De Makkabeeën

1986-11-14
  • Jaargang 30
  • nummer 44
De bijbel heeft in de geschiedenis van het Joodse volk, tussen de terugkeer uit Babel en de geboorte van onze Heiland, en hiaat van enkele eeuwen laten bestaan. De bijbel is dan 'Ook geen geschiedschrijving, al komen belangrijke stukken wereldhistorie er soms door in een bijzonder licht te staan. En we kunnen moeilijk zeggen dat wat niet in de bijbel staat niet waar gebeurd kan zijn. Integendeel, we mogen blij zijn, wanneer andere historiebronnen ons kennis opleveren, die aansluit bij wat de bijbel ons bekend maakt. Denk maar aan wat Flavius Josephus over de verwoesting van Jerusalem heeft neergeschreven!

Een zo’n hiaat in de Joodse geschiedenis wordt gevuld door de boeken van de Makkabeeën. Het is de tijd van de Griekse overheersing, die aan de Romeinse terreur voorafging;' het door Daniël aangekondigde koperen rijk, dat door het ijzeren zou worden gevolgd. De beide boeken, die niet in de Joodse maar wel in de Roomskatholieke Canon zijn opgenomen, tekenen de strijd van het Joodse volk, in de 2e eeuw voor Christus, tegen de Griekse indringers, die de religieuze en politieke zelfstandigheden der wingewesten 'Onmogelijk trachtten te maken. De naam van Judas de Makkabeeër is bekend geworden door Handels oratorium, waarmee de broers van Judas meteen naar voren zijn geschoven, Zij hebben als helden gestreden om de wetten van Mozes (het Ie boek) en het verbonds Gods (het He boek) te eerbiedigen, Het eerste boek noemt Gods naam niet - maar beroept' zich op de voorvaderlijke inzettingen. Het tweede boek ademt een veel groter religieuze bewogenheid, kent al Gods oudtestamentische namen, rekent met Gods beloften, erkent de grote schuld van het overblijfsel der twee stammen en heeft een sterk geloof in de wederopstanding op Gods nieuwe aarde!

Doet het eerste boek nogal onwaarschijnlijk aan, vanwege al te sterke verhalen en wonderen die in chauvinistische kleur worden opgediend - het tweede boek staat veel dichter bij Gods Woord: door citaten uit het oude testament, door het kennen van Gods verbond, ook door martelingen, waarheen zelfs in de brief aan de Hebreeën 1) later verwezen wordt. En let bijvoorbeeld op een citaat als: "De Heere heeft het volk niet uitgekozen Dm de heilige plaatsmaar de heilige plaats om het volk" 2); een citaat dat doet denken aan de parallel: "de mens is er niet Dm de sabbath, maar de sabbath is er Dm de mens" 3).

Beide boeken, die elkaar goeddeels overlappen, zijn plm. 100 jaar v. Chr. opgesteld; het eerste in het Hebreeuws, het tweede is in het Grieks uit 5 boeken van Jason van Cyrene samengevat door onbekende geletterde Jerusalemse Joden, naar men aanneemt.' Wij vragen uw aandacht voor enkele bloedgetuigen, die tot het einde op de Heere hun vertrouwen stelden.

-o-

Eleazar was een voornaam schriftgeleerde; een man op jaren en een indrukwekkende verschijning 4).
Onder de Syro-Phoenicische koning Antiochus IV, bijgenaamd Epiphanes, werden de onderworpen volkeren - ook de rest van het tweestammenrijk - gedwongen, hun religie en politiek los te laten en zich te laten vergrieksen. Dat vergrieksen ging niet op papier, nog minder per computer, maar metterdaad: ze moesten onrein vlees eten en in de tempel aan offermaaltijden deel nemen; de heilige tempel, waarin het afgodsbeeld· van Zeus Olympius prijkte. Ze moesten daadwerkelijk heidendom bewijzen.

Eleazar werd dus aangepakt; een goed voorbeeld dat vermoedelijk door de knieën zou gaan en dan veel Joden tot de Griekse religie zou overhalen. Hij werd in het publiek gedwongen varkensvlees te eten, dat onrein werd geacht 5) en de Joden verboden was. Maar Eleazar weigerde!

Hiermee wankelde het gezag van de Griekse overheerser. De orthodoxe Joden werden gesterkt door de moedige weigering van hun priester. Daarom moest Eleazar met alle middelen worden gedwongen té gehoorzamen. Men had a gezegd, met) zou alle gruwelijke letters van het Griekse alfabet laten volgen.

Dat ging niet direkt in alle ruwheid.
Dat begon met vriendelijke overreding. De collega's namen Bleazar: terzijde en fluisterden hem bun advies in: "je mag zelf het eten klaarmaken dat je wilt, als je maar meedoet aan tafel, en formeel het gebod opvolgt." Hij zou dan de wet uit Leviticus niet overtreden, zijn leven sparen en' van alles af zijn. Meenden zijn collega's het niet goed met hem? Hun raad zou zijn leven sparen en hun vriendschap was toch ook wat waard?

Maar Eleazar zag het afgodsbeeld in Gods tempel staan. Hij dacht aan "de gruwel in de heilige plaats", waarvan Daniël had geprofeteerd 6). Hij liet zich niet verleiden.
Hij doorzag de huichelarij, die van hem gevergd werd. Hij "nam een nobel besluit, zijn leeftijd waardig en passend bij het aanzien dat zijn ouderdom hem gaf, bij de adel van de grijze haren die hij met ere droeg, bij het voorbeeldig leven dat hij van zijn jeugd aan geleid had". Tot nu toe klinkt het wat Joods-chauvinistisch, maar dan volgt: "een besluit, 'dat bovenal in overeenstemming was met de heilige wet, door God zelf gegeven; en verklaarde zonder aarzeling dat men hem maar naar het dodenrijk moest sturen.
Want", zo voegde hij er aan toe, "op hoge leeftijd past het niet te huichelen, Veel jonge mannen zouden dan geloven, dat de 90-jarige Eleazar de zeden van de heidenen had aangenomen; en door mijn huichelarij, waardoor ik mijn leven een heel kleIn beetje kan verlengen, zouden zij op een dwaalspoor worden gebracht; en daar ik voor die dwaling verantwoordelijk zou zijn, zou ik schande en smaad brengen over mijn oude dag. En al ontkom ik voor het çgenblik aan een bestraffing door mensen - nooit, dood of levend, zou ik ontkomen aan de hand van de Almachtige".

-o-

Ongetwijfeld heeft ook de schriftgeleerde Paulus de boeken der Makkabeeën gelezen. Zijn uitspraak over het ten val brengen van "zwakken", door de schijn van (aan afgoden) geofferd vlees te eten, is klassiek 1). En dat staan in de vrijheid ons vijanden oplevert was ook al voor de dagen van Stephanus en Paulus bekend. Zoverging bet Eleazar.
Deze werd, nog wel door zijn Collega’s die hem zo vriendelijk hadden toegesproken, begeleid naar de folterplaats. Zij achtten hem krankzinnig en nietswaardig. Eleazar is op gruwelijke wijze terechtgesteld, zoals later Stephanus.
Voor hij onder de slagen bezweek heeft hij gesproken: "de Heer weet in zijn heilige wijsheid, dat ik aan de dood kon ontkomen; en al lijd ik in mijn lichaam door 'de geseling gruwelijke pijnen, in mijn ziel voel ik vreugde dit alles uit eerbied voor Hem te hebben ondergaan".

In het eerste boek der Makkabeeënzou het eten van onrein vlees in het centrum van het verhaal hebben gestaan. In het tweede boek staat de "ergernis" van velen, door het 'geven vaneen huichelachtig voorbeeld, centraal. De schrijver tekent dan ook aan: "Zo stierf hij en liet door zijn dood niet alleen aan de jongeren, maar ook aan het grootste deel van het volk een voorbeeld na van edele gezindheid en onvergetelijke deugd".

-o-

Het ging als in de dagen van, de latere Stephanus: na die ene bloedgetuige werden de gruwelen steeds veelvuldiger en wreder. In het 2e boek wordt de marteldood van zeven broers en hun moeder getekend, op een wijze die Auschwitz nabij komt. Een ooggetuige-verslag spreekt van folteringen door branden, scalperen, tong en handen wegnemen, levend braden en de rest. Maar de eerste moedigde de andere broers aan: "God de Heer riet neer op ons en, zoals Mozes in zijn lied zong, Hij zal zich over zijn dienaars ontfermen".
De tweede broer zei onder meer: "je ontneemt ons nn wel het leven, maar de Koning der aarde zal ons, die voor zijn wet sterven, opwekken tot een eeuwig leven".
De derde broer bood zijn tong en handen aan de beul en sprak: "van de hemel heb ik ze gekregen, maar omwille van Gods wet doe ik er gaarne afstand van, in de hoop ze eens van Hem terug te krijgen".
De vierde broer, de dood nabij, zei: "de dood door mensenhanden wordt begerenswaardig door de hoop die God ons geeft, dat Hij ons weer doet opstaan; maar voor u zal er geen verrijzenis ten leven zijn". Hier citeerde hij Daniël, wiens woorden eveneens door de Heiland zijn herhaald 8).

Na de zonen is ook de moeder, die niet ophield haar kinderen moed in te spreken, ter dood gebracht.
"Hiermee is genoeg gezegd over de offermaaltijden en de buitensporige wreedheden", besluit hoofdstuk U, 7.

-o-

"Allen die dit boek in handen krijgen", zegt de opsteller 9)verzoek ik zich niet te ergeren aan deze rampspoed, maar te bedenken dat deze bestraffing niet de ondergang - maar de verbetering van ons volk ten doel had. Het is een bewijs van grote welwillendheid, als God de zondaars niet lang ongemoeid' laat, maar ze spoedig tuchtigt. Terwijl de Heer bij andere volken met de bestraffing lankmoedig wacht tot ze de maat van hun zonden hebben volgemaakt, doet Hij dat niet met ons. Als Hij onze zonden tot het uiterste liet voortwoekeren, zou zijn bestraffing te laat komen.
Maar Hij wil ons zijn barmhartigheid nooit onthouden en daarom is het feit, dat Hij zijn volk tuchtigt met rampen, een teken dat Hij het niet in de steek laat".

Zulke woorden zullen veel Joden in Auschwitz hebben gesterkt.
Juist de zoon die Hij liefheeft wordt gekastijd. In de gesprekken over bet christendom van nu kunnen de boeken der Makkabeeën wellicht een bijdrage leveren.

1) Hebr. 11 : 35 - 2) II, 5: 19 _ 3) Marc. 2: 27 - 4) II, 6: 18 - 5) Lev. 11 : 7 - 6) Dan. 9 : 27 - 7) 1 Cor. 10: 28, 29 - 8) Dan. 12: 2 - 9) II, 6: 12.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief