Dankbaarheid
1986-10-24
Ondankbaarheid is erger dan diefstal. (Talmoed) - Jaargang 30
- nummer 41
"Dankbaarheid is een bloemke dat in weinig hoven bloeit", zong Guido Gezelle, de Vlaamse dichter-pastoor. Ik geloof dat hij gelijk had, gezien de vele spreekwoorden die op dank en dankbaarheid slaan. En waarom eigenlijk zeldzaam? Wat is nu eenvoudiger dan dank-u-wel te zeggen?
Die vraag is, zoals meteen blijken zal, naïef gesteld. Het zeggen van dank-u-wel als een beleefdheidsformule is niet moeilijk. Maar om van harte iemand dank te weten is een moeilijke zaak. Dat "iemand dank weten". zo vermeen ik tussen haakjes, is een goede Nederlandse term, die sedert de middeleeuwen is ingeburgerd. Het betekent gewoon: iemand. erkennen, iemand erkentelijkheid betuigen, iemand dank brengen. En hier zit vermoedelijk het eerste antwoord op bovenstaande naïeve vraag; iemand erkennen betekent immers: zichzelf lager dan die ander plaatsen.
En wie zal zichzelf nu vernederen?
"Dankbaarheid is, de schoonste deugd der armen", zegt een Frans spreekwoord uit de 17e eeuw.
Proeft u de discriminatie al God lone u", zeiden de bedelaars dus vroeger, en dat klonk erg aangenaam voor de weldoeners. ,,Het gevoel van dankbaarheid te zijn verschuldigd is een last, die slechts sterke zielen 'kunnen dragen", luidt een Duits spreekwoord. Iets soortgelijks zei men vroeger in Engeland: dankbaarheid is een zware last voor onze onvolmaakte natuur.
Ja, Ziezeiden hier nog iets anders ook: sommige geesten kunnen hun minder-zijn zo slecht verdragen, dat hun dankbaarheid een soort wraak is; zij vergelden weldaden niet omdat belonen een genoegen is, doch verplichtingen een last!
Dat klinkt allemaal niet fraai.
Maar we zijn er nog niet. "De dankbaarheid der mensen", zei een Frans schrijver, "de goede mensen wel te verstaan, is een vrucht die men bijtijds moet plukken. Laat men haar aan de boom zitten dan gaat zij beschimmelen". De Duitse filosoof Goethe zei het op zijn manier: ontmoeten wij iemand die ons dank schuldig is - terstond valt bet ons in; hoe vaak ontmoeten we echter iemand, wie wij dank schuldig zijn, zonder daar aan te denken? En in de 17e eeuw beeft een Fransman al geschreven: geen taak is moeilijker dan goed te bedanken.
-o-
Gelukkig wordt de dankbaarheid ook geprezen in diverse talentemeer waar dit bloemke zeldzaam is. Een Italiaans spreekwoord luidt vertaald: Dien velen vruchteloos, de dank van één zal de ondankbaarheid van duizend overwegen. - "Dankbare mensen zijn als vruchtbare velden: zij geven het ontvangene tienmaal terug", is een Duitse zegswijze. En de sprookjesdichter Andersen noteerde: "Dankbaarheid is het geheugen des harten". Is dat geen mooie?
Dankbaarbeid is het enig inderdaad belangeloos beginsel, waartoe de menselijke natuur in staat is, verklaarde Nic. Beets bij zijn inauguratie in 1875. En Karl Barth zei het nog diepzinniger: "Wie werkelijk dankbaar is meent niet, dat hij wedervergelden moet wat hem te beurt is gevallen". Voelt u?
Met wedervergelden van weldaden betalen we voor' die weldaden.
Barth zegt: je kunt beter de minste blijven, de schuldenaar. Hij kende de menselijke natuur. Hij kende vermoedelijk ook het Duitse spreekwoord: "Voor niets zijn wij zo dankbaar als voor dankbaarheid".
Want wie dank betuigt, denkt aan Abraham, plaatst zich lager dan degene die men erkentelijk is, denk aan Melchizedek.
"Dank is als het Oosters parfum, waarvan de reizigers zeggen dat alleen in gouden flessen goed blijft: zij parfumeert de grote zielen n verzuurt in de kleine", zei een Française. "Dankbaarheid kan slechts voortkomen uit opgewekt innerlijk leven,en uit een zekere vatbaarheid voor liefde", zeggen onze oosterburen. En al in de 17e eeuw wist de Engelse litteratuur: ware dankbaarheid is een gave der natuur en kan niet verworven worden, "Oprechte niet-berekenende dankbaarheid ontstaat slechts in een grote ziel; zij verkwikt het hart van degene wie zij geschonken wordt en versterkt zijn geloof in de mensheid, schreef Samuel Johnson.
"Trouwens", merkte een Franse dame 250 jaar geleden op, "wat geeft het, dankbaarheid? Om goed te doen moet het voldoende zijn te weten, dat er één ongelukkige minder zalzijn", Klinkt dat niet heerlijk positief? Het zet ons aait het werk. Evenals de vertaling van een Duits gedichtje:
Dank met de mond
heeft weinig grond;
in 't harte dank is goede klank;
dank met de daad – dàt is
mijn raad!
-o-
Voor wie bij de Bijbel leeft is dankbaarheid bijna altijd gekoppeld aan God of aan de Heiland. Op veel plaatsen spreekt de Bijbel van: Gode dank bewijzen, lof en dank brengen, de naam des Heeren te danken. Zelfs in de berijmde X Geboden zingen we: "om die te doen uit dankbaarheid". En in de catechismus zeggen we "opdat wij met ons ganse leven Gode dankbaar( heid) voor zijn weldaden bewijzen".
(De oud-Nederlandse zegswijze is' met een lettergreep aangevuld, in de hoop dat u dit in dank aanvaardt.)
Misschien zit in de voorgaande alinea het tweede antwoord op de vraag: waarom is dankbaarheid een zeldzaam bloemke? Want wanneer de calvinist het woord dank hoort, denkt hij allereerst en in de tweede plaats aan zijn nederige positie tegenover de Almachtige. In die context aanvaardt hij zijn plicht, zo niet zijn recht, dankbaar te zijn, de minste tegenover de Meester te wezen. En in die context past het juist niet, de medemens te eren, te loven en te prijzen.
Wellicht dat hier een rem is gekomen op de spontane dankbaarheid tegenover de naaste. Zich altijd al religieus-schuldbewust te weten maakt het niet aanlokkelijk, zich ook nog tegenover de medeschuldige te vernederen.
Het is maar een veronderstelling.
Maar een die gegroeid is in dit eilandenrijk. Want hier - waar men veel minder calvinistisch dan humanistisch-christelijk denkt'- zal een mens gemakkelijker dank u zeggen. Het geldt zelfs als onopgevoed, zijn dank voor zich te houden. Wellicht is hier de spreekwijze ontstaan die ons zo na aan het hart ligt: dankbaarheid is de eerste christendeugd!
-o-
Om u niet verder te vermoeien met wat op een leerrede gaat gelijken, die niemand in dank zou afnemen, tenslotte een verhaal als toegift, Een welgestelde boer in deze omgeving zou zijn enige dochter ten huwelijk uitgeven. De organist werd verzocht naar de afgelegen .estate te komen, teneinde aanwijzingen voor de kerkelijke muziek in ontvangst te nemen. De bruid had het voor het zeggen. Ze wenste bepaalde liederen, waar predikant en organist gezamenlijk in berustten.
Ze wenste 'een bepaald monu mentaal kerkgebouwtje als toneel' voor haar grote dag. Ze wenste het Bruidskoor uit Wagners Lohengrin als haar intrade, en wel zo, dat ze precies het koor en het schip der kerk rond kon schrijden, en de trap bestijgen tijdens de slotcadens (samen met haar bruidegom, maar die had niet veel in te brengen.) Waarvan de organist wel goede nota wilde nemen. Tenslotte wenste zij na de zegen Mendelssohn's bruiloftsmars uit de Miszomernachtsdroom aan te horen. Dit alles voorbereid door een generale repetitie.
Hebt u dat allemaal? De organist ook. Die 'begon weloverwogen: u wenst operamuziek in de kerk, juffrouw? Zoudt u dat wel doen?
Is dat wel op zijn plaats? Waarom niet? - In Nederland, om maar wat te noemen, 'Zou geen organist het opbrengen. In een groot deel van Europa zou het trouwens moeilijk gaan. - Nu ja, maar hier is het in gegoede kringen gebruikelijke bruiloftsmuziek en daar houden we ons graag aan.
- Zelfs in Zuid-Afrika zal geen organist meer operamuziek in de kerk spelen, juffrouw. - Wat is Zuid-Afrika nu helemaal? Kaffers en boors, nietwaar. Dus graag operamuziek, als u dat zo noemen wilt, en graag opgeluisterd door' klokkenspel.
De organist heeft het 'geweten. Hij arrangeerde de gevraagde muziek voor zijn mini-orgeltje, zeulde zijn klokkenspel naar de kerk, repeteerde met een behulpzame klokkeniste tot het "klonk als in de Westminster" (zei de kosteres) en verscheen ter generale repetitie, samen met de predikant, om alles tot in het minutieuze te doen kloppen.
Chronometer, correcties, seconden, ritenuto's, passen op de plaats en overdoen.
Na afloop van de plechtigheid die niet openbaar, maar voor 100 genodigden bleek te zijn,O calvinistisch Nederland! - werd de organist namens het bruidspaar door de kosteres bedankt en' werd hem een geschenk overhandigd.
Hij gaf dat ongeopend aan zijn vrouw, die tot haar verwondering een voorwerpje uitpakte, zoals een burgergezin per half 'of heel dozijn pleegt te kopen. Wel een mooi papiertje, maar verder een gebaar dat geen diepe indruk maakte. Het eind was dat H.M. in lachen uitbarstte en dat de organist meegelachen heeft.
Toch. Als dit nu de dank moest zijn? De organist heeft voor het eerst en voor het laatst in zijn leven een nota voor professionele diensten uitgeschreven, die er zijn mocht. Een gematigde vergoeding voor een groot aantal gereden kilometers, een matig uurtarief voor het arrangeerwerk, voor het instuderen, voor de repetitie, voor de plechtigheid zelf - al met al een dikke 62 pond sterling. Te voldoen met een bankcheque, gesteld aan de order van de kerk.
Twee dagen later kwam de cheque, die gracieus aan de penningmeester is overhandigd. Met een bedankbrief van de moeder van de bruid, zo fraai als de organist nooit eerder gezien had. En de vader van de bruid, die de cheque had ondertekend, werd later ouderling bij ons; hij staat er op, iedere zondag na afloop' de organist persoonlijk te danken voor diens bijdrage aan de eredienst.
Waaruit blijkt dat we ook deze deugd kunnen aanleren.