De exegese van Rom. 11:25-26 (1)
1984-01-13
Het is met gemengde gevoelens - aarzeling, tegenzin, verlegenheid - dat ik me zet tot een bestrijding van de exegese van Rom. 11 : 25-26 door drs H. de Jong onlangs in dit blad voorgedragen. 1) - Jaargang 28
- nummer 2
Aarzeling, omdat ik overtuigd ben van de uitzonderlijk grote en blijvende waarde van zijn bijdrage in genoemde artikelen tot het verstaan van de oudtestamentische profetieën betreffende het geestelijk Israël, en om wat liefs zou willen voorkomen, dat een bestrijding van zijn laatste artikel ook maar de geringste afbreuk zou doen aan de 'ingang' die de voorafgaande vijf onder de lezers, naar ik hoop, zullen vinden.
Tegenzin, omdat ik door enkele uitlatingen van d.J. aan het adres van de aanhangers van de door hem bestreden opvatting onaangenaam ben getroffen. Al aanstonds door de formulering van het dilemma dat de artikelen als (onder)titel is meegegeven: "Klapstuk der geschiedenis of hoofdsom der historie?". 'Klapstuk' is zoveel als: het succesnummer van een optreden; dat waarmee degene die op de planken komt, zijn op sensatie belust publiek tot de hoogste opwinding brengt. d.J. construeert verder ("zal iemand tegenwerpen", 352, 3de kolom) bij zijn tegenstanders een vooringenomenheid, van waaruit ze dan vragen zouden, "of er voor Israël nog iets 'méér inzit"; en vermaant ons vervolgens, "dat we naast deze 'rest' niet langer dwingerig moeten zoeken naar een totaal van Israël-naar-het-vlees" (353, eerste kolom). Dat vind ik nare en kwetsende uitlatingen. En je moet, als je er bij de lezers eenmaal zo gekleurd op staat, iets overwinnen, wil je dan toch nog naar voren treden, om het woord te nemen.
Ik heb aanvankelijk dan ook overwogen er na de stille verzuchting 'et tu, Brute?' maar het zwijgen toe te doen, en me van verdere discussie te onthouden. Opzettelijk spreek ik hier van "verdere" discussie.
d.J. herinnert nl. (302, kol. 2) aan een Opbouw-vergadering in 1971, waar hij en ds. Amelink met ons over ditzelfde onderwerp van gedachten hebben gewisseld. Ik heb toen in de discussie met d.J. in 't kort naar voren gebracht een aantal exegetische argumenten, die mij noopten - en nog altijd nopentot een andere uitleg van de tekst-in-kwestie dan die welke d.J. voorstond en -staat. Ongeveer twintig jaar eerder had ik de voornaamste daarvan al eens gepubliceerd in het Calv. Jongelingsblad. 2)
Toch had ik er uiteindelijk geen vrede mee, me door gevoelens van beledigdheid te laten leiden. In de eerste plaats kan en wil ik - hem kennende! - niet geloven, dat d.J. wat ik citeerde, zo onaangenaam heeft bedoeld als het bij mij overkomt.
En verder bedacht ik in rekening te moeten brengen, dat korte en mondelinge opsomming van filologische argumenten - overigens de enige mogelijkheid die mij als een van de vele vragenstellers toen openstond - niet de meest geschikte presentatie is, om een tegenstander de kracht ervan te doen ontdekken.
Wat mij echter in grote verlegenheid brengt, is wat d.J. in zijn vijfde artikel schrijft: dat nl. onze exegese "mij religieus in moeilijkheden zou brengen. Als het namelijk waar is dat de bijbel van meet aan de werkelijkheid 'Israël' ter hand neemt om ze te besnijden tot het Israël Góds; en als het waar is dat we in de Schrift de betekenis van Abraham's bloed niet zien toe- maar afnemen, en we zouden dàn moeten geloven dat de lijn van het heil tenslotte toch terugbuigt naar een bruto Israël-naar-het-vlees, - wel, ik zou mij eerlijk gezegd genomen voelen.
Dit is voor mij de leer van een nog nieuwer testament dat als een tang op een varken op Oud en Nieuw beide past" (342, kolom 1).
Met verbijstering heb ik deze uitspraken gelezen en herlezen. Want ik moet me nu afvragen, of ik, als ik ga trachten hem met exegetische argumenten te overtuigen van de juistheid der door hem verworpen opvatting, het er niet op aanstuur, dat hij schipbreuk lijdt in zijn geloof.
Of - omgekeerd - moet ik niet - uitgaande van de onwrikbaarheid van zijn geloof - aannemen, dat hij exegetisch 'the point of no return' is gepasseerd, zodat verder argumenteren bij voorbaat tot mislukken is gedoemd?
Toch is er één lichtpuntje, dat mij hoop geeft. d.J. vervolgt na deze exclamatie aldus: "Maar wacht, ik zou het over nog een paar teksten hebben". Hij fluit zichzelf terug.
Kennelijk werd het besef in hem wakker: ik had deze religieuze ontboezeming moeten inhouden, tot ik exegetisch was uitgesproken.
Terecht m.i. Misschien is hij bereid nog een stap verder te gaan, nl. zulke gedachten het zwijgen op te leggen, tot wij - en onder dat 'wij' hoop ik meer mensen te mogen vatten dan hem en mij - de zaak exegetisch tot op de bodem hebben uitgepraat.
Ik waag het dus toch maar hier nogmaals een aantal exegetische gegevens aan te dragen die m.i. niet genegeerd mogen worden, wil men tot een verantwoorde uitleg van Rom. 11 : 25-26 komen.
Het belangrijkste punt in geding bij de uitleg van deze verzen is het woord 'houtoos' aan het begin van vers 26, dat men hier doorgaans door 'zo' vertaalt ('en zo zal heel Israël gered worden'). Zo ook drs. De Jong. Ten onrechte, naar mijn mening.
Ongetwijfeld betekent dit woord in zeer vele gevallen 'zo'; is dan dus een modaal bijwoord (d.w.z. het geeft de wijze aan waarop een handeling toegaat). Onvoldoende bekend is echter, dat het behalve modale ook temporele (d.i. op de tijd betrekking hebbende) betekenis kan hebben: 'vervolgens', 'daarna'.
Dikwijls zit er dan de bijsmaak aan van 'eerst dan', 'toen pas'. Het wordt nl. vooral dán gebruikt, wanneer er twee - eventueel kunnen het er ook meer zijn - handelingen of gebeurtenissen worden genoemd, waarvan de eerste noodzakelijk aan de laatste voorafgaat, of althans: waarbij de handelende persoon déze volgorde in zijn handelen vereist acht. De het laatst genoemde handeling is pas mogelijk (ofwel: meent men pas te kunnen of mogen doen) nadat men de het eerst genoemde heeft verricht.
Ik noem enkele voorbeelden uit het klassieke Attisch: Thuc. III 96, 2 - "Hij had nl. het plan na (eerst) 3) de andere gebieden te hebben onderworpen pas dan tegen de Ophioniërs ... op te rukken".
PI. Prot. 314c (Socrates en Hippocrates zijn op weg naar het adres waar Protagoras logeert. Onderweg zijn ze een discussie begonnen over een bepaald onderwerp). "Om nu na (eerst) ons gesprek te hebben afgemaakt, pas dan binnen te gaan, bleven we in het poortgebouw staan discussiëren, tot we het eens waren geworden". Xen. Cyr. II 1, 1 - "Na (eerst) tot de goden en heroën die het Perzische land in hun macht hebben, het gebed te hebben gericht hun genadig en welgezind te zijn, gingen ze vervolgens het grensgebied over". Steeds is hier sprake van een noodzakelijk of gewenst geachte volgorde: de generaal over wien het in de Thucydides-plaats gaat, ontwikkelt een bepaalde trategie: pas als hij de andere gebieden in handen heeft, zo meent hij, kan hij met succes de aanval op de Ophioniërs inzetten; Socrates en Hippocrates willen het gesprek waaraan zij bezig zijn, niet middenin afbreken: het moest eerst af, vóór ze naar binnen gaan, om met Protagoras te discussiëren; Cyrus en zijn vader durven de grens niet over, alyorens de goden te hebben aangeroepen, wier machtsgebied zij binnentreden.
Soms wordt 'houtoos' waar het in deze betekenis voorkomt, nog versterkt met 'dè' of 'èdè'; soms ook past men verdubbeling toe door naast 'houtoos' nog een tweede woord te zetten dat ook 'daarna' betekent"), zo bv. 'epeita' (Xen. An. VII 1, 4), of ook 'eita' (Arist. Poet. 1455b 1; men lette er op, dat bij de herhaling in r. 12 deze uitdrukking wordt afgewisseld met 'meta tauta èdè' = 'na dezen dan eindelijk').
Nu is er echter bij dit gebruik van 'houtoos' een klein verschil te constateren tussen het klassieke Attisch en het latere Grieks. Bij de klassieke schrijvers vindt men vrijwel altijd de constructie waarbij de voorafgaande handeling is uitgedrukt in een deelwoord, waarna dan de persoonsvorm - of, in geval van afhankelijkheid, de onbepaalde wijs - die de tweede handeling uitdrukt, wordt voorafgegaan door 'houtoos'. Op de drie eerstgenoemde plaatsen staat dus letterlijk: "de andere gebieden onderworpen hebbende dàn ... op te rukken".; "ons gesprek afgemaakt hebbende dàn binnen te gaan"; "tot de goden gebeden hebbende... vervolgens gingen ze de grens over".
In het latere Grieks echter gaat men het zgn. onderschikkend zinsverband (waarbij dus de eerste handeling is uitgedrukt in de vorm van een deelwoord, dat grammaticaal ondergeschikt is aan de persoonsvorm (eventueel onbepaalde wijs) waarin de tweede handeling is uitgedrukt) vaak vervangen door het nevenschikkende. Ook de eerste handeling wordt nu uitgedrukt in een persoonsvorm, die dus 'gelijkwaardig' komt te staan náást (in plaats ónder) de persoonsvorm die de hoofdhandeling behelst.
Men moet dan natuurlijk wel de beide naast elkaar staande persoonsvormen verbinden door 'kai' (= en).
Dit gebeurt nu ook in zinnen met het omstreden 'houtoos'. Men heeft wel gemeend, dat dit temporele 'kai houtoos' zich beperkte tot het latere Grieks (de zgn. 'koinè'). Dat is niet geheel juist. Bij Herodotus (midden 5de eeuw v. Chr.) komen al enkele onmiskenbare gevallen van deze wending voor (III 146, 2; IV 168, 1). Nu schrijft Herodotus Jonisch. Wanneer men dan ook in het latere Grieks dit gebruik van 'kai houtoos' algemeen ziet worden, zou men eerder geneigd zijn hierin een van de talrijke gevallen te zien waarin de 'koinè' door het Jonisch is beïnvloed. Maar dit terzijde. 5) Terwijl nu echter het klassieke gebruik van dit 'houtoos' (dus in zinnen met ptc.aor. + vf. (c.q. inf.) ) wèl gesignaleerd is 6), is het latere gebruik (dus 'kai houtoos' in nevenschikkende zinnen) blijkens mijn ervaringen zeer onvoldoende bekend. Vandaar b.v., dat veruit de meeste bijbelvertalingen het op dit punt doorgaans laten afweten.
Sinds 1948 heb ik uit de Basilica - die ik samen met Schelterna en Van der Wal voor een uitgave bewerkte - en verwante juridische Griekse literatuur een aantal gevallen genoteerd. Daarop berustte mijn pas genoemd artikel in het CJB. Naderhand bleek mij, dat Latte reeds in 1934 dit woordgebruik had gesignaleerd, en naast voorbeelden uit het NT ook plaatsen uit Epictetus had verzameld.") Een jaar of tien na mijn publicatie schreef Sicard naar aanleiding van Asterius-teksten een speciaal aan dit gebruik van 'houtoos' gewijd artikeltje. 8)
1) Opbouw 27ste jrg. ms. 30-35; de exegese van Rom. 11 in 't bijzonder in het laatste van de zes artikelen.
2) Ik kan helaas geen nauwkeurige verwijzing meer geven, omdat ik het desbetreffend nummer ben kwijt geraakt.
Als iemand onder de lezers het nog bezit, zou hij mij zeer dienen met een copietje ervan voor mij te laten maken. Het zal rond 1950 zijn geweest.
3) Voor het goed verstaan voeg ik dit woord hier en in de eerstvolgende teksten in de vertaling toe. Vgl. het commentaar van Classen-Steup "erst nachdem er die vorliegende Landschaft bezwungen wollte er ... mit frischer Kraft gegen sie vordringen". In dezelfde zin Gomme: "hls plan was only after conquering the rest to march later against the 0.". Verderop zuilen we teksten tegenkomen waar het 'eerst' er uitdrukkelijk bij staat.
4) De Grieken zijn in het algemeen niet wars van pleonasmen.
5) Ook contaminatie - als men het tenminste zo mag noemen - komt voor, nl. dat men begint met een ptc, aor.
en desondanks vóór het vf. 'ka.i houtoos' schrijft: PGenf. II 77,11.
6) Kühner-Gerth, Ausführliche Grammatik der griechischen Spraehe, Zweiter Teil (Satzlehre) s, Hannover/Leipzig 1898-1904, Bd. 2, S. 83 Anm. 5; E. Mayser, Grammatik der griechischen Papyri aus der Ptolemäerzeit, Bd. lI3, Berlin/Leipzig 1934, S. 73 Anm. 2. Desondanks blijken commentatoren en vertalers er vaak onvoldoende op bedacht te zijn.
7) Kurt Latte in een recensie van Paul Maas - Epidaurische Hymnen, in Göttingische Gelehrte Anzeigen 196 (1934) 405 vlgg. Hij stelt vast, dat vanaf de 4de eeuw v.Chr. "die Wendung in der hier vorliegenden Bedeutung 'und dann' alles andere als ungewöhnlich" is.
8) E. Sicard, Zum temporalen Gebrauch von 'houtoos', Symbolae Osloenses 37 (1961) 151-152.