Wie is uw stammoeder?

1984-11-30
  • Jaargang 28
  • nummer 45
Op 21 november werden twee jongetjes gedoopt, Wilmer en Elco, en een week later een meisje, Benslee. Zij ontvingen het teken van Gods verbond.
Maar stel nu eens er was die eerste zondag een "herder en leraar" verschenen, die zei: dopen op de naam van Jezus Christus is goed, maar om echt verbondskind te zijn} is dat niet voldoende!
Om echt "kind van Abraham" te zijn is de besnijdenis vereist, en natuurlijk ook het houden van de sabbath en alle andere door God ingestelde feestdagen} tot en met Grote Verzoendag.
Dán pas hoor je er echt bij!

Raar? Maar zo gebeurde het dan toch maar in de gemeenten van de Galaten. "Joods-christelijke dwaalleraars waren in de Galatische gemeenten binnengekomen.
Zij ontkenden niet de noodzaak van het geloof in Christus!
Wel verkondigden zij, dat daarnaast het onderhouden van de wet nodig was als voorwaarde om te delen in het heil. Met name predikten zij de noodzaak van de besnijdenis en het onderhouden van bepaalde godsdienstige dagen en tijden" (W. Steenbergen in "De Geest schrijft wegen in de tijd", o.r.v. prof. dr J. P. Versteeg, pag. 42). Dáár gaat Paulus fel tegen in. De kern van de zaak is immers: is (het geloof in) Christus de enige weg tot het heil, of "wordt ook van de mens een eigen bijdrage gevraagd?
En dat wil maar niet zeggen, dat aan de betekenis van Christus enigszins tekort wordt gedaan.
Er is veel meer aan de hand. 'Want indien er gerechtigheid door de wet is, dan is Christus tevergeefs gestorven' (Gal. 2 : 21). Christus is alles of Hij is niets" (id.).

Twee werelden
Delen in het heil doe je in de nieuwe bedeling (het nieuwe deel van het genadeverbond) dank zij het kruis en de opstanding van Christus. Op Golgotha sta je als mens met lege handen: niet óns offer, onze verdienste, onze hoedanigheid, maar Zijn offer opent de weg naar God en de verzoening.
Luister naar Paulus: want gij allen zijt zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. Hierbij is géén sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus (Gal. 3 : 26-28).
Sinds Christus is de tijd voorbij om bij God aan te voeren: ik ben een Jood, een vrije, een ... man. De tijd van het "aanzien des persoons" (2 : 6, vgl. Hand. 10 : 34!) is in de nieuwe bedeling definitief verleden tijd.
In het Oude Testament was er zoiets. zo'n rangorde wèl: de Jood stond boven de niet-Jood, de heer boven de slaaf, de man boven de vrouw. En dat zowel op maatschappelijk als godsdienstig terrein.
Maar, als gezegd, die tijd is sinds Christus voorbij.
En wil iemand die tijd terug, dan moet hij goed naar Paulus luisteren: zegt mij, gij die onder de wet (= O.T.) wilt staan - luistert gij niet naar de wet? Er staat immers geschreven (Gen. 21) dat Abraham twee zonen had, één bij de slavin en één bij de vrije (4 : 21).
De slavin: Hagar; de vrije: Sara.
Voor Joodse oren had Sara bijna alles mee en Hagar alles tegen: zij was een Egyptische, een slavin, een vrouw!
Beiden hadden een zoon: die van Hagar was 'naar het vlees verwekt', d.i. een kind van menselijke mogelijkheden; die van Sara 'door de belofte' toen het menselijk onmogelijk was, maar: God beloofde en kwam zijn belofte na.

Misrekening
Tussen de regels door stelt Paulus in feite de vraag: van wie stammen jullie, oerdomme (3: 1) Galaten af, denk je, als jullie de besnijdenis etcetera weer willen gaan onderhouden? Wie is jullie stammoeder??
Reken maar dat ze dachten: para natuurlijk! Precies zoals de Joden verontwaardigd tegen Jezus uitvoeren: wij zijn Abrahams nageslacht en zijn nooit iemands slaven geweest ... (Joh. 8 : 33).
Nu, zegt Paulus tegen de Galaten: dat is dan wel een grandioze mis-rekening. Want in dat bijbelse gegeven ligt een diepere zin - het is een beeldende en blijvende beschrijving van twee bedelingen (beschikkingen, verbonden, testamenten).
Bij de ene, Hagar, moet je denken aan de berg (ha-hár). Welke berg? De Sinaï - in Arabië(!).
Let wel: de Sinaï - letterlijk en figuurlijk een hoogtepunt voor Israël: hunner was de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften (Rom. 9 : 4) .Ia, maar wat bracht ha-hár, de berg Sinaï, voort - achteraf bezien? Slaven!
Slaven?? Jazeker, zegt Paulus: voordat dit geloof in Jezus Christus kwam, werden wij o n der d e w e t in verzekerde bewaring gehouden ... De wet is dus een tuchtmeester voor ons geweest tot (op) Christus... Nu echter het geloof gekomen is, zijn wij niet meero n d e r de tuchtmeester ... (Gal. 3 : 23,24).
De 'tuchtmeester': iemand die aan de hand kinderen naar school brengt - ze hebben niets in te brengen, alleen maar mee te gaan. Dus: de Israëlieten werden daar, bij de berg Sinaï, in zekeren zin tot "slaven", onmondigen gemaakt. Mensen zonder vrijheid van handelen en beslissen, tot wie - als tot een klein kind - gezegd wordt: doé dat ... , mensen wier leven beheerst wordt door allerlei beperkende voorschriften, zelfs met betrekking tot de eredienst.

Vroeger was alles beter?
Zo mocht alleen de stam van Levi dienst doen in en bij de tempel.
En dat nog niet eens allemaal.
Kenden andere volken priesteressen, in Israël mochten alleen (lsraëlietische!) mannen dienst doen. En dan waren mannen met een lichamelijk gebrek ook nog uitgesloten.
De besnijdenis was door God bepaald op de achtste dag. De data van alle feesten lag vast. Het zou de moeite waard zijn alle beperkingen onder de oude bedeling eens op een rij te zetten. We zouden Paulus dan nog beter begrijpen, als hij schrijft: zolang de erfgenaam onmondig is, verschilt hij in niets van een slaaf, ook al is hij eigenaar van alles; maar hij staat onder voogdij en toezicht tot op het tijdstip, dat door zijn vader bepaald was: Zo bleven ook wij, zolang wij onmondig waren, onderworpen aan de "eerste beginselen", Gal. 4 : 1, 2. De bedeling van de Sinaï was: doe dit, en gij zult leven (3 : 10, 12; Lev. 18: 5; Deut. 27 : 26). Israël werd klein gehouden. Is dat iets om naar terug te verlangen??

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief