Het Liedboek

1986-10-31
  • Jaargang 30
  • nummer 42
Lied 382
"Weer beeft in dit Lied, als in 'Zovele oud-christelijke hymnen, bet licht een centrale plaats. God is een God van licht, die ons in het duister van de nacht, van de slaap, van ons aardse bes·taan, behoedt".
(Comp. p. 382). O.i. is de bewerking echter zodanig, dat deze opzet hier niet voldoende tot zijn recht komt, Het geheel blijft als kerklied 'Onder de maat, zowel naar inhoud als stijl, zoals b,v, in strofe 2: "de leden languit uitgestrekt tot hen gesterkt het daglicht wekt"; strofe 4: "U prijz' ... u loov' ... een zuivre liefde min' U zeer, een nuchtre geest beev' U de eer";strofe 8: "Tot Christus en de Vader gaat, tot beider Geest des avonds laat ons bidden dat in almacht Hij, drievoudig één, 'Ons sta terzij".
(Een ingewikkelde constructief) De melodie ,is niet eenvoudig en vereist wel enige oefening.
Tekst: i; melodie: 2.

Lied 383
Dit Lied is een bewerking van een Ambrosiaans gezang "uit de vroegchristelijke periode, dat gedurende de hele middeleeuwen populair gebleven is." Een eerdere bewerking is het gezang ,,O grote Christus"
eeuwig licht", nl. de Avondzang, gezang 9 uit de oude bundel 29 gezangen. Strofe 7 is gelijk aan die van de Avondzang. Vergelijking van de 'Oude en nieuwe versie geeft geen aanleiding tot voorkeur voor deze laatste. Daarvoor rijzen er nogal wat bezwaren en vragen, zoals b.v. in strofe 3: ,,0 Geest, die boven de afgrond zweeft" hetgeen hier o.i. niet passend is. Wel erg vlak is in strofe 4 de zin: "wij liggen met de ogen dicht" en wat betekent: Zijn hand behoedt het stil geheim van, ziel en bloed".
Voors wordt in strofe 1 Christus aangeroepen, terwijl aansluitend in strofe 2 volgt: "wil altijd 'Onze Vader zijn". Onduidelijk is het verband in de laatste 2 regels van strofe 5: "maak hen die 'Ons vervolgen stil - dat ieder rust vindt in uw wil".
De melodie is geen verbetering ten opzichte van 'gezang 9 bovengenoemd.
De 2e en 3e regel komen met enkele 'kleine varianten vrijwel overeen met .die van gezang 9 (waar van de melodie nog algemeen bekend is) maar overigens is er grote kans 'Opverwarring.
Tekst: 1; melodie: 3 (van gezang 9 = lied 386).

Lied 384
Bij een vergelijking van dit - zeer eenvoudige - Avondlied met de oorspronkelijke Duitse tekst valt het op dat de eerste strofe van de Duitse tekst zich uitdrukkelijk tot Christus wendt, terwijl het vervolg daarop zonder meer moeilijk aansluiting geeft. De dichter-bewerker ..heeft deze anomalie klaarblijkelijk opgemerkt en in zijn vertaling, door de aanroep ".Heer" te gebruiken, in het midden gelaten of God dan wel Christus is bedoeld.
Intussen is het gesignaleerde feit allerminst een uitzondering voor de tweede helft van de zestiende eeuw. Uit vele liederen van die tijd blijkt dat er tussen God en Christus en tussen het werk van de Vader en dat van de Zoon niet helder werd onderscheiden", (Comp. p. 857).
Wat de melodie betreft: "Wanneer dit lied niet gedragen was door zijn prachtige melodie, zou het stellig niet alle ziftingen en schiftingen ,hebben doorstaan, waaraan de "voor het Liedboek aangedragen voorstellen 'Onderworpen zijn geweest".
(Comp. p. 858).
"Een lied om zingen te leren".
Tekst: 3; melodie: 3.

