Pastorale notities
1984-12-21
Het kwam vroeger nogal veelvuldig voor, dat de priesters in de roomse kerk er buitenechtelijke relaties op nahielden.- Jaargang 28
- nummer 48
Soms bevorderden ze daarmee de wetenschap of zelfs de reformatie. Zo was bijvoorbeeld Rudolj Agricola zoon van een priester uit Baflo (Gr.) en Rudolf werd een groot geleerde, die voor de kennis van de klassieke talen veel betekent en die ook zeer veelzijdig was: een deel van het grote orgel in de Martinikerk in Groningen is aoor hem gemaakt. Hij was een "bijbels humanist" evenals Desiderius Erasmus uit Rotterdam, die óók al een zoon is van een pastoor en wat die grote geleerde betekend heeft weten wij allen. Als derde noem ik Johann Heinrich Bullinger, die de jongste zoon was van een Zwitserse pastoor. Hij werd de opvolger van Zwingli; hij was dé reformator van Zwitserland en leerde geheel in de lijn van Calvijn. Zo zou ik met enige moeite tien of meer mannen van naam kunnen noemen, die een priester tot vader hadden, maar deze ondeugende inleiding gebruik ik als aanloopje voor een serieus thema.
Ik denk aan Hendrik Poels, gestorven in 1948, die de echte pastor was van de mijnwerkers in ons Limburg. Maar Poels was van huisuit een geleerd Oud-testamenticus en geen parochie-geestelijke. Hij was te kritisch en werd weggepromoveerd naar een universiteit in Amerika. Ook daar bleef de verdachtmaking hem achtervolgen.
Hoewel hij persoonlijk met de paus bevriend was, degradeerde deze hem, al schijnt er een misverstand in het spel geweest te zijn: de paus zou twee namen doorelkaar gehaald hebben.
In ieder geval: Poels had voortaan zich van publicaties te onthouden en onder de mijnwerkers te arbeiden. Zijn biograaf (Colsen) ziet daarin Gods leiding, want dit pastoraat was meer dan de leerstoel aan de universiteit en, zegt Colsen, men moet niet overdrijven. Men kan het betreuren dat r.k. wetenschapsmensen gebonden zijn aan de kerkleer en dus niet "vrij" kunnen onderzoeken, maar dat is niet zo. De kerk dwingt niemand om te leren wat hij zelf zo niet ziet, doch de kerk eist slechts dat men zwijgt over was men gevonden heeft en wat niet strookt met de kerkleer.
Wij hadden, het is allang geleden, eens een predikantenconferentie.
Ds D. K. Wielen ga besprak een theoloog van onze tijd, maar de conclusie was, dat die man een ketter is. Wat hij leert, deugt niet. Toen was de eerste die een vraag stelde een jonge broeder in ons midden, die vroeg hoe het toch komt dat de theologen die niet deugen, zo boeiend schrijven, terwijl de boeken uit eigen kring, van rechtzinnige theologen, zo verschrikkelijk saai zijn. De vraag was naast het onderwerp, maar wel in de roos.
Er moet toch ruimte zijn voor mensen die met hun Schriftstudie verder komen dan we tot nog toe waren. Een goed Schriftgeleerde brengt niet alleen oude maar ook nieuwe dingen tevoorschijn.
Wat hij zegt, kan wel eens van de gangbare mening afwijken of niet hetzelfde zijn als wat in de belijdenis staat, maar als hij z'n mond houden moet, is het ook niet best. Dan vraagt in elk geval de jeugd al gauw of er niet een raam open mag. Het is te hopen dat het onderling vertrouwen blijft, ook in '85.