De inzet van de verkondiging (3-slot)
1986-11-21
Een antithetische strekking- Jaargang 30
- nummer 45
Als we het hebben over het getuigenis in deze wereld mogen wij niet vergeten, dat het evangelie geen zoetsappige aangelegenheid is. Het getuigenis heeft een antithetische strekking. Het brengt ons in een frontsituatie. Dat is Maarten Luther zich terdege bewust geweest toen hij schreef: "Als ik met luider stem en met de helderste uiteenzetting elk onderdeel van de waarheid Gods belijd, behalve juist dat puntje; dat de wereld en de duivel op dit moment aanvallen, dan ben ik niet bezig Christus te beliiden, hoe krachtig ik Christus ook moge belijden.
Waarde strijd woedt daar wordt de trouw van een soldaat bewezen, en standvastig te zijn op heel het overige slagveld, is slechts vlucht en schande, als men op dat punt versaagt." De H. Schrift heeft het ergens over apologie, niet in de zin van verweer om eigen gelijk te bewijzen, maar in de betekenis van getuigenis. Petrus vermaant de gelovigen altijd bereid te zijn tot verantwoording (1 Petrus 3: 15).
Altijd bereid, dat betekent ook: altijd gereed, altijd bekwaam. Het is frappant, dat genoemde tekst staat afgedrukt op de titelpagina van de Nederlandse Geloofsbelijdenis van Guido de Brès.
Zo legde men met de konfessie rekenschap af onder meer voor Filips II om te laten zien, dat de besohuldiging van revolutie en ketterij ten aanzien van de refermatorische christenen laster was. In die lijn moeten wij handelen. Wie weet wat de Heilige Geest dan nog via dat getuigend spreken en schrijven in onze hedendaagse samenleving .in ons land en daarbuiten wil doen.
De Heilige Geest staat immers voor niets. Wij breken vaak ons eigen getuigend optreden in deze wereld bij voorbaat af door ons kleingeloof. Waarom verwachten we geen grote dingen van onze grote God?
Dan pas kunnen we ook grote daden in zijn dienst verrichten.
We zullen uiteraard dus ons eigen getuigenis volledig hebben af te stemmen op de Schriften van het Oude en Nieuwe Testament. Eveneens zullen we daaraan het getuigenis van anderen hebben te toetsen.
Daarom behoort het werkelijk tot de wezenlijke inzet van .de verkondiging, dat aktueel de nodige informatie wordt verschaft over wat er gaande is in kerk, staat en maatschappij.
Dat laatste is een oude trits, die toch ook in deze tijd duidelijk funktioneren kan. Als op 8 maart 1794 de burgerij het feest van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap viert en van de preekstoel wordt geroepen: "Dit is van de Here geschied, het is wonderlijk in onze ogen!" wordt er gezwaaid met de vlag van de revolutie. Het blijkt dan, dat ook in de kerk de geest der Verlichting is doorgedrongen en het merendeel der predikanten patriottisch heeft gemaakt. Maar het reformatorisch erfgoed is prijsgegeven en de belijdenis verkwanseld. Men heft eigen denkarbeid en wetenschap op het schild. Maar 'een dergelijke verstandsreligie staat haaks op het bijbels getuigenis en is daarom te typeren als valse profetie.
Het leven met God
Het leven met God wordt in- de Bijbel op verschillende manieren onder woorden gebracht. Bekend is de uitdrukking: wandelen met God zoals dat geldt van Henoch en Noaoh. Dat wandelen met God betekent niet, dat men zich terugtrekt uit dit nietig aards gewemel.
De schriftuurlijke invulling van deze duidelijke uitdrukking laat een verzeilen in mysticistische wateren niet toe. Als Henoch zich tot God gewend heeft en het kontakt met de Here optimaal funktioneert, houdt dat niet in, dat hij zich aan zijn huwelijks- en gezinsverplichtingen onttrekt. Er staat in Genesis 5, dat hij zonen en dochters verwekte.
Hij nam deel aan de samen-leving van mensen van vlees en bloed. Maar hij' deed dat vanuit zijn geloof! Daarvan wordt getuigd door de bniefschrijver aan de Hebreeën in hoofdstuk 12 waar we ettelijke heiligen, die in het geloof 'aktief zijn geweest, tegenkomen.
Een man als Noach viel gewoonweg op onder zijn tijdgenoten. Hij was rechtvaardig en onberispelijk Je kon eigerrlijk geen vinger op hem leggen. Hij leefde coram Deo - in tegenwoordigheid van God. (Genesis 6: 9).
Zo was Noach een fenomeen in een dekadente wereld, die riep om het oordeel van God in de verschrikkelijke zondvloed. Wandelen met God d.i. rekening houden met de Allerhoogste in kleine en grote dingen van Je leven.
Steeds vragen: Here, wat wilt Gij, dat ik doen zal? Wandelen met God verraadt een vorm van intimiteit in de omgang. Als je met iemand wandelt veronderstelt dat in doorsnee, dat je met die bewuste persoon vertrouwd bent of vertrouwd wilt raken. Je wisselt allerlei gegevens uit. Je kunt je problemen en zorgen aan de ander echt kwijt. Er is iemand, die gedurig en intens in liefde. naar je Luistert.
Wandelen, dat ademt dus een sfeer van rust en vrede. Het leven met God houdt in, dat je je leven in het gesprek met Hem volledig openlegt. Je hebt voor Hem niets te verbergen.
En je stelt je tegelijkertijd helemaal open voor zijn adviezen. Je laat je leiden door zijn raad (de Psalm 73). Dat gaat 'aan de opname in heerlijkheid, soms na een lang leven, vooraf. Het is opvallend, dat ook in het laatste Bijbelboek deze uitdrukking voorkomt.
In de brief van de verhoogde Christus aan zijn gemeente te Sardes - een gemeente tussen dood en leven - komt bij alle kritiek en dreiging toch ook de glansrijke belofte voor: "Wie overwint, zal aldus bekleed worden met witte kleren; ... " (Openbaring 3: 5a).
Maar in het vers daaraan direkt voorafgaande wordt gemeld. dat er enkele personen te Sardes zijn, die hun kleren niet bezoedeld hebben en die met Christus in witte kleren zullen wandelen... Bij een feestmaal behoort feestkleding! Bij het leven met God moet men niet alleen op de uiterlijke dingen afgaan.
Iemand kan naar buiten toe volkomen korrekt in allerlei verbanden met de mensen verkeren terwijl hij bij alle kerkelijkheid toch niet het werkelijke kontakt met God kent.
Ds G. Lugtigheid, die destijds geref. predikant in Zeist was (hij is later naar Zwolle vertrokken) en die ik in mijn Utrechtse jongensjaren dolgraag hoorde, vertelde in een preek eens het volgende verhaal: '"In Leens (Gr.), waar ik een tijdje predikant ben geweest was het de gewoonte, dat de jongemensen van de gemeente niet op of rondom Pasen belijdenis van het geloof aflegden, maar het hele jaar door in kleine groepjes zich aanmeldden om via openbare geloofsbelijdenis tot het Heilig Avondmaal te worden toegelaten, Nu was, daar een meisje, dat al wat ouder was en dat zich nog nooit bij zo'n groepje had aangesloten. Toen ik haar eens na' de katechisatie daarover in de konsistoriekamer aansprak, stelde ik haar de vraag: En waarom doe jij nu niet eens belijdenis?
Zij antwoordde: Dominee, ik zou niet weten waarom ik dat zou moeten doen. Jezus zegt mij helemaal niets. Want de zonde zegt mij niets.
Ik heb daar helemaal geen aanraking mee, met die sfeer waarin u altijd leeft en spreekt. Nu moet u weten. dat dat meisje een heel korrekt kind was U1Îteen heel korrekt gezin. Ze was lief voor haar ouders thuis en liep nooit buiten het paadje.
Daar heeft u een intens gevaar van onze gereformeerde traditionele wereld. Dat de dingen aanvaard worden, maar niet met het hart! Dat men 's zondags twee keer naar de kerk gaat en dat men tóch Jezus niet kent."
Ja, leven met God, dat is een zaak van de buitenkant, omdat het een zaak van de binnenkant is. Wie zijn hart aan de Here gegeven heeft en belijdt niet buiten Hem te kunnen, kan geen verstoppertje 'spelen in de wereld. Op deze dingen moet in de verkondiging regelmatig gewezen worden. ' Het behoort wezenlijk bij de inzet van de rijke, ontdekkende prediking van het heilig evangelie.
De verwachting van Christus' komst
De vraag wordt regelmatig gesteld of wij ook werkelijk verlangen naar de wederkomst van Christus. Nu heeft ds W. G. Visser uit Utrecht enige tijd geleden toen hij daarover een referaat hield voor onze theologische studenten, erop gewezen, dat het niet juist is te spreken van de wederkomst van de Heiland. Het woord wederkomst komt nergens in de Bijbel voor.
Het gaat aldus ds Visser om dat ene komen van Christus, dat Hij op de jongste dag voltooien, voleindigen zal. En waarneer Hij precies die komst afronden zal, weet niemand. Wij hebben wat dat betreft een inbreng via onze gebeden en onze levenshouding. Ds Visser gebruikte in dat kader twee beelden.
Het eerste beeld was dat van een lifter, die na lang vergeefs aan de kant van de weg gewacht te hebben, plotseling bij een naderende auto denkt: Die chauffeur zal mij vast wel oppikken, maar kijk, ook die wagen gaat aan zijn neus voorbij.
De emeritus-pastor uit Utrecht gebruikte voorts het beeld van een glas water. Langzamerhand raakt dat glas vol. Bij de laatste druppel als het glas tot de rand toe gevuld is met water, komt het einde.
Het-zich-richten op de jongste dag Is alleen te verstaan vanuit de gemeenschap met de verhoogde Christus. En juist in moeilijke tijden leert men extra inschatten wat de troost is, die gelegen is in de belofte van Christus' voleindigde komst in deze wereld. Luther sprak van die lieve jongste dag!
Hij wist, dat hem dan eens recht gedaan zou worden. Een kerkstrijd' kan de verwachting van de laatste werelddag in het leven van geplaagde kinderen van God enorm intensiveren. Wij moeten ons via de verkondiging de vraag laten stellen of wij die werkelijke betrokkenheid kennen op de grote dag van Christus' toekomst. Of interesseren wij ons daarvoor steeds minder, omdat wij worden opgeslorpt door duizend en één andere dingen, die ,ons belangrijker voorkomen?
Mag om zo te zeggen de toekomstverwachting zoals de Bijbel die onder woorden brengt en waartoe de getrouwe verkondiging aanspoort, in de achterbak van onze levensauto meerijden? Of denken sommigen 'Onder ons: Als Jezus komt, komt er een eind aan mijn prille geluk, knapt, mijn horizontale toekomstverwachting en levensopbouw af? Ik zit hier beneden nu net zo lekker, waarom plotseling 'dan dat andere, die doorkruising van de kant van de hemel? Maar we moeten ons bewust zijn, dat Christus' komst niet ons levensgeluk beëindigt, maar voltooit! Het gaat ons toch als alleenstaande in de maatschappij of in ons huwelijk en gezin om die grote Koning, die tot ons komt in 's HEREN Naam?! Welnu, pas 'Op de nieuwe aarde komt de diepste dimensie van ons leven als' mens tot volle ontplooiing. Dan zijn wij voor altijd bij en met de Here! Dat was voor Paulus het hoogste. Als een jongen en een meisje - tik ben mij bewust van de zwakte van het beeld - eerst plm. 200 km van elkaar vandaan zitten en elkaar hoogstens één keer in de zoveel , weken kunnen ontmoeten, wordt het toch als een geweldig winstpunt beschouwd als ze na jaren in dezelfde stad komen te wonen en elkaar bijna dagelijks zien?! Zo is het ook in dit opzicht.
Nu ver van Christus in de vreemde, straks altijd bij Hem en met Hem, delend in zijn volle gemeenschap.
Dat is toch het pluspunt voor een christenmens"! Dan is de verwachting vervuld en de HERE God volstrekt' en onbetwist alles in allen.
Men mag de laatste dingen niet verwaarlozen!
Ook deze dingen horen wezenlijk tot de inzet van de verkondiging.
"Waakt dan, want gij weet de dag noch het uur" (Matth. 25 : 13).