Lied 385
Het mystieke element van "Gij, driemijn liefste kleinood zijt" (strofe 1) beheerst de inhoud van dit Lied: "Gij zijt mijn schat" (strofe 3). Dit thema "Gij zijt van mij"
staat wel lijnrecht tegenover de reformatorische belijdenis: "Ik ben van U" (o.m. in Zondag 1 H.C.: ik ben het eigendom van Christus).
Voorts kan nog worden opgemerkt dat de betekenis van "de parel van grote waarde" (strofe 4) in het licht van Matth. 13: 44-46 hier niet juist is aangeduid. O.i. is dit lied over 't geheel -genomen niet acceptabel; een uitzondering zou kunnen worden gemaakt voor strofe 2.
De melodie is weliswaar onbekend, maar niet moeilijk te leren.
Tekst: 1; melodie: 3.

Lied 386
Hoewel tegen de inhoud van dit Lied (een gedicht van Revius) geen bezwaar bestaat, zijn taal en stijl toch dermate verouderd dat "ze de verstaanbaarheid ongunstig beïnvloeden.
Zie b.v. strofe 2: "en wakker om ons henen ziet" of strofe 4: "de ziele toch niet slapen laat".
Het beeld van strofe 3 is wel duidelijk, maar de zin van strofe 5 is daarentegen erg moeilijk te vatten.
De melodie is nog vrij algemeen bekend als die van de Avondzang (gezang 9) uit de vroegere bundel van.29 gezangen. Zie ook opmerking bij lied 382.
Tekst: 2; melodie: 3.

Lied 387
Dit Lied is een uitstekende vertaling van het oorspronkelijk Engelse Avondlied, al bevat het dan maar een gedeelte van de originele versie van 12 strofen. Er worden trouwens niet meer dan 6 of 7 strofen van deze hymne geregeld gezongen.
De melodie is erg mooi en stellig ook niet geheel onbekend.
Tekst: 3; melodie: 3.

Lied 388
De inhoud van dit Lied kan worden gekarakteriseerd als tamelijk wijdlopig en daarmee is de waarde als kerklied niet groot. Enkele uitdrukkingen zoals b.v. in strofe 3: "dat ik al 't andre laat en tot U ijl' en in strofe 6: "U te aanschouwen in de stiilligheid" accentueren dit nog eens. Bovendien klinkt strofe 5 nogal banaal:

"Vergeef het mij dat ik toch weer gedwaald heb
Van alles mij weer op de hals gehaald heb
Het spijt mij Heer, ik heb verkeerd gedaan
Neem mij bij U, dan zal het beter gaan."

De melodie is die van Psalm 8.
Tekst: 1; melodie: 3.

Lied 389
"De beide laatste strofen maken duidelijk dat we hier in wezen te maken hebben met het Lied van een pelgrim 'Onderweg, die zijn dagelijkse bagage voor een ogenblik heeft afgeworpen. Dit motief is een geliefd thema van het Duitse piëtisme en zo zijn stilte en inkeer tot God de grote themata van de liederen van deze zeer subjectieve dichter." (Cornp. p. 865). En de praktische toepassing luidt: dan ontvlucht de aardse werkelijkheid, hier beneden is het niet, zoals dit uitdrukking vindt b.v. in strofe 4: ,,O eeuwigheid, gij schone, mijn hart wil in u wonen, het vindt geen thuis in deze tijd." Daarbij aansluitend rijst de vraag of het duister van de nacht dan de eigenlijke voorwaarde is voor het optreden van de boze machten (strofe 2).
Het lied ademt te veel de levenshouding van het ontvluchten' van de aardse werkelijkheid, een kenmerk van het Piëtisme.
De mooie melodie is dezelfde als die van lied 365.
Tekst: 1; melodie: 3.

Lied 390
Dit Lied komt in diverse gezangenen liederenbundels voor en mag als het Avondlied algemeen bekend worden verondersteld. Strofe 2 is mogelijk iets aan de "vlakke" kant: "Gij waart nabij in mijn bezwaren, nabij in elke moeilijkheid.".
Het lied zou o.i. aan waarde winnen door een combinatie van strofe 3a met 2b.
De bekende melodie '"vraagt een vlot tempo, waarbij telkens twee regels als een eenheid gezongen kunnen worden." (Cornp. p. 870).
Tekst: 3, (bij voorkeur de aangegeven combinatie); melodie: 3.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief