Niet meer dan een naaste

2011-06-24
  • Jaargang 55
  • nummer 13
‘De wereld valt mee, de kerk valt tegen’. Abraham Kuijper kon er anderhalve eeuw geleden niet om heen en ook voor Jan Mudde is het een belangrijke gedachtelijn in zijn jaaroverzicht, dat hij toespitste op de rol van de kerk in de samenleving. Het leverde een prikkelend verhaal op.

Als een trolleybus langs de bovenleiding, zo laat Jan Mudde zijn bespiegelingen over ‘kerk en samenleving’ lopen langs de lijnen van Genesis 20.
Weinig verhullend vind je in dit Bijbelhoofdstuk Abrahams gesjoemel met zijn vrouw en gedraai richting koning Abimelech. En dat terwijl de handelwijze van de Filstijnse (!) koning integer oogt – reine handen, zuiver hart (Genesis 20:5, HSV), toch noties uit de 24e psalm. Het zijn mooie doorkijkjes en treffende details, die ds. Mudde als Bijbels decor meegeeft. Het zijn prachtige snijpunten tussen krant en Bijbel! In de diepere lagen van ons mens-zijn doen plaats en tijd er blijkbaar niet zoveel toe.

Allemaal mensen
De tegenvallende aartsvader en de meevallende koning gaven Jan Mudde de gelegenheid om eerst maar eens iets te schrijven over het gemeenschappelijke tussen kerk en wereld.
We zijn toch immers allemaal mensen, die leven op die ene wereld.
Inderdaad, wat delen mensen van binnen en buiten de kerk veel en wat geeft dat kansen om de ander als naaste te ontmoeten!
Mudde komt met een drieslag van schepping, vervreemding en redding.
Ieder mens is geschapen naar Gods beeld (1), maar alle mensen delen niet minder in de vervreemding van God (2). Toch is dat gelukkig niet het laatste woord, want de Bijbel is vol van het goede nieuws dat Gods liefde naar alle mensen uitgaat (3) – zo lief heeft God de wereld gehad… (Johan nes 3:16). Mensen van de kerk leven dus meervoudig verbonden met de mensen van de wereld. Echt een eyeopener!
Jan Mudde concludeert: ‘Een christen is niet iemand die een nieuw genenpakket heeft gekregen, maar iemand die - dankzij Christus - van God een nieuwe naam heeft gekregen en nu geroepen is om die nieuwe naam – Christus’ naam – hoog te houden’ (p.157).

En toch roeping
Jan Mudde benadrukt vervolgens dat er - ondanks alles wat er ook recent misging in kerk en klooster - voor het volk van God richting de wereld een roeping overblijft. Na een breed spectrum aan Bijbelse noties concludeert Mudde: ‘Volgelingen van Jezus zijn dus gezalfden: geroepen om profetisch, priesterlijk en koninklijk in deze wereld te leven. Hoe arrogant en irritant “de wereld” het ook mag vinden, die identiteit is een gegeven, die heeft “de kerk” van Christus meegekregen’ (p.168). Maar gelet op de deuken in het image van de kerk geeft Jan Mudde als advies mee om ‘eerst te werken aan herstel van eigen geloofwaardigheid alvorens weer de profetenmantel om te doen’ en zich dus vooralsnog te beperken tot priesterlijke dienst in de samenleving.

Heerschappelijke noties
Jan Mudde heeft van het jaaroverzicht een sterk persoonlijke beschouwing gemaakt, die uitnodigt tot meedenken en soms ook prikkelt tot tegenspraak. In de rest van dit artikel ga nog wat verder in op deze profetisch-priesterlijk getinte presentie van de kerk in de samenleving, die Mudde voorstaat.
Hoe bruikbaar zijn deze noties van het profetische, priesterlijke en koninklijke, als het gaat om kerk-zijn in de wereld – zo vroeg ik me af? De wortels van deze typeringen liggen ver terug in de samenleving van het oud-Israël, waar koning, priester en profeet hun hoge plaatsen innamen.
Een echte heer-schappij en niet een 21e-eeuwse maat-schappij, zoals ds.
De Jong het wel eens speels en treffend typeerde. Het was bovendien een samenleving waarin kerk- en landsgrens goeddeels samenvielen, zodat naast de koning ook de priester en profeet direct-maatschappelijke betekenis hadden.

Van oud naar nieuw
In Jezus’ dagen had die ordening zijn glans verloren. Een half-heidense koning regeerde het land, de profetische stem werd al eeuwen gemist en de priesterdienst maakte richting God een gesloten indruk (Matteüs 21:13).
In die wereld trok Jezus rond en wat de mensen ook in hem zagen, hij liet zich niet hullen in een priesterlijke, profetische of koninklijke mantel. Hij nam eerder afstand met: ‘meer dan een profeet’ en ‘een koninkrijk dat niet van deze aarde was’. En het priesterlijke ging schuil achter het lam, dat de zonde van de wereld zou wegdragen.
Hoe bruikbaar is deze drieslag dan voor de volgelingen van Jezus, denk je dan. Misschien nog binnenshuis in overdrachtelijke zin? Maar als het gaat om de rol van de christelijke gemeente in de samenleving lijkt me deze trits ver over de houdbaarheidsdatum heen.

Naaste
Veel geschikter voor de Nieuwtestamentische kerk lijkt me de typering ‘naaste’ als een entree tot de wereld.
Open, persoonlijk en pretentieloos, zo maar weglopend uit het grote gebod, waar Jezus mee kwam. Dat gebod is een prachtige tweeslag vol van de liefde - opwaarts tot God, maar vervolgens ook zijwaarts richting de medemens als naaste. Niet anders is het in de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan met de open slotvraag: voor wie kun jij een naaste zijn?
Sta je wat langer stil bij gebod en gelijkenis, dan kun je niet om Jezus zelf heen. Wat was hij, al rondtrekkend, een naaste voor de mensen. Mens onder de mensen. ‘Hij was één van ons’, is de prachtige titel van een boek van de schilder Rien Poortvliet. Zo was onze Heer van de kribbe naar het kruis en zo is Hij alle dagen waarvan hij zei: ‘Ik ben met jullie’.
Als dat van de Heer gezegd wordt, zou dat dan ook niet het passend gewaad zijn voor de christelijke gemeente. In alle eenvoud: ‘voor wie kan ik een naaste zijn’ – niet minder, niet meer.
Heerlijk toch, als de mensen van ons zouden zeggen: zij is of was één van ons! Zonder de pretentie, die zomaar insluipt als dat ‘naaste zijn’ een profetische, priesterlijke of koninklijke mantel omgehangen krijgt.

Van buiten naar binnen
Belast de christelijke gemeente bij haar rol in de samenleving maar niet teveel met deze Oudtestamentische categorieën, zo dacht ik. Dat zou de insteek, die zo eigen is aan het Nieuwe Testament wel meer kunnen hinderen dan helpen. Sterker nog, wat geldt voor de naaste buiten de kerk, zou ook wel eens vruchtbaar kunnen zijn voor ‘binnen’. Ik dacht daarbij aan het rapport Predikantsprofiel (dat in het overzicht ook goede aandacht krijgt).
In dat Rapport heeft de visie op het ambt een klassieke tint. Van de predikant (maar misschien geldt dat verdund ook wel voor ouderling en diaken) wordt gezegd dat hij ‘als ambtsdrager los van de gemeente, ja zelfs tegenover haar staat. Steeds opnieuw zien we in de Schrift dat de Heer mensen stuurt naar zijn volk.’ (Rapport, p.68). Ook hier is het Nieuwtestamentische ambt me te veel gekleurd door het Oudtestamentische beeld van de door God gezonden profeet.
Zou ook hier een doordenking van het ambt vanuit de categorie van de naaste niet vruchtbaar kunnen zijn voor de christelijke gemeente? Verkondiging, pastoraat en diaconaat op ooghoogte, waarin je de ander tot naaste wordt. Meer ruimte voor het ‘elkaar’, waar het Nieuwe Testament zo vol van is en waarmee tegelijk het ‘tegenover’ op een hoger plan komt te liggen. Als het gaat om de liefde tot de naaste is het ‘binnen’ niet anders dan ‘buiten’. En zo is het ook bedoeld in het grote gebod dat geen grenzen kent.

* De vlag klopte twee weken geleden niet. Er stond: ‘Bespiegelingen bij de landelijke jaarboekjes van 2010’, maar dat moest zijn 2011. Want de besproken jaarboekjes waren natuurlijk uit 2011, al gaan de jaaroverzichten logischerwijs over 2010.

Drs. Freddy Gerkema is predikant van NGK Amersfoort-Noord en redacteur van Opbouw.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief