De zonde van het vooruitgrijpen (1)
1986-11-07
Kunnen wij dat nog: ergens op wachten tot we een ons wegen?- Jaargang 30
- nummer 43
Wachten lijkt een kunst te worden die men nauwelijks meer verstaat.
De vanzelfsprekendheid van een onmiddellijke behoeftebevrediging wordt met de paplepel van de sterreclame ingegeven. In onze surfplankcultuur wordt niet gespaard maar geleend. Wachten is uit de mode. En waar het wachten wordt verleerd, ligt de verzoeking van de anticipatie, de zonde van het vooruitgrijpen op de loer.
Niet alleen op het materiële maar ook op het immateriële vlak. In het loflied van onze dagen op de liefde en de seksualiteit - om een voorbeeld te noemen - klinkt een geluid uit het Hooglied als "wekt de liefde niet op en prikkelt haar niet voordat het haar behaagt" als een dissonant. Je raakt hier aan een beginsel van de revolutie. De revolutie kan niet wachten, zij moet nu haar zin hebben en zo niet: de beuk erin. Tegen dat beginsel waarschuwt de bijbel onder andere met het voorbeeld van Uzzia, bij wie de zonde van het vooruitgrijpen en haar vernietigende uitwerking manifest worden.
Grensoverschrijdende godsdienstigheid
Uzzia's leven is meer dan een illustratie bij de vermeende wetmatigheid van opgaan, blinken en verzinken.
Opgang en neergang in Uzzia's koningschap koppelt de bijbel aan de momeven in Uzzia's hart. Zolang hij de HERE zocht, maakte God hem voorspoedig, vs. 5. Maar voorspoed kan je je waakzaamheid doen verliezen (Auguseinus).
Het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen. Op het toppunt van zijn macht kiest zijn hart een andere koers, wordt zijn beleid gemotiveerd niet langer door een zoeken van de HERE maar door een zoeken van zichzelf, Al lijkt zijn gang naar de tempel om daar reukwerk te ontsteken zijn precedenten te hebben. Danste David niet voor de ark, gekleed als een priester in linnen lijfrok?
Bracht hij niet daarna brandoffer en vredeoffers, zegende hij niet het volk in de naam des HEREN?
Bij de inwijding van de tempel deed Solome priesterlijke voorbede en ook hij bracht slachtoffers.
Vergeleken met zijn vader Amazia bezit Uzzia een schijn van vroomheid.
Amazia offerde aan zijn uit de krijg als souvenirs meegebrachte afgoden (25: 14).Uzzia wil offeren aan de levende God.
Het lijkt duidelijk wat Uzzia's zonde is. Afgezien van het feit dat hij zich op verboden terrein bevindt - bij het reukofferaltaar in het Heilige waar alleen de priester toegang had -, matigt Uzzia zich het kernstok van de priesterdienst aan.
U komt het niet toe, Uzzia, zegt de priester Azarja (hij noemt hem niet meer koning, hier is de koning Ieek), u komt het niet toe reukwerk te ontsteken voor de HERE, maar de priesters, de zonen van Aäron. Het priesterlijk privilege is in Israël geen koninklijk prerogatief.
In het voetspoor van Korach, Dathan en Abiram vergrijpt Uzzia zich aan het priesterambt, aan zijn drager en aan diens Zender. De grens tussen koningschap en priesterschap wil hij uitwissen. Maar wat God gescheiden heeft, voege de mens niet samen.
Daarmee lijkt Uzzia ook de grens te willen uitwissen tussen Israël en de volkeren. In Babel en Egypte is de koning als godenzoon, meer dan de gewone sterveling, toegerust tot het verkeer met de goden, de priesterdienst. Uzzia doet een grensoverschrijdende greep naar het priesterambt en daarmee naar bet heidense koningschap.
Greep naar het messiasschap
Tenminste, volgens de gangbare uitleg. Deze ziet bij Uzzia de zonde van de religieuze hoogmoed, de zonde tegen het gebod "gij zult met begeren". Alles heeft bij, behalve dat ene. Zeker, ook religieuze hoogmoed komt voor de val. Toch is, gelet op de aard van Uzzia's straf en op het thema van het Kroniekenboek, iets nog ernstigers aan de hand.
Ben opmerking van de priester Azarja zet ons op het spoor, vs. 18.
Weg hier, zegt Azarja, "want gij rijt ontrouw", Letterlijk zegt hij wat er staat van Achan die zich in Jericho vergreep aan het gebannene: weg jij, want ge hebt u vergrepen aan wat des HEREN is, u pleegt diefstal richting God.
Uzzia doet een greep naar het messiasschap.
Zou niet uit David - voortkomen de priester-koning die beide ambten in zich verenigen zou? Dat is de thematiek van de boeken der Kronieken. In de Kronieken is de spanning van de messiaanse verwachting om te snijden.
Soms hangt. het voortbestaan van de davidisohe dynastie aan een zijden draadje, aan het leven van een klein kind, prins Joas, wanneer de Satan via koningin-moeder Atalia de weg naar de Messias poogt te blokkeren. Waarmee de Kronieken willen zeggen: de hoop op de Messias kan alleen stoelen op Gods genade. Eens zal een zoon van David priester zijn naar de ordening van Melchizedek, maar het is Gods zaak hem te brengen.
Het is de zaak van de mens in Gods genade te geloven en van die genade alles te verwachten. Uzzia meent zichzelf Messias te zijn, maar in plaats van ertoe geroepen te worden, eigent hij het zich toe. Gij hebt u vergrepen aan de HERE. In plaats van te wachten op wat op Gods tijd .gegeven zal worden, grijpt u vooruit. En vooruitgrijpen is omhooggrijpen, een grijpen naar God.
Uzzia's straf is navenant. Wat U W1Î1t doen, zegt Azarja, zal u van de kant van de HERE geen glans brengen (vs. 18).Integendeel, daar waar de Hogepriestersmuts met het gouden opschrift "Den HERE heilig" zou moeten prijken, verschijnt het stigma "onrein". De schrijver gebruikt een uitdrukking voor het opkomen van de zon.
Zoals de zon opkomt, zo komt de melaatsheid op. Rood van woede wordt Uzzia wit van melaatsheid.
In plaats dat glans van de HERE Uzzia opgaat, gaat hem melaatsheid van de HERE op. De discussie is meteen gesloten: deze messias heeft geen sacrale rechten, is cultisch ondeugdelijk, van gemeenschap met God en mensen uitgesloten. Uzzia haast zich uit het huis des HEREN, hij haast zich uit het huis des konings en gaat wonen in een afzonderlijk huis (vs. 21): een levende dode.
Wat H. de Jong over Saul gezegd heeft, geldt niet minder van Uzzia: deze man die alles meeheeft, verwordt tot anti-messias. Het messiaanse is geen menselijke kwaliteit.
Het valt niet samen met het beste van de mens, Integendeel, dat beste bezwijkt als het bet messiaanse op zich nemen wil. Wat de wereld nodig had Was geen koning die priester werd, maar een priester die - op grond van zijn offer - koning werd, met een heilzaam overleg tussen beiden, Zach. 6: 11-13: 'Messias Jezus.
Revolutie kent geen geduld
Aan deze groteske messias-karikatuur verbindt de bijbel een waarschuwing.
Gods molens malen de revoluties te langzaam. Wat Hij laat groeien breekt zij af, om daar haar nieuwbouw voor in de plaats te zetten.
De revolutie is in haar wezen destructief. Zij kent geen geduld.
Gods verlossingsweg moet verkort, en de vruchten daarvan zijn bitter.
Uzzia's schijnvroomheid wat revolutionair.
Onze samenleving en vele van haar bewegingen en -ismen dragen een revolutionaire trek: de dingen moeten op staande voet rechtgezet worden en anders: het protest, de staking, de blokkade, wij eisen. Ook bekeringsbewegingen en gemeentevernieuwingsacties zijn soms niet vrij van een houding van: bekeer je of ik schiet.
Daarover een volgende keer.
Kunnen wij nog wachten? Bij wachten blijkt wat onze kracht is: het vlees of het geloof. Het geloof leert ons wachten op Hem die zo groot wordt tegen de achtergrond van 2 Kron. 26: de Christus wiens leven één wachten en vertrouwen was en in zeker opzicht nog is.
Wiens offer ook de schuld van de revolutie van ons wegnemen kan, Die ons zijn Geest wil geven om zachtmoedig te leren wachten op en alles te verwachten van Hem die zijn kracht volbrengt in ons als wij zwak zijn: Dat geloof zet ons op de juiste plaats. Alleen wie op zijn plaats is kan grote dingen doen.