Amsterdam tussen Bethlehem en Troje

1984-12-21
  • Jaargang 28
  • nummer 48
De voorname Amsterdammers die gekomen waren om door hun aanwezigheid extra luister te geven aan de feestelijke opening van de nieuwe schouwburg, kregen héél wat mee naar huis om er daar nog eens goed over na te denken. En te praten, natuurlijk! Het was zondag 3 januari 1638. Jammer dat het plechtige gebeuren niet had kunnen plaats vinden op de dag die in de bedoeling had gelegen: de tweede kerstdag. Maar ja, als je sinjeur Vondel vroeg voor zo'n gelegenheid een toneelstuk te maken, kon je eigenlijk ook wel verwachten dat het niet zonder problemen zou gaan. En natuurlijk had hij weer moeilijkheden met de dominees gekregen. Dat was trouwens niet de eerste keer. En hij was ook niet de enige. De burgemeesters hadden ook heel wat met die dominees te stellen. Het waren merkwaardige tijden.

Soms gebeurde het dat een predikant vanaf de kansel het volk zó had opgehitst dat na afloop van de dienst de ramen bij een van zijn remonstrantse collega's werden ingegooid.
Het was de heren predikanten góed te verstaan gegeven dat zóiets niet getolereerd kon worden. Het moet zelfs eens gebeurd zijn dat een burgemeester die op een zondag vanaf de kansel persoonlijk op scherp vermanende manier was toegesproken, de week daarna vóór aan zat en tijdens de hele dienst een pistool op de prediker gericht had gehouden. Ja, het sprak hun wel aan, wat ze op het toneel een legeraanvoerder hoorden zeggen:

"Een krijgsman laat zich niet door papen ringeloren".

De heren van Amsterdam lieten zich ook niet op de kop zitten. Niet door de regering in Den Haag die na verschijning van Vondels toneelstuk Palamedes had geëist dat de dichter aan Den Haag zou worden uitgeleverd, omdat voor iedereen duidelijk was dat in dat stuk Palamedes model stond voor Oldebarneveld en dat de Haagse heren zijn moordenaars waren. Maar Amsterdam kon zijn eigen boontjes wel doppen! Van uitlevering kon geen sprake zijn. En sinjeur Vondel werd aan het verstand gebracht dat hij toch werkelijk een beetje moest uitkijken, begrepen?
Nee, Den Haag had het in Amsterdam niet voor het zeggen. En de dominees ook niet, dat moesten ze niet denken. Maar ja, je moest de ergste moeilijkheden, als het kon, natuurlijk wel uit 'de weg gaan, ook al was het dwaasheid wat er tégen het toneelstuk over Gijsbrecht van Aemstel werd gezegd.
Er zouden "roomse elementen" in voor komen!
Ja, natuurlijk, wat anders? Het speelde toch in de Middeleeuwen en toen was toch iedereen Rooms? Dwaasheid om je daar druk over te maken. Wat had je aan die scherpslijperij. Als het kon, dreven zij toch ook handel met de Spanjaarden? En waaraan was de welvaart, de rijkdom in Amsterdam te danken? Toch zeker aan de voorzienigheid der heren? Nou dan!
Goed, men kon er niet onder uit, de opvoering was een week uitgesteld. En nu was iedereen toch wel benieuwd wat er te zien en te horen zou zijn. Daarom kwámen ze.
Op zondag! Wat de dominees dáárvan zeiden, weet ik niet. De opvattingen waren toen kennelijk anders dan in latere tijden, dat is uit het voorgaande wel duidelijk geworden.

"Zij zal met groter glans uit asen stof verrijzen"
Met voldoening moeten de heren geluisterd hebben naar de woorden van de engel Rafaël tegen het einde van hel stuk:

"Al ligt de stad verwoest, en wil daarvan niet ijzen:
zij zal met groter glans uit as en stof verrijzen".

Dat was uitgekomen! Een prachtige stad was er aan de Amstel verrezen. Een stad om trots op te zijn:

"In 't midden van de twist en 't woeden nimmer moe,
Verheft uw stad haar kroon tot aan de hemel toe,
En gaat door vuur en ijs een andre wereld vinden,
En dondert met geschut op alle vier de winden."

Inderdaad, ze lieten zich niet op de kop zitten. De weg naar Indië zóu bevaren worden, zelfs hadden ze geprobeerd door het ijs van het hoge noorden die weg open te breken. Dat was weliswaar niet gelukt, maar ze hádden het toch maar geprobeerd. En via de andere route lukte het dan toch maar wel. En ja, inderdaad, in alle Windstreken had men geleerd het Hollandse geschut te respecteren. Terecht ook kregen zij een eerbetoon, de heren die het allemaal zo goed wisten te regelen:

"En Amstels oude naam zal genen lof ontberen,
Als uw naamhafte stad haar schouwburg open doet,
En voert op 't hoog toneel uw daden tegemoet
Den Burgemeesteren en drie maal twalef raden,
gezeten op uw schild, met kruisen overladen. "

Ze hadden inderdaad met interesse de daden van Gijsbrecht gevolgd en ze voelden zich thuis op die kussens met het wapen van Amsterdam.
Mooi van Vondel dat hij hun stad op één lijn stelde met het beroemde oude Troje. En zij hadden het heel wat verder geschopt dan de mensen uit het verleden.
Wat was er van Troje over? Maar kijk eens naar óns Amstelredammel Inderdaad: met groter glans uit as en stof verrezen. Ja, een mooi toneelstuk. En de nieuwe schouwburg mocht er óók wezen, een aanwinst voor de stad. Die meester Jacob vanCampen kón er wat van. De heren mochten echt tevreden zijn.

"De Opperste beleidt zijn zaken wonderbaar"
Het is te hopen dat de Amsterdammers met even veel instemming hebben geluisterd naar wat Vondel hun wézenlijk wilde zeggen.
Het was de tijd van de Renaissance, van de bijna grenzeloze eerbied voor de kunst van de Grieken en Romeinen. Daarom was het ook niet zo verwonderlijk dat de bekende geschiedenis van Troje in het toneelstuk was verwerkt. Het was ook te waarderen dat de éigen geschiedenis erin was betrokken. Hoe was Breda ook weer veroverd? Ja, met een turfschip dat in zijn ruim soldaten verborgen hield. Wie kende niet de geschiedenis van het paard van Troje? Zo werd ook duidelijk de parallel herkend bij het Zeepaard, het schip dat geladen was met rijshout en dat óók in zijn ruim een aantal soldaten vervoerde. Voor de fijnproevers was er nog veel meer te herkennen, maar niet iederéén was vertrouwd met Vergilius, het voorbeeld van Vondel.
ZÓ hoorde het in die tijd: de klassieken waren hét grote voorbeeld en daarnaast speelde het eigen, nationale element een belangrijke rol. Toch wilde Vondel méér, hij wilde de klassieken niet maar navolgen, hij wilde ze eigenlijk overtreffen. Nu besefte een Renaissancekunstenaar dat hij in vaardigheid en techniek nooit de meerdere van zijn grote voorbeelden zou kunnen worden. Hij zou het moeten zoeken in de inhoud, de ideeën.
Daarmee komen we bij het derde element in de Hollandse Renaissance: het christendom.
Uiteindelijk waren en bleven de klassieken, ondanks hun geniale bekwaamheid en ondanks hun diepzinnige denkwereld: héidenen.
Bij hén wordt in feite het hele gebeuren bepaald door één duistere macht: het noodlot.
Maar wij weten beter!
De mens wikt, God beschikt. Dáárom zegt Rafaël:

,,0 Gijsbrecht, zet getroost uw schouders onder 't kruis
U opgelegd van God. 't Is al vergeefs dit huis
Verdedigd. Hadden wij't in ons behoed genomen,
Het was met Amsterdam zo verre nooit gekomen."

En even later volgt, wat als hét thema van dit toneelstuk kan worden beschouwd: "De Opperste beleidt zijn zaken wonderbaar."
Dat wil zeggen: Gods leiding, Zijn bestuur, is voor de mens niet te doorgronden. Het is, zoals het spreekwoord zegt: "God kan met een kromme stok rechte slagen slaan." Later, in Jozef in Dothan, zal hetzelfde doorklinken: God kan het kwade gebruiken ten goede. Jozef wordt het slachtoffer van de wraak, maar hij zal het middel in Gods hand zijn tot redding van zijn familie. Zoals Jezus zich opofferde om de mensheid te redden.
En daarmee komen we bij de derde plaatsnaam die in de Gijsbrecht van Aemstel van belang is: Bethlehem. Ik vermoed dat de Amsterdamse heren niet slechts ingenomen waren met de duidelijke verwijzing naar de eigentijdse situatie, maar dat zij ook wel instemmend hebben geknikt omdat Vondel het klassieke noodlot plaats had laten maken voor het ondoorgrondelijke Godsbestuur.
Maar ik vrees dat zij, net als wij, méér moeite hebben gehad met het verwerken van de boodschap die uit Bethlehem tot hen kwam.

"Al wie door ootmoed wordt herboren, Die is van ’t hemelse geslacht."
Dat het toneelstuk pas na nieuwjaar werd opgevoerd, nam niet weg dat het voor Kerstmis was bedoeld.
Het lag dan ook voor de hand dat het kerstgebeuren erin mee zou spelen. Maar wat er in het slot van het tweede bedrijf gezegd werd, was wel heel wat anders dan wat de zelfgenoegzame burgers op ándere momenten konden horen.
Laten we éven nagaan wat op het toneel gebeurd was: Na een belegering van een jaar zijn de vijanden opeens verdwenen, Amsterdam haalt opgelucht adem, maar in het tweede bedrijf is duidelijk geworden dat de terugtocht maar schijn is geweest, de vijand maakt zich klaar om met een list (het Zeepaard) de stad te veroveren. En dán volgt de "rei van Edelingen" die naar de kerk gaan om de geboorte van de Heiland te vieren.
Onder andere klinkt door wat in Lucas 9 : 58 staat: De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats waar Hij het hoofd kan nederleggen.

't Gevogelt dat op Wieken zweeft
zijn nest, de vos zijn holen heeft,
en woont in bergen'en in bossen.
Een stal van ezelen en ossen
den Schepper nauwlijks herberg geeft.

Het is deze eenvoud, deze nederigheid waar het accent op komt te liggen. Aardse koninkrijken vergaan, ...

Maar Dees beheerst het al te samen.

Hemel, aarde en hel zijn aan Hém onderworpen, maar ...

De doeken waar dit kind in leit,
zijn 't purper van zijn majesteit,

en even verder volgt de strofe waar het mij nu speciaal om gaat:

Hier is de wijsheid ongeacht.
Hier geldt geen adel, staat noch pracht.
De hemel heeft het klein' verkoren.
Al wie door ootmoed wordt herboren,
Die is van 't hemelse geslacht.

Dit is een ándere Renaissence, weder-geboorte.
Niet het grootse, het indrukwekkende, de pracht en praal zijn van belang. Troje is vergaan.
Amsterdam is op inderdaad schitterende manier tot een bewonderenswaardige stad uitgegroeid, maar ook dát is vergankelijk.
Ach, eigenlijk is alles wat Gijsbrecht in het toneelstuk doet, zwak menselijk gestuntel.
Ik kan me indenken dat de "burgemeesteren en drie maal twalef raden" zich wel eens aan hem geërgerd hebben. Hij práát wel veel, maar wat dóet hij nou eigenlijk? En waar loopt het op uit?
Als de Amsterdammers tóen de echte betekenis beseft hebben van wat in de genoemde rei tot hen kwam, is er niet veel reden meer geweest voor zelfgenoegzaamheid. Dán heeft de laatste beslissing van Gijsbrecht hun ook meer te zeggen gehad. Hij buigt zich voor God, hij aanvaardt wat hem wordt opgelegd en treft dan de maatregelen die in overeenstemming zijn met wat God hem heeft opgedragen.

Kerstmis 1984
Voor Gijsbrecht van Aemstel is niet zo veel belangstelling meer. De Renaissance en de klassieken spreken niet zo erg meer aan.
Maar is het moderne heidendom van b.v. W. F. Hermans veel anders dan dat van de klassieken? Zegt hij in "Het behouden huis" eigenlijk niet bijna hetzelfde; is er veel verschil tussen zijn opvatting dat de mens maar wat gedreven wordt door duistere machten in hem, en de noodlotsgedachte uit de oudheid?
Zijn behouden huis is het tégendeel van "behouden", het wordt afdoende vernield.
Het biedt ook geen behoud! Nee, natuurlijk niet, wij hébben hier geen blijvende stad. Troje niet, Amsterdam ook niet. Maar de les uit Bethlehem mogen we tot ons nemen.
Dáár, in eenvoud en nederigheid wilde de Heiland, Gods Zoon, geboren worden.
Vondel confronteerde zijn tijdgenoten met dát voorbeeld.
Hij plaatste hen mét hun rijkdom en hun cultuur, het "naamhafte" Amsterdam, tússen de vergankelijkheid van de glorie in het roemrijke Troje en de blijvende waarde van nederigheid en bereidheid tot dienen uit het eenvoudige Bethlehem.
Elk van ons zal dat op éigen manier moeten verwerken. Het ligt ons niet zo, die "ootmoed". Persoonlijk niet en als gereformeerde kerken niet. Toch hebben wij reden genoeg om bescheiden te zijn: wat hebben wij ervan gemaakt? Wij zullen ons moeten laten aanspreken door wat na ruim driehonderd jaar nog tot ons komt:

Al wie door ootmoed wordt hérboren,
Die is van 't hemelse geslacht.

Ik wil niet besluiten zonder de evangelische troost die Vondel in hetzelfde werk ons biedt, namelijk ...

Dat God zijn kudde weiden zal
en hoên voor ramp en ongeval
en naar 't verdwaalde schaapken vragen,
en dat op zijne schouders dragen,
met vreugd bij 't overig getal.

Aan het begin zei ik dat de Amsterdammers heel wat mee naar huis kregen om over na te denken. Ze hadden, vind ik, een goede preek gehoord. Ik hoop dat ook mijn lezers er iets aan hebben gehad en dat zij, als zij Gods wegen met de mens en met de wereld zien, Vondel zullen gelijk geven:

De Opperste beleidt Zijn zaken wonderbaar.

Ik wens u góede kerstdagen en een gezegend nieuw jaar!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief