De ontwerp-resolutie homofilie

1984-12-07
  • Jaargang 28
  • nummer 46
Op 15 december a.s. zal de partijraad van het C.D.A. een beslissing moeten nemen over een resolutie betreffende homofilie.
Al in najaar 1983 lag op de vergadering van de partijraad een ontwerp-resolutie over homofilie voor. Gelukkig werd deze resolutie niet aanvaard, mede dank zij het verzet van dr J. A. Diepenhorst. Er ligt nu een herziene ontwerpresolutie klaar en de bedoeling is, dat de partijraad te Arnhem op 15 december a.s. hierover een uitspraak zal doen.

Ter voorkoming van misverstand moet erop gewezen worden, dat het C.D.A. hier misverstand werkende uitdrukkingen gebruikt.
Bij homofilie denkt men gewoonlijk aan een geaardheid, waarbij personen zich sexueel aangetrokken voelen tot personen van het eigen geslacht. Homosexualiteit daarentegen is elke sexuele activiteit, waarin handelingen met seksegenoten plaats vinden.
De C.D.A.-resolutie maakt geen verschil tussen beide. Onder homofilie verstaat men homofiele geaardheid en overeenkomstige leefwijze. Men wil homofielen en homosxuelen blijkbaar over één kam scheren. Het zal het C.D.A. toch ook wel bekend zijn, dat vele homofielen zich van homosexuele activiteiten onthouden?
Het C.D.A. zit hier wat op de lijn van dr Okke Jager, overigens geen vriend van het C.D.A., die een scheiding tussen aanleg en beleving als een onwaarachtige schijnverdraagzaamheid verwerpt.
Hij meent, dat dit zo iets is als: een neger mag zwart zijn, als hij het maar niet laat merken.
Afgezien nog van de sterke uitdrukkingen, die Jager ook hier weer gebruikt, zijn vergelijking raakt kant noch wal.

De ingediende resolutie begint als volgt: "Gelet op artikel 1 van de herziene Grondwet, alsmede op het Program van Uitgangspunten van het C.D.A.".
Nu luidt art. 1 van de herziene grondwet als volgt: "allen die zich in Nederland bevinden worden in gelijke gevallen gelijk behandeld.
- Discriminatie wegens godsdienstige levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook is niet toegestaan."
Dit beroep op art. 1 van de grondwet is om meerdere redenen merkwaardig.

In de eerste plaats, omdat grondrechten de bedoeling hebben de burger te beschermen tegen inbreuken van de kant van de overheid. Grondrechten kunnen dan ook alleen tegen de overheid geldend gemaakt worden. Als men dat niet in het oog houdt, is het gevaar groot, dat de overheid gaat uitglijden.
De overheid heeft niet de bevoegdheid bepaalde opvattingen dwingend op te leggen als norm voor het maatschappelijk leven.
De overheid moet hier een terughoudend beleid voeren.
Het gaat bij art. 1 van de grondwet helemaal niet over de vraag of ik weigeren mag een homofiel, een vrouw of een lid van het C.D.A. in dienst te nemen.
De overheid, die daarvoor regels aan de burgers wil stellen, gaat juist de absolutistische kant op.
Om deze reden is het beroep op art. 1 van de grondwet misplaatst.

In de 2e plaats is het ook vreemd, dat de resolutie geen andere grondrechten noemt. Is men van mening, dat art. 1 superieur is ten opzichte van de volgende artikelen?
Zo is in art. 6 het recht vastgelegd vrij zijn godsdienst te belijden.
Waarom wordt dit artikel in de resolutie genegeerd?
Het zou toch wel van belang geweest zijn dit artikel ook in de overwegingen te betrekken. Immers het dwingen van overheidswege geen onderscheid te maken bij benoemingen en ontslagen tussen heterofielen en homosexuelen is een regelrechte aantasting van de godsdienstvrijheid.
Immers veel christenen zijn van mening, dat de Bijbel homosexueel gedrag als zonde veroordeelt.
Art. 9 van het Verdrag van Rome vertelt ons wat godsdienstvrijheid is. Daarin staat nl., dat de vrijheid van gedachten, geweten en godsdienst ook omvat de vrijheid om alleen en met anderen in het openbaar en particulier zijn godsdienst of overtuiging te belijden door eredienst, onderwijzen daarvan en door de praktische toepassing ervan en het onderhouden van de geboden en voorschriften.
In de toelichting op het ontwerp nieuwe grondwet wordt dan ook opgemerkt: "Het onderhavige artikel waarborgt het recht van een ieder zijn godsdienst of levensovertuiging vrij te belijden. Daarbij omvat het begrip "belijden" niet alleen het huldigen van de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, maar ook het zich daarnaar gedragen.".

In de 3e plaats is het beroep op art. 1 vreemd, omdat in art. 1 van de grondwet helemaal niet gesproken wordt over discriminatie wegens geaardheid.

In de preambule wordt terecht uitgegaan van de fundamentele gelijkwaardigheid van mensen en wordt ook gewezen op de verschillende verantwoordelijkheden.
Een lacune in de praembule is echter, dat niet vermeld wordt, dat er binnen het C.D.A. verschillend gedacht wordt over homosexualiteit en dat met name door vele C.D.A.-ers homosexualiteit op Bijbelse gronden wordt afgewezen.
In Appèl en Weerklank werd geschreven, dat we met elkaar meer de Bijbel moeten gaan bestuderen om vandaaruit een politieke lijn te ontwikkelen.
We moeten toch onbevooroordeeld met elkaar de Bijbel kunnen gaan lezen om daarna met elkaar een gesprek aan te gaan over de diverse Bijbelse gegevens en daarop een mening te baseren?
Waarom is men niet aan die Bijbelstudie begonnen voordat men met een resolutie kwam, waarbij men de Bijbel dicht laat.
Het C.D.A. wil toch het Evangelie als richtsnoer nemen voor het politieke handelen?

Van een bezinning op wat de H. Schrift ons over dit vraagstuk zegt is bitter weinig te bespeuren.
In Christen Democratische Verkenningen 10-84 gaan dr F. J. Heggen en mr A. Slob hierop in.
Voor dr Heggen, hoogleraar aa de Hogeschool voor Theologie en Pastoraat te Heerlen, ligt de zaak vrij eenvoudig.
Wij oordelen en handelen op alle levensterreinen anders dan de Bijbel en de mens in de Bijbel doet het anders dan wij voor goed en oirbaar zouden houden.
Kuitert heeft ongetwijfeld gelijk, aldus Heggen, als hij zegt, dat wij weinig kunnen beginnen met een bijbelberoep in zaken van ethiek: "De Bijbel is onontbeerlijk vanwege het verhaal, niet vanwege de moraal."
Mr Slob schreef hier ook over in het "praatstuk over homofilie".
Daar begint hij met de vraag: wat doe je met de Bijbel. Nu, Slob doet er niet veel mee.
Gen. 1 en 2 leren volgens hem slechts, dat God de mens mannelijk en vrouwelijk geschapen heeft en dat betekent voor hem, dat de mens als mens centraal staat.
Sodom en Gomorra brengen ons hier niet veel verder, concludeert hij terecht.
Tenslotte is daar nog Romeinen 1 : 26 en 27. De een denkt hierbij aan een veroordeling van homosexualiteit, de ander aan een veroordeling van wellust bij sexuele omgang.
De conclusie is, dat alleen met een beroep op Bijbelteksten geen beslissende uitkomst te vinden is. En dan slaat mr Slob de Bijbel maar weer dicht.
Nu is uit de eerste hoofdstukken van Genesis toch echt wel wat meer op te maken. Zo kunnen we hieruit leren, dat de gerichtheid van de man op de vrouwen van de vrouw op de man behoort tot het wezen van het mens zijn. De mens is alleen niet goed, vindt God. God geeft hem daarom een medemens van het andere geslacht. Het anders zijn van man en vrouw is een zaak van heel hun mens zijn.
In deze lijn ligt dan ook, dat in Lev. 18 en Lev. 20 homosexuele omgang uitdrukkelijk verboden wordt.
En dit verbod geldt niet alleen voor de komst van Christus.
Paulus noemt het liggen van mannen bij mannen zonde. (Romeinen 1 : 24-27).
Wanneer men Gen. 1 en 2 tesamen met Romeinen 1 beziet moet de duidelijke conclusie zijn, dat God het homo sexueel gedrag veroordeelt.

Nu is het waar, dat vele C.D.A.- ers onder invloed van moderne stromingen, van mening zijn, dat uit de Bijbel geen duidelijke afkeuring van homosexualiteit in deze tijd valt op te maken.
Maar is het te veel gevraagd, dat men tenminste respect toont voor de opvatting van hen, die in de Bijbel een duidelijke veroordeling van de homosexualiteit lezen?
Volgens christen democratische opvatting mag de overheid hen, die homosexualiteit als zondig afwijzen, niet dwingen dit in de praktijk van het leven te negeren.
Een dergelijke dwang kan nooit de taak van de overheid zijn.
Juist het C.D.A. is steeds opgekomen voor de vrijheid van burgers en organisaties om hun verantwoordelijkheid en roeping maatschappelijk waar te maken.
De overheid kan en mag zich niet bemoeien met verschillen in ethische waardering van relaties tussen mensen. Anders tast ze de vrijheid der burgers aan.
Deze problematiek is niet met wetten en regels op te lossen.
In de concept-resolutie ontbreekt het respect voor een andere opvatting van C.D.A.-ers, Het is waar, dat in deze resolutie een uitzondering gemaakt wordt voor particuliere organisaties, voor zover deze zich beroepen op hun levensbeschouwelijke grondslag. Maar deze uitzonderingsmaatregel is onvoldoende en ook weinig consequent.
In de resolutie staat verder, dat volgens het C.D.A. de homofiele geaardheid van de betrokkene en het leven overeenkomstig hun geaardheid geen enkele rol behoort te spelen.
Wat moeten nu de leden van het C.D.A. doen, die deze opvatting op grond van wat de H. Schrift leert afwijzen?
Het Program van Uitgangspunten van het C.D.A. gaf al reden tot zorg. Helaas laat de ontwerp resolutie zien, dat men onder invloed van moderne stromingen, warrige filosofieën en onjuiste staatsrechtelijke opvattingen het C.D.A,-beleid nog verder in een verkeerde richting wil stuwen.
Het ware te wensen, dat men als partij besloot samen biddend na te gaan, wat de H. Schrift hierover leert.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief