Leven in negentienvierentachtig

1984-01-13
  • Jaargang 28
  • nummer 2
Alleen hij overwint, die van alles afstand heeft gedaan.

Broeders! Veroordeel niet degenen die zo hard terechtgekomen zijn, die zich dáárdoor zwak betoond hebben en meer hebben ondertekend dan goed was ... Werp geen stenen naar hen.

Solsenitsyn, Goelag Archipel 1,114, 104.

Onvoorbereid ...
Het was september en de groentijd van de studentenvereniging was net begonnen Hoe we ook tevoren geleefd hadden of gekleed waren, we waren nu gemakkelijk te herkennen aan onze eenvormige dracht. We waren nu "foeten" (nog niet geboren en zo) en we droegen een mallotige "vadermoordenaar", zo'n stijf rechtopstaand boordje, dat door een veter of touw op zijn plaats werd gehouden. Of we waren "tantes", droegen verplicht een rok en ouderwetse witte sokjes, die onze bevalligheid niet verhoogden. Door dit alles al enigszins uit ons gewone doen, werd de groentijd nog veel meer een tijd van verwarrende indrukken door het lange opblijven - je werd tot diep in de nacht in de sociëteit verwacht en 's morgens moest je er weer vroeg uit. Ook de bejegening door oudere jaars (m.n. de tweedejaars, die het zelf net achter de rug hadden) gaf sommigen van ons een gevoel van twijfel aan van alles, en zeker aan zichzelf.
Er werd van je verwacht dat je "meneer" zou zeggen tegen iemand die best eens jonger kon zijn dan jezelf. Je werd geacht stompzinnige en soms banale dingen te doen, te zeggen of aan te horen. Geacht je te laten uitkafferen, intimideren, belachelijk maken. En niet alleen werd je "geacht" dat alles te ondergaan, een aantal was er ten zeerste toe bereid!
Maar één was er, die was de held van de groep. Dat was zo gekomen.
Hij had het ongeluk op een avond tegen een paar ouderejaars aan te lopen, die zo ongeveer "in kennelijke staat" waren. Hij was prompt in zijn kraag gepakt, had keurig in de plooi de (kennelijk) nodige stompzinnigheden moeten aanhoren. Toen de een het weer eens over "die stomme foetmans" had, bracht de ander er een geintje in. "Is het eigenlijk wel een foetmans?, vroeg hij zich af en het eind van het verhaal was dat hij maar eens moest bewijzen dat hij een kerel wàs!
Daar sta je dan. Bewijs maar eens het vanzelfsprekende. Na ongetwijfeld enig aarzelen had hij de twee belagers gevraagd of ze met hem mee wilden gaan, naar het toilet. Natuurlijk keken de niet gans nuchtere ouderejaars elkaar aan: die gekke feut was niet góed!
Maar ze gingen mee. In het toilet wenkte hij hen naar een hoek, deed zeer geheimzinnig en haast gegeneerd. En wees toen op zijn adamsappel: "ziehier, heren, mijn secundair geslachtskenmerk."
Iedereen die het verhaal had gehoord, had gebruld van het lachen.
En hij kreeg op één avond alle handtekeningen die nodig waren om lid van de vereniging te kunnen worden.

Van "spel" naar werkelijkheid
Ongetwijfeld is het een veel te geladen woord, als ik zeg dat we in de groentijd iets van psychische terreur ervoeren. Maar woorden als "manipulatie" of "intimidatie"
zijn misschien wèl op hun plaats.
In elk geval bleek een groot aantal mensen - ikzelf niet uitgezonderd - in staat zich neer te leggen bij dingen die ze in "hun gewone doen" niet zouden nemen. Er werd een sfeer gecreëerd, waarin de meegaandheid van veel mensen aanmerkelijk toenam; soms was het ook onbegrijpelijk voor henzelf dàt ze het deden.
Twee. dingen komen daarbij in m'n gedachten. Punt één: ik was helemaal niet voorbereid geweest.
Ik had niet zoveel nagedacht over de vraag hoe die groentijd zou zijn Ik had me er niet echt op ingesteld dat het zó zou (kunnen) zijn.
En dus voelde ik me vanaf het eerste begin als iemand die van een trap komt en op nog twee treden rekent en het zijn er vier, of geen één! ...
Verder viel me op dat een stel mensen - haast zonder het zich te realiseren - gekke dingen deed in de hoop er "dan van af te zijn".
En dat gebeurde bijna nóóit. Want als zo'n foet of tante serieus op die idiote voorstellen inging, werd het pas ècht leuk ...
Van dit "spel" (nou ja!) naar de werkelijkheid. Wie boeken van dissidenten uit de Sowjet Unie leest ziet exact hetzelfde gebeuren, zij het op andere schaal en met enorm toegenomen intensiteit. Je bent er niet op voorbereid: niet genegen te geloven dat het jou kan overkomen: arrestatie, verhoor, veroordeling. In zo'n situatie geloof je continu dat het een vergissing is (ze komen er vast gauw achter dat ik niets gedaan heb).
En ook het àndere: vele mensen willen van de confrontatie af zijn.
Ze willen slapen na al die uren van verplicht doorwaken. Ze willen met rust gelaten worden. En dus tekenen ze verklaringen. En dan begint het pas goed ...

Hoe kom je er terecht?
Om in een gevangenis of kamp te belanden moet je zijn aangeklaagd. En zijn gearresteerd. Daar moet je op voorbereid zijn. De Staat heeft lange tenen: gauw staat iemand erop. De Staat heeft ook lange armen: niet gauw ontkom je eraan.
Je bent je misschien van geen kwaad bewust, maar dáár ligt juist je vergissing! Je had beter op je woorden moeten letten, je gedrag nog scrupuleuzer moeten overwegen.
Maar nee, je wordt aangehouden en wat zeg je: "Ik? Waarom?"
Solsenitsyn noemt het een standaardreactie van gearresteerden.
Ook zelf neemt hij bij de arrestatie deze woorden in de mond. (Goelag Archipel I, 15, 16, 27) Je bent een "tam konijn".

Wat heb je gedaan? Dat kan van alles zijn. Een greep uit de mogelijkheden:

• Je hebt in Amerika gewoond en gezegd dat er daar goede autowegen zijn. Anti-sovjet propaganda (245).

• Je bent landbouwkundige. Wijselijk heb je alle opdrachten "van hogerhand" stipt uitgevoerd. Ook toen de oppermachtige "partijbioloog Lysenko beval om vlas te zaaien in de sneeuw! De oogst was geheel mislukt (hoe zou dat nou komen?). Lysenko was "zuiver op de graad"; die kon het dus met gedaan hebben. De aarde is geen klassenvijand. Dus… verpesterij" van landbouwkundigen. Met anderen krijg je een enkele reis Siberië. (57)

• Je bent bij een bijeenkomst in een dorp. Men klapt voor Vadertje Stalin; de kans om na de gewone tijd op te houden laat men glippen. Iedereen klapt dus door, tien, elf, twaalf minuten. Ieder is doodongelukkig, maar vastbesloten niet als eerste te stoppen. Dan doe jij het. Je houdt gewoon op, binnep een tel gevolgd door alle anderen!
Vannacht komen ze je halen.
Je krijgt tien jaar (op een andere aanklacht, natuurlijk). (67)

• Je bent een zoon van koelakken.
Dat zijn kleine, maar zelfstandige boeren. Klassevijanden dus. Ook al zeg je zelf dat je je voor de arbeidersmassa inzet, je belandt ineen kamp van de Archipel.
(Solsenitsyn, Een Dag in het Leven van Ivan Denisovitsj, engelse Penguin editie, 73, 74)

Iedereen kan het overkomen, behoudens de wáre criminelen! Die komen er met een relatief lichte straf vanaf. En zie hoe ze de anderen, normaliter dappere, onafhankelijke mannen, tiranniseren. (G.A. 405 vv.) Iedereen heeft iets gedaan dat niet klopt. In een enkel geval zegt de commissaris zelfs: "Vertel het maar eens, je weet het zelf wel"
(89). Het klinkt aardig in de richting van Kafka's "je bent schuldig aan schuld". Geef maar toe!

Wie het zeker kan overkomen zijn de Christenen. Temidden van die haast onuitputtelijke reeks gevangen genomen groeperingen (wat komt er in de Goelag Archipel een zéé van leed op de lezer af!) spreekt Solsenitsyn van broeders en zusters in Christus. "Godsdienstige opvoeding begon men in die jaren (de jaren '20 en '30, PJvK) te classificeren als 58-10, dat wil zeggen als anti-revolutionaire agitatie ... Alle godsdienstgevallen kregen de tien, in die tijd de hoogste strafmaat." (G.A. 42) In zijn roman Ivan Denisovitsj laat Solsenitsyn zijn hoofdpersoon nadenken over het lot van gevangen Baptisten: "Zij waren ook een stel ongeluksvogels. Wat voor kwaad deden ze door tot God te bidden?
Toch had ieder van hen vijfentwintig jaar gekregen." (138) Het is historisch, Als we uit dit soort ervaringen lering willen trekken, dan is dat: dat in een ideologisch systeem àlle andersdenkenden - en zelfs de gewone "meelopers" - van de 'Overheid arrestatie te vrezen hebben.
En ook dat "allen die in Christus Jezus godvruchtig willen leven zullen vervolgd worden" (2 Tim. 3 vers 12).
Alleen wie naïef is verwàcht iets anders. Afleen wie ontrouw is krijgt iets anders! "Alleen omdat ze in hun geloof niet standvastig zijn, zitten ze niet in de gevangenis", zegt de baptist Alyosha tegen Ivan, de hoofdpersoon van Solsenitsyns roman. (139)

Laat het aan mij voorbijgaan ...
Iedere pas-gearresteerde is een optimist: Of uit geaardheid of uit innerlijke drang. Er moet een vergissing in het spel zijn; ze merken het vast wel binnenkort. En als je al ervaren hebt dat het lang duurt voordat je het verlossende woord te horen krijgt, dan is er steeds hoop op gratie of verkorting van straf. Ieder mens voelt dat zo, zegt Solsenitsyn, die het weten kan: "Zwak is de mens, zwak. Alles welbeschouwd, wilden zelfs de koppigsten onder ons in die lente graag vergiffenis krijgen, waren ze tot vele concessies bereid voor nog een stukje leven ...
We luisterden niet naar de weinige nuchteren onder ons ... We misten de zelfverloochening om ons te verplaatsen in de zo al niet boosaardige, dan toch simpele economische berekeningen van Stalin . .. Die hunkering naar begenadiging en dat geloof in begenadiging laten de grauwe gevangenismuren nooit in de steek." (G.A. 224-226)

Je wilt rust. Je wil slapen. Slaapgebrek, zegt Solsenitsyn, is het allerbelangrijkste middel van de geheime politie om gevangenen te breken. Je wilt dat je even niet met iets of iemand geconfronteerd hoeft te worden, En bovendien, ze hebben gezegd dat als ik niet teken, dan... Intimidatie. Plus menselijke zwakheid.

Maar het is een leugen, bedoeld om mensen nog verder te verstrikken.
Net als je eigen opmerkingen: "wat ik heb gezegd, dat zeggen er zovéél". De ondervrager: "wie dan? Noem eens namen." (242)

Het gevaar van het grote meegaandheid wordt ook getoond in het volgende: Een zekere Tsjebotarjow moest 72 uur lang wakker blijven en stil zitten. Hij bleef zonder eten en drinken. "En opeens werd voor Tsjebotarjow een diner binnengebracht: vette Oekraïnse borstjsj, filet met gebakken aardappeltjes en rode wijn in een kristallen karaf. Maar aangezien Tsj. al van jongs af een afkeer had gehad van alcohol, dronk hij niet van de wijn, hoezeer zijn officiercommissaris daar ook op aandrong.
. . Na het diner zeiden ze tegen hem: "En onderteken nu maar wat je ten overstaan van twee getuigen hebt verklaard" .... d.w.z. wat zwijgend in elkaar was gezet, terwijl de ene officier-commissaris sliep en de andere waakte ... Hij las de beschuldigingen) en begon bladzijden door te krassen.
Hij werd afgeranseld en weggejaagd.
Maar de andere, tegelijk met hem opgepakte functionaris ...die precies hetzelfde had ondergaan, had wèl wijn gedronken,had in een zalige roes getekend en ..
was gefusilleerd." (103)

Alles achter je laten
Hoe dan te handelen? Méér nog: hoe moet je dan zijn? Solsenitsyn: "Hoe kun je standhouden?: wanneer je pijn 'voelt, zwak bent, beminde personen hebt die nog leven, wanneer je onvoorbereid bent? ... Wat is er nodig om sterker te staan dan de officier-commissaris en die hele uitgezette vangklem?
Je moet de gevangenis binnenstappen zonder beangst te zijn voor het verlies van je knusse leventje dat achter je ligt. Je moet op de drempel tegen jezelf zeggen: het leven is voorbij, wel een beetje vroeg, maar niets aan te doen. Ik zal nooit meer naar die vrijheid terugkeren. Ik ben tot de ondergang gedoemd: nu meteen of wat later; maar als het later is, zal het juist moeilijker zijn; dus maar beter wat vroeger. Bezittingen heb ik niet meer. Mijn nabestaanden zijn voor mij dood ... en ik ben dood voor hèn. Vanaf vandaag is het lichaam voor mij een nutteloos lichaam dat niet van mijzelf is.
Alleen mijn geest en mijn geweten blijven voor mij een kostbaar en belangrijk bezit.
En tegenover zo'n arrestant ... zal het apparaat van ondervragers moeten zwichten! Alleen hij overwint die van alles afstand heeft gedaan." (114)

Samenvatting
Wie in een dictatuur leeft moet op arrestatie bedacht zijn. Ook: wie wordt opgepakt door de politie van George Orweils "Grote Broer", of een van diens geduchte voorgangers, moet niet te véél hopen.
Hij moet nuchter zijn. Hij moet zich er niet toe laten verleiden hoop te hebben en in elk geval niet tegen een onzekere hoop een aantal dingen inruilen die essentieel 'en onvervangbaar zijn: zelfrespect, geweten, menselijke waardigheid, Lijkt dat niet erg op wat Christus ons heeft gezegd, met inderdaad een paar keer de toevoeging: "om Mijnentwil". "Want ieder die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, maar ieder die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het vinden" (Mattheüs 16: 25). Les uit de Schrift, bevestigd door (over)levenden in de taiga van Siberië.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief