Wees sterk en moedig: een gebod
1984-01-06
Heb Ik u niet geboden: wees sterk en moedig?- Jaargang 28
- nummer 1
Sidder niet en word niet verschrikt, want de HERE, uw God, is met u, overal waar gij gaat.
Jozua 1 : 9
Als een refrein klinkt in Jozua 1 de aansporing "Wees sterk en moedig!" De HERE zegt het tegen Jozua in vs. 6; in vs. 7 onderstreept Hij het: "Wees zéér sterk en moedig!": in vs. 9 herinnert Hij Jozua er opnieuw aan, als aan een gebod (heb Ik u niet geboden ... ); in vs. 18 besluiten de Israëlieten hun antwoord aan Jozua met diezelfde woorden: "Wees sterk en moedig!" Deze viervoudige opwekking tot vastberadenheid wijst erop, dat Jozua niet overliep van bravour, Integendeel, de HERE zinspeelt erop dat hij aan gevoelens van onzekerheid en angst ten prooi kan vallen, vs 9: "Sidder niet en word niet verschrikt."
Het mag duidelijk zijn: het gaat hier niet over 'lef' als karaktereigenschap; hier wordt iemand áángespoord zich over zijn angst heen te zetten. Dat maakt dit begin van het boek Jozua zo boeiend, Niet zo heel veel mensen gaan naar hun aard stoer tegen het leven aan; angst en weifeling zijn veel meer gemeengoed. En als dan hier iemand wordt opgeroepen om die bangheid en onzekerheid af te leggen, rijst de vraag: "Kan dat? Is dat mógelijk, dat een mens de vrees van zich afschudt en stèrk wordt?"
Het is geen wonder, dat Jozua hier niet naar voren komt als het toonbeeld van zelfverzekerdheid en durf. Hij kijkt n.l. in een diep, zwart gat: de dood van Mozes.
Een sterfgeval, waar de Schrift buitengewoon uitvoerig op in gaat, omdat het te vroeg plaats vond.
Immers, Mozes stierf voordat hij zijn taak ten einde gebracht had: het binnenleiden van Israël in het beloofde land. Dat is zeer smartelijk geweest; wat had meer voor de hand gelegen dan dat Israël bij die moeilijke operatie als vanouds op hem had kunnen steunen?
Maar ook Mozes was de HERE op een beslissend moment ontrouw geworden (Deut. 32: 51), zichzelf daarmee als leidsman onmogelijk makend. Nu moest Jozua zijn plaats innemen, maar wat een taak was dat! En wat een verantwoordelijkheid, om na het falen van zo'n grote voorganger de geestelijke leidsman te worden van Israël. En vooral: wat een ontzaglijke onderneming, om nu metterdaad de Jordaan over te trekken en de strijd aan te binden met de bewoners van Kanaän. De dood van Mozes leek het einde van een tijdperk, en om dan verder te gaan, bekende en onbekende gevaren tegemoet ...
Iets daarvan, van dat binnentreden in een nieuw tijdperk, beleven wij bij de jaarwisseling. Al is het uur waarop de eerste januari begint een tamelijk willekeurige grens, in de tijd, even kan het dan door ons heen gaan dat wij zonder een aantal vertrouwde gezichten om ons heen verder moeten.
Die ervaring is sterker en aangrijpender naarmate de binding aan de overledenen nauwer was. Sommigen hebben in 1983 een sterfgeval meegemaakt dat onoverkomelijk lijkt: hoe kom je ooit een nieuw, lang jaar door zònder je man, zònder je dochter ... ? Maar ook in andere opzichten kan dat nieuwe jaartal 1984 angst inboezemen. Er kunnen in het afgelopen jaar voorvallen zijn geweest, die je het gevoel geven dat je leven wezenlijk veranderd is, moeilijker is geworden. Je kunt onherstelbare fouten hebben gemaakt. Maar ook in het groot: de kentering in de kultuur is in 1983 doorgegaan.
De onderlinge verstandhouding van de grote mogendheden is er nog ijziger op geworden; het afstand nemen van christelijke waarden in onze samenleving is nog duidelijker aan de dag getreden.
Beleeft onze generatie niet inderdaad een nieuw tijdperk, dat we al weifelend binnentreden, vaag vermoede gevaren tegemoet?
Wie zo, onzeker door grote veranderingen, terugschrikt voor het leven dat voor hem ligt, wordt door God aangesproken over datgene wat blijft. Jozua krijgt te horen, dat het grote heil dat God met Israël op het oog heeft, niet staat of valt met Mózes. Al lang voordat hij op het toneel verscheen, was de HERE vastbesloten tot goedertierenheid. Zie vs. 6, waar Hij tegen Jozua zegt: "Gij zult dit volk het land doen beërven, dat Ik hun vaderen gezworen heb hun te zullen geven." M.a.w.: toen God aan Abraham, en later aan Isaäk en Jakob met de hand op het hart beloofde, dat hun nageslacht het land Kanaän zou ontvangen, t6en al stond vast dat de intocht eens zou plaats vinden, Sterker dan in de vertaling uitkomt, geeft de HERE dan ook in vs. 2 en 3 te kennen dat het binnentrekken in het beloofde land geen hachelijke onderneming is met een aanzienlijke kans van mislukken, maar in wezen al een voldongen feit! Letterlijk staat er: "Trek over de Jordaan hier (... ) naar het land dat Ik hun, de Israëlieten, aan het geven ben. Elke plaats die uw voetzool betreden zal, heb Ik u gegeven." Het sterven van Mozes mag dan een ernstig incident zijn geweest onderweg naar Kanaän, het brengt de onderneming als zodanig geen ogenblik in gevaar: het welslagen daarvan was gegarandeerd op het moment dat God het aan de aartsvaders zwoer. Daarom moet Jozua zich niet laten verlammen door het uitzicht, zonder Mozes verder te moeten gaan. Hij treedt niet een echt nieuw tijdperk binnen; over de generaties heen welft zich de boog van de trouw van God die niet laat varen de werken van Zijn handen.
De trouw van God: daaraan kan Jozua de kracht ontlenen om onbevreesd, vastberaden op weg te gaan naar Kanaän. Vs. 5: "Zoals Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn; Ik zal u niet begeven en u niet verlaten. Wees sterk en moedig!" Wat een belofte is dat!
Dat hij dàt mee mag nemen uit het verleden: Gods nabijheid. Ja, dan heeft hij reden om de vrees van zich af te schudden, als hij mag rekenen op herhaling van die hulp.
Zo wonden ook wij uitgenodigd moedig een nieuw jaar binnen te stappen in het letten op de samenhang, de kontinuïteit in ons leven.
Want ook onze jaren, welke ingrijpende veranderingen zij ook kunnen bevatten, maken deel uit van het eeuwen omspannende heilsplan van God, dat Hij begonnen is met de komst van Zijn Zoon op aarde en voltooien zal met Diens wederkomst in heerlijkheid: het herstel van Zijn Koningschap.
En wat er ook wegvalt en afgebroken wordt, in ons persoonlijk leven en in de wereldgeschiedenis, dit blijft: Gods ontferming over Zijn volk, dat Hij eigenhandig voortleidt, de grote vernieuwing tegemoet.
Is dat mogelijk, dat een mens de vrees van zich afschudt en sterk wordt? Ja, maar alleen in het geloof, dat Gods plannen-ten-goede voor Zijn volk doorgaan. Daartoe is nodig dat wij ons niet laten verlammen door de gebeurtenissen die we meemaken, hoe ernstig ze ook zijn. Daartoe is nodig, dat we konkrete verwachtingen hebben van dezelfde hulp en bijstand als die, welke Ihet voorgeslacht van God heeft ondervonden, Daartoe is ook nodig, dat wij Hèm trouw blijven. Want merkwaardig: de aansporing aan het adres van Jozua om sterk en moedig te zijn wordt in vs. 7 verbonden met de dringende oproep, om toch vooral zorgvuldig én de wegen van de HERE te gaan. Wie zó God serieus neemt, inzake zowel Zijn beloften als. Zijn verlangens, die zal sterk en moedig genoeg zijn om het leven in 1984 aan te kunnen.