaarheid, maar het gaat niet alleen om 'geestelijke' dingen, het kan net zo goed over maatschappelijke zaken gaan. Weerbaarheid, als iemand discriminerende opmerkingen maakt over Turken en het ècht niet waar is wat wordt gezegd! Zaken van gedrag op werk, op school, als er dingen gebeuren die niet echt door de 'beugel kunnen.
Maar ook geestelijke dingen. Hoe maak je in dienst kenbaar dat je een christen bent? Hoe ga je dat doen, als je het op het allereerste moment niet doet? lets zegt van de pin-ups girls aan de muur?
Duidelijk je handen vouwt en je ogen dichtdoet voor het eten?
Het gaat om de kleine dingen.
Een vriend van mij was onderofficier.
Hij at in zijn mess, toen iemand iets doms deed en uitbarstte: "Jezus!". Zonder zich te bedenken zei die vriend van mij: "Da's een vriend van mij!". Het was heel on-overwogen, totaal spontaan. Het was iets wat hij op dat moment 'kreeg'. Het was, meen ik, ook een vrucht van vele jaren vertrouwelijk omgaan met de Heer. En het maakte diepe indruk bij allerlei mensen om hem heen! Weerbaarheid: gekozen hebben waar je staat en zó met God willen omgaan dat bepaalde zaken als vanzelf je uit de mond vallen. En het is niet alleen een zaak van woorden.

Een tweede ding. Het gaat om 'geestelijke weerbaarheid' en dus niet om fysieke weerbaarheid.
Maar het meisje dat 's avonds door een donker laantje moet en daarom aan zelfverdediging doet, moet haar judo- of jiujitsutraining wèl bijhouden. Je bent niet voor-eens-en-altijd afdoend beschermd. Er hoort oefening, zo ook bij geestelijke weerbaarheid.
Let eens op wat Paulus in zijn brieven aan Timotheüs zegt (en vooral in de tweede brief).
Let eens op de vele gebiedende wijzen. "Wees krachtig in de genade van Jezus Christus." (2 Tim. 2 :1), "Lijd met de anderen als een goed soldaat van Jezus Christus." (2 : 3), "Let wel op wat ik zeg." (2:8), "Maak er ernst mee u wel beproefd ten dienste van God te stellen." (2 : 15), "Schuw de begeerten der jeugd ... wees afkerig van dwaze en onverstandige strijdvragen" (2 : 22, 23), "Blijf gij echter bij wat u geleerd is... " (3: 14), en als een soort samenvatting van dit verhaal: "Schaam u dus niet voor het getuigenis van onze Here ... " (1:8). Of deze: "Oefen u in de godsvrucht." (1 Tim. 4 : 8), "grijp het eeuwige leven." (6 : 12). De lijst is lang niet volledig.

Ten derde, laten we geen onderscheid maken tussen het kleine en het grote. Wie kan soms zeggen wat groot is en wat klein? Wie kan zeggen dat de trouw in het kleine niet leidt tot het grote?
"Over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u stellen.".
Maar misschien ook: als je tegen kleine dingen niet opgewassen bent, hoe zou het grote kunnen komen? In termen van zegen en bruikbaarheid in het Koninkrijk, maar ook van weerbaarheid.

Hoe vul je dat in?
Concreet, hoe zouden wij dan leven? Of onze kinderen opvoeden?
Een paar suggesties, ter overweging. Van geen ervan zeg ik dat het zo is of zo moet. En toch ...

1. Moeten ouders - eventueel ook de predikant op catechisatie - niet samen met jongeren kijken naar televisieprogramma's.
Wat probeert de Ster-reclame mensen nu te vertellen over gelukkig worden ? Word je ook echt gelukkig met alcoholische drank X, haarlotion Y of stereoset Z? Hoe zit het overigens met popmuziek, etc.?
2. Moeten we niet samen kijken naar bekende t.v.-series. En zonder te moraliseren, de hele wet Gods tot een les ethiek te maken, zeggen dat 'Dallas' en 'Dynasty' volmaakte voorbeelden zijn van hen die door geldzucht gedreven "van het geloof afgedwaald en zich met vele smarten doorboord" hebben (1 Tim. 6 : 10). Lessen te over, voor wie als geestelijk mens alles, ook t.v.- programma's, wil beoordelen.
3. Moeten wij niet onze kinderen leren echt boos of verontwaardigd te zijn? Hoe weinig komt het nog voor, dat iemand echt 'toornig' is? We zijn ook mensen van de plurale maatschappij.
Iedereen mag zeggen wat hij of zij vindt. Wij winden ons niet gauw op. We weten wat mensen om ons heen vinden.
We raken vaak niet meer in beroering als iemand vloekt, of een zeer verkeerd, (volgens de Schrift) op zijn kop gezet, standpunt verwoordt. "Ik weet uw werken en inspanning en uw volharding en dat gij het kwade niet kunt verdragen ... " (Openb. 2 : 3). Dat wordt in de gemeente van Efeze geprezen. Is dat bij ons te vinden?
4. Moeten we niet veel meer discipline tonen - en vóórleven hoe wij de Here geregeld zoeken, dagelijks? Dat we de Bijbel lezen en bidden? Dat weergaloze gedicht van Toon Hermans over de monnik: "Hij liep er altijd somber bij maar als hij bad dan straalde hij dan speelde een glimlach om zijn mond omdat hij bidden lekker vond."
Zien anderen (onze kinderen bijvoorbeeld) dat we bidden omdat we het 'fijn vinden'? Waarom zouden onze kinderen anders bidden 'fijn' gaan vinden?
5. Hoe kijken we tegen ons bezit aan? Hoe onderwijzen we onze kinderen daarin? Betekent zo'n term als "bezitten als nietbezittend" iets voor ons? Of die tekst over het zoeken van het Koninkrijk Gods, waarna en waarin alles gegeven zal worden?
Leren we onze bezorgdheid af door te letten op nog de steeds talrijke vogelen des hemels en het afnemend aantal leliën des velds?
6. Hebben we onze kinderen en buren laten zien dat iemand die "in leven en sterven" Christus toebehoort, nergens rècht op kan laten gelden? En dat we hier niet in de eerste plaats op de wereld zijn om gelukkig te worden? Dat de Here ons niet belooft dat we in dit leven zo maar, zonder meer gelukkig zullen worden? De knecht die niet méér is dan de Heer zelf, die vervolgd werd. Het zwaard dat door Maria's ziel zou gaan, al werd ze door de engel 'begenadigde' genoemd. Die moeiten die kunnen ontstaan tussen een man en zijn zoon, de familie die de volgelingen van Christus persoonlijk kunnen aanklagen. De vijand, die men in z'n eigen huis kan hebben. Enzovoort. En wij geloven in geluk. Wij eisen geluk.
Maar Christus zegt: "Wie niet zijn kruis opneemt ... ". Is dat bij ons ook maar op enigerlei wijze vlees en bloed geworden?
Zo niet, hoe zullen we weerbaar worden of tot weerbaarheid opvoeden?
7. Ietwat meer toegespitst, hebben we enige visie op Paulus' (en Christus') zicht op lijden?
Filippenzen 3, waar Paulus spreekt over alles wat winst was om Christus wil schade geacht is.
Die "de gemeenschap aan Christus' lijden" wil kennen, "of ik aan Zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding uit de doden." (3: 10, 11). En opnieuw kom ik bij de brief aan Timotheüs terug: "aanvaard het lijden... verricht uw dienst ten volle." (2 Tim. 4: 5).

“Prijsgegeven leven"
Laten we wel zijn: leven vanuit de traditie alléén is niet genoeg!
Het zal onze kinderen niet op het juiste spoor houden. En het zal ons niet behouden. Al wat op traditie alleen gebouwd is zal op 'die dag' aan het licht komen: wie weet hebben we met "hout, hooi of stro" gebouwd ... (1 Cor. 3 : 12-15).
Laten we óók wel zijn: alleenhet leven, dat ik elders 'het prijsgegeven leven' heb genoemd (het afstand doen van je recht op geluk, op niet-lijden, etc.), zal een mens de mentaliteit geven, die we nodig hebben.
Ik zou kunnen citeren uit Solsenitsyns Goelag Archipel, maar ik heb dat elders al gedaan ("Opbouw", serie artikelen in jan. 1984). Ik zou kunnen citeren uit het bijzondere boek van Pierre Benoit, Calvijn als Zielzorger.
We zien daar hoe de hervormer heel teer, maar zonder enig beklag, zonder enige sentimentaliteit, schrijft aan mensen, die op terdoodveroordeling en terechtstelling wachten: "Het is beter dat gij iedereen tegen u hebt en God behaagt, dan van de rechte weg af te raken om de haat en het gemompel van de wereld te vermijden."
"Zelfs al was de hele wereld blind en ondankbaar, al scheen al uw moeite tevergeefs, laat het u genoeg zijn, Monseigneur, dat God en de heilige engelen uw daden goedkeuren." (pp. 34, 35).
"God zal niet dulden dat ook maar één druppel van uw bloed vruchteloos zal worden vergoten.
Aangezien Hij u het voorrecht heeft verleend dat er over uw boeien al wordt gesproken en het gerucht daarvan overal is doorgedrongen, zal uw dood, in weerwil van de boze, later nog meer weerklank vinden, opdat Gods naam daarin verheerlijkt wordt." (p. 45). Vele andere citaten zouden te geven zijn, vanuit datzelfde boek. Het is het getuigenis van alle eeuwen, van hen die waarlijk de Here trouw wilden zijn. Ik denk nog aan dat geweldige devies van Willem van Oranje: Men hoeft niet te hopen om iets te ondernemen of te slagen om er mee door te gaan. (Benoit, p. 71) "Als er sprake is van Gods eer", (nog eenmaal hier Calvijn), "is er geen neutraliteit mogelijk." (Benoit, p. 69).

Wie eerdaags weerbaar wil zijn, moet nu al beginnen. Niet met flink te zijn. Maar met de Here te zoeken. Concreet en praktisch God bij het leven van alle dag te betrekken. Opdat hij of zij eens - eerdaags - vast moge staan. Een laatste woord, uit Spreuken 29: 25: "Vrees voor mensen spant een strik, maar wie op de Here vertrouwt is onaantastbaar."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief