De biddende koning

1984-01-20
  • Jaargang 28
  • nummer 3
“Te Gibeon verscheen de HERE aan Salomo des nachts in een droom, en God zeide: Vraag; wat zal Ik u geven?”

1 Koningen 3 : 5

Het lijkt erop, dat de HERE Zelf blij verrast is geweest met het gebruik dat Salomo maakte van Zijn royale uitnodiging: "Vraag; wat zat Ik u geven?" Blijkens vs. 11 had Hij rekening gehouden met de mogelijkheid, dat Salomo met een van die menselijke hartewensen naar Hem toe was gekomen: het verlangen naar gezondheid, naar geld of naar macht. Hoe komt het, dat de koning zich beperkt tot de bede om wijsheid?
Zag hij zo diep de betrekkelijkheid van een lang leven, van rijkdom en macht in, dat deze dingen al helemaal niet verleidelijk meer voor hem waren? En wordt ons nier dus de bekende les voorgehouden, dat het ware geluk in andere dingen schuilt dan de mensheid doorgaans aanneemt?

De bijbelschrijver wijst een heel andere kant op. Salomo verschijnt nier helemaal niet als een rijp, bezadigd mens, die weet wat wérkelijk waarde heeft in dit leven. Hij komt h!ier integendeel naar voren als een bekommerde figuur, die gekweld wordt door gevoelens van onzekerheid en onervarenheid. Hij noemt zichzelf in het slot van vs 7 een jonge man, letterlijk 'een kleine jongen', en dat geeft precies zijn probleem weer: hij voelt zich totaal niet opgewassen tegen de reusachtige taak die op zijn schouders rustte. Dat is het eigenlijke thema van I Koningen 3: hoe Salomo aan het koningschap begint. En het eerste wat dan bericht wordt, is dat hij er tegen 'Op zag als tegen een berg. Het koningschap was hem een last, en wel om drie reden, zoals de verzen 6-9 duidelijk maken. In de eerste plaats klaagt hij, zoals gezegd, over zijn onervarenheid. Salomo ziet het zichzelf niet eventjes doen, koningzijn; hij twijfelt aan zichzelf. In de tweede plaats geeft hij te kennen, het koningschap meer als een opdracht dan als een voorrecht te ervaren. In vs 6 lijkt hij te willen zeggen: "Het is min of meer buiten mij omgegaan, dat ik koning werd; het is mij ten deel gevallen, omdat God mijn vader David het voorrecht gunde zijn eigen zoon als opvolger te hebben."
Hier spreekt niet iemand, die gretig naar de macht grijpt, maar een mens die er zich zijns ondanks toe geroepen weet. In de derde plaats geeft Salomo er blijk van, zeer zwaar te tillen aan het feit dat hij geroepen is tot koning over Israël. Vgl. vs 8: "Zó staat Uw knecht temidden van Uw volk, dat Gij uitverkoren hebt." In die woorden klinkt vrees door: Uw volk, dat Gij uitverkoren hebt. M.a.w.: als ik het fout doe, krijg ik het met U aan de stok, Vgl. de vraag aan het slot van vs. 9: "Wie zal in staat zijn dit Uw talrijk volk te richten?" Letterlijk staat er: dit zware volk van U, dit gewichtige volk. Israël is een gewichtig volk:, niet alleen omdat het zo groot is, vs 8, maar vooral ook omdat het Gods oogappel is. Kom je aan Israël, dan kom je aan de HERE (vgl. Zach. 2: 8). En daarom luistert dît koningschap ZD beangstigend nauw. Wie zou aan die taak zijn handen willen branden?

De bede om wijsheid die Salomo opzendt is dan ook geen brave algemeenheid, maar eenvoudigweg de vraag om datgene wat hij op dat moment het hardste nodig had: de toerusting voor zijn taak. Omdat het koningschap voor een belangrijk deel bestond uit rechtspreken (vgl. de geschiedenis die hier direkt op volgt: die van de twee vrouwen die vechten om een kind), is Salomo's bede: "HERE, geef me dat ik me in moeilijke gevallen van rechtspraak raad weet." Vgl. vs. 9: "Geef dan Uw knecht een opmerkzaam (letterlijk 'een horend') hart, opdat hij Uw volk richte, door te onderscheiden tussen goed en kwaad."

Nu dat gebed genade vindt in Gods ogen, is de kennelijke les van deze geschiedenis, dat de HERE ons veel liever in beslag genomen ziet worden door de ópdracht die Hij ons geeft, dan door de verwachtingen die wij van het leven kunnen hebben. Verwacht je in je leven een ander te ontvángen, of weet je je geroepen tot een táák? Dat is de tegenstelling waarom het hier gaat, en die van beslissende invloed is op ons bidden. Ja, ook op óns bidden: wij állen worden door de HERE zo royaal uitgenodigd: "Vraag; wat zal Ik u geven?" Ik doel op wat de Here Jezus over het gebed zegt in Matth. 7: 7: "Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden." Die belofte volgt op de uitleg van de geboden die Jezus in de Bergrede geeft, en die samengevat wordt in het woord: "Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is." Daartoe worden wij allen geroepen: God na te volgen, in de navolging van Christus. In de woorden van Luther: "De een moet voor de ander in zekere zin een Christus worden, zodat wij over en weer elkanders Christussen zijn." En zoals nu het koningschap Salomo voorkwam als een loden last, zeggen wij hiervan vertwijfeld: maar dat kunnen we niet!
Met het oog op die verlegenheid wijst Christus zo veelbelovend de weg van het gebed in Matth. 7.
Lukas 11 verduidelijkt: God wil graag de Heilige Geest geven aan hen, die Hem daarom bidden (vs. 13), als toerusting voor de taak om Christus na te volgen.

En zolang wij dus in beslag worden genomen door onze lust om te ontvangen, maken wij een verkeerd gebruik van het gebed. Ook bij het bidden gaat het erom, dat wij onszelf in de eerste plaats beleven als knecht, als dienares. Dan is onze zorg niet meer: hoe word ik welvarend; hoe haal ik mijn oude dag; hoe verwerf ik invloed. Dan gaan wij gebukt onder onze onmacht om te zijn wie God wil dat we zijn. Dan ook leren we het gebed waarderen als een middel dat God ons geeft, om de grote opdracht aan te kunnen. Wie zo, net als Salomo, eerst het Koninkrijk van God zoekt, zal ervaren dat God ook in al die andere dingen het goede met Zijn kinderen voor heeft.
Wie zichzelf in de dienst verliest, zal het leven in al z'n glorie behouden. Zo bad Luther *):

Naar Uw belofte, Heer, bid ik: geef me geen goud en zilver, maar een sterk, vast geloof.

Op grond van Uw belofte zoek ik: laat me vinden geen lust of plezier in de wereld, maar troost en verkwikking door Uw heilzaam Woord.

Op grond van Uw belofte klop ik aan: doe mij open, ik begeer niets wat de wereld hoog en groot acht, maar schenk mij Uw Heilige Geest, opdat die mijn hart verlicht, mij in mijn angst en nood sterke en trooste.

Amen.

*) Maarten Luther, Gebeden. Verzameld en ingeleid door F. Schulz, Baarn 1979, p. 71.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